Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4470

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
08-996088-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 56-jarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar voor faillissementsfraude. Naast de gevangenisstraf legt de rechtbank de man een taakstraf op van 120 uren. Als medebestuurder van een stichting heeft de man samen met een medeverdachte grote geldbedragen uit deze stichting onttrokken die op dat moment noodlijdend was. Deze geldbedragen werden overgeboekt naar rekeningen van andere vennootschappen van zijn medeverdachte. Daarnaast is nagelaten een deugdelijke administratie te voeren. Zie ook:

ECLI:NL:RBOVE:2018:4462

ECLI:NL:RBOVE:2018:4477

ECLI:NL:RBOVE:2018:4480

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-996088-15 (P)

Datum vonnis: 22 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 oktober, 1 november, 5 november en 8 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. H. Versluis, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na een wijziging van de tenlastelegging van 1 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [stichting] door geldbedragen aan de boedel te onttrekken,

dan wel dat verdachte al dan niet samen met [stichting] en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door geldbedragen aan de boedel te onttrekken;

feit 2: zich al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van € 387.500,--;

feit 3: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [stichting] door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie,

dan wel dat verdachte al dan niet samen met [stichting] en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

feit 4: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [bedrijf 1] door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie,

dan wel dat verdachte al dan niet samen met [bedrijf 1] en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

feit 5: al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een valse handtekening.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

[stichting] (hierna [stichting] ) op één of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 te

Drachten, gemeente Smallingerland en/of te Naarden en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans alleen, terwijl [stichting] bij vonnis van de rechtbank

Amsterdam van 8 mei 2012 (zie ook proces-verbaal AMB-058, bijlage 02) in

staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van haar ( [stichting] ) schuldeisers

lasten heeft/hebben verdicht of verdicht en/of baten niet verantwoord

heeft/hebben of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel

heeft/hebben onttrokken of onttrekt,

immers heeft /hebben [stichting] en/of haar mededader (s) onder meer:

- opdracht gegeven en/of doen geven om telkens:

- op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2011 tot en met 16 januari 2012 één of meer geldbedragen tot een totaal van EUR 136.000, althans enig geldbedrag over te boeken en/of over te maken van [stichting] naar de bankrekening [rekeningnummer 1] van [bedrijf 1] , (zie proces-verbaal bijlage DOC-151, p. 894 en DOC-147, p. 890) en/of

- opdracht gegeven en/of doen geven om telkens: - op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2011 tot en met 2 november 2011 één/of meer geldbedrag(en) tot een totaal van ongeveer EUR 252.500, althans enig geldbedrag over te boeken en/of over te maken van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 2] van [bedrijf 2] (zie proces-verbaal, DOC- 153, p. 896; DOC-155, p. 898; DOC-157, p. 900: DOC-159, p. 902);

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al dan niet tezamen met een ander of anderen:

-opdracht heeft/hebben gegeven en/of

-aan de verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011

tot en met 26 augustus 2015 te Drachten, gemeente Smallingerland en/of elders

in Nederland, tezamen en in vereniging met [stichting] (verder

te noemen [stichting] ) en/of met één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen,

althans alleen, terwijl [stichting] bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 mei

2012 (zie ook proces-verbaal AMB-058, bijlage 02) in staat van faillissement

is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar ( [stichting] )

schuldeiser(s):

lasten heeft/hebben verdicht of verdicht en/of baten niet verantwoord

heeft/hebben of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel

heeft/hebben onttrokken of onttrekt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn

mededader (s) onder meer:

- op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2011 tot en met 16 januari 2012 één of meer geldbedragen tot een totaal van EUR 136.000, althans enig geldbedrag overgeboekt en/of doen overboeken en/of overgemaakt en/of doen overmaken van bankrekening [rekeningnummer 3] van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 1] van [bedrijf 1] , (zie proces-verbaal bijlage DOC-151, p. 894 en DOC-147, p. 890) en/of

- op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2011 tot en met 2 november 2011 één/of meer geldbedrag(en) tot een totaal van ongeveer EUR 252.500 BV, althans enig geldbedrag overgeboekt en/of doen overboeken en/of overgemaakt en/of doen overmaken van bankrekening [rekeningnummer 3] van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 2] van [bedrijf 2] (zie proces-verbaal, DOC- 153, p. 896; DOC-155, p. 898; DOC-157, p. 900: DOC-159, p. 902);

2.

hij tezamen en in vereniging met een ander of andere natuurlijke en/of

rechtspersoon- of personen, althans alleen, op één of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 in

Drachten, gemeente Smallingerland, althans in Nederland van het plegen van

witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn

medeverdachte(n) telkens een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer

387.500 euro, althans enig geldbedrag verworven, voorhanden gehad,

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten die/dat

geldbedrag(en) gebruik gemaakt, onder meer door:

- op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2011 tot en met 16 januari 2012 één of meer geldbedragen tot een totaal van EUR 136.000, althans enig geldbedrag over te boeken en/of doen overboeken en/of over te maken en/of doen overmaken van bankrekening [rekeningnummer 3] van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 1] van [bedrijf 1] , (zie proces-verbaal bijlage DOC-151, p. 894 en DOC-147, p. 890) en/of

- op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2011 tot en met 2 november 2011 één/of meer geldbedrag(en) tot een totaal van ongeveer EUR 252.500 BV, althans enig geldbedrag over te boeken en/of doen overboeken en/of over te maken en/of doen overmaken van bankrekening [rekeningnummer 3] van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 2] van [bedrijf 2] (zie proces-verbaal, DOC- 153, p. 896; DOC-155, p. 898; DOC-157, p. 900: DOC-159, p. 902);

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven

geldbedrag(en)/voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

3.

[stichting] (verder te noemen [stichting] ) op één of meer tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 te

Drachten, gemeente Smallingerland, en/of te Naarden en/of elders in Nederland

, tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen,

althans alleen, terwijl [stichting] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

Amsterdam van 8 mei 2012 (zie proces-verbaal AMB-058, bijlage 02), in staat

van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten

van haar schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op haar rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel l5i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te

voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in

dat artikel bedoeld (zie proces-verbaal bijlage DOC-062, p. 787; DOC-205, p.

1013; DOC-219, p. 1190);

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al dan niet tezamen met een ander of anderen:

-opdracht heeft gegeven en/of

-aan de verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meertijdstippen in of omstreeks 1 augustus 2011 tot en met 26

augustus 2015 te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of te Naarden en/of

elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [stichting]

(verder te noemen [stichting] ) en/of met één of meer natuurlijke en/of

rechtspersonen, althans alleen, terwijl [stichting] bij vonnis van de

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 mei 2012 (zie proces-verbaal

AMB-058, bijlage 02), in staat van faillissement is verklaard, ter

bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s), niet heeft

voldaan aan de op hem (verdachte) en/of zijn medeverdachte(n) rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel l5i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te

voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in

dat artikel bedoeld (zie proces-verbaal bijlage DOC-062, p. 787; DOC-205, p.

1013; DOC-219, p. 1190);

4.

[bedrijf 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode

van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 te Drachten, gemeente

Smallingerland, en/of te Heerenveen en/of elders in Nederland , tezamen en in

vereniging met één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen,

terwijl [bedrijf 1] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

Noord-Nederland van 20 januari 2015 (zie proces-verbaal bijlage DOC-236), in

staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van haar schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op haar rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel l5i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te

voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in

dat artikel bedoeld (zie proces-verbaal bijlage DOC-061, p. 777);

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al dan niet tezamen met een ander of anderen:

-opdracht heeft/hebben gegeven en/of

-aan de verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011

tot en met 26 augustus 2015 te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of te

Naarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

en/of met één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen,

althans alleen, terwijl [bedrijf 1] bij vonnis van de

Arrondissementsrechtbank te Noord-Nederland van 20 januari 2015, in staat van

faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van

haar schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op hem (verdachte) en/of zijn

medeverdachte(n) rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een

administratie ingevolge artikel l5i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of

andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld (zie proces-verbaal bijlage

DOC-061, p. 777);

5.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus

2011 tot en met 4 januari 2012 te Drachten, gemeente Smallingerland en/of

Amsterdam en/of te Groningen en/of te Leeuwarden en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of heeft

doen maken van een of meer valse of vervalste documenten, - (elk) zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat

geschrift telkens echt en onvervalst, te weten:

a. een inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor

Amsterdam gedateerd 18 augustus 2011 (zie proces-verbaal bijlage DOC-199, p.

974 e.v.) en/of

b. een inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel Noord-Nederland (zie proces-verbaal bijlage DOC-201, p. 994 e.v.) gedateerd 2 januari 2012,

bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat voornoemde

inschrijvingsformulieren zijn overgelegd aan de Kamer van Koophandel en

Fabrieken voor Amsterdam en/of aan de Kamer van Koophandel Noord-Nederland,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het inschrijfformulier aan

respectievelijk de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam en/of het

inschrijfformulier aan de Kamer van Koophandel Noord-Nederland was voorzien

van een handtekening voorstellende die van mevrouw [naam 1] (zie

proces-verbaal bijlage DOC-199, p. 977 en DOC-201, p. 995),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/die geschrift(en) bestemd

was/waren voor zodanig gebruik.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat onder 1 aan verdachte ten laste is gelegd dat hij al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrieglijke bankbreuk door [stichting] (hierna: [stichting] )), althans dat hij samen met [stichting] en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. Dit verwijt is zowel primair als subsidiair nader feitelijk uitgewerkt in twee gedachtestreepjes betreffende overboekingen vanaf de rekening van [stichting] naar [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en overboekingen vanaf de rekening van [stichting] naar [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Die weergave wordt voorafgegaan door de woorden ‘onder meer’. De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘onder meer’ een uitbreiding van de daarna genoemde overboekingen inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren en waarover de rechtbank een oordeel moet vellen. De tenlastelegging is dan ook partieel nietig voor wat betreft de geplaatste woorden ‘onder meer’.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

3.2

De bevoegdheid van de rechtbank, ontvankelijkheid van de officier van justitie en

schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feiten 1, 2 en 3: [stichting]

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [stichting] door geldbedragen aan de boedel te onttrekken (feit 1 primair) en niet aan de administratieplicht te voldoen (feit 3 primair), dan wel dat hij samen met [stichting] op deze wijze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd (feiten 1 en 3 subsidiair) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van € 387.500,-- (feit 2).

4.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zicht op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte en [medeverdachte] goederen aan [stichting] hebben onttrokken door gelden over te boeken vanaf de bankrekening van [stichting] naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , op een moment dat [stichting] afstevende op een faillissement, en dat zij hebben nagelaten om een deugdelijke administratie te voeren op een moment dat [stichting] afstevende op een faillissement. Verdachte en [medeverdachte] hebben bovendien door gebruik te maken van de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de gebruikte omschrijvingen bij de overboekingen getracht te verhullen dat die overboekingen ten onrechte plaatsvonden.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een onttrekking, omdat de gelden slechts elders werden geparkeerd teneinde die gelden beschikbaar te houden voor de betaling van personeel en andere vaste lasten. Subsidiair kan om die reden niet worden bewezen dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft gehandeld. Indien en voor zover de naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] door geboekte gelden niet ten behoeve van [stichting] zijn gebruikt, heeft verdachte daar bovendien geen betrokkenheid bij gehad. Verdachte had geen toegang tot die bankrekeningen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens aangevoerd dat verdachte niet wist dat de van [stichting] naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] overgeboekte gelden voor andere doeleinden dan [stichting] werden gebruikt. Dat de door verdachte van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren wist hij bovendien niet en kon hij ook niet weten, aangezien hij geen toegang tot die rekeningen had.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte en [medeverdachte] een ondeugdelijke administratie van [naam 1] overgedragen hebben gekregen en dat verdachte heeft geprobeerd om de administratie in orde te maken. De staat van de aangetroffen administratie kan bovendien niet geverifieerd worden. Volgens de verdediging kan niet bewezen worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om rechten van schuldeisers te verkorten.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

[stichting] is een in 2004 opgerichte stichting die zich voornamelijk bezig hield met het verlenen van thuiszorg, vrouwenhulpverlening, uitzendzorg en kinderopvang. Tot 8 augustus 2011 was mevrouw [naam 1] bestuurder van de stichting. Van 8 augustus 2011 tot 30 december 2011 waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bestuurders van de stichting.

Op 8 mei 2012 is [stichting] door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. N. Wilderink tot curator.1

De onttrekkingen aan de boedel

De rechtbank overweegt dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.

Uit het dossier blijkt dat vanaf de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] ten name van [stichting] de volgende spoedoverboekingen naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 1] zijn gedaan:

  • -

    op 16 november 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’

  • -

    op 16 november 2011 een bedrag van € 45.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’

  • -

    op 16 januari 2012 een bedrag van € 40.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’

  • -

    op 16 januari 2012 een bedrag van € 1.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’.

[bedrijf 1] is een op 30 oktober 2009 opgerichte buitenlandse vennootschap waarvan medeverdachte [medeverdachte] sinds 30 augustus 2010 enig bestuurder was.2

Vanaf de rekening met nummer [rekeningnummer 3] ten name van [stichting] zijn de volgende (spoed)overboekingen naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 2] gedaan:

  • -

    op 5 augustus 2011 een bedrag van € 50.000,00 onder vermelding van ‘T.b.v. afspraken doorstart [stichting] (lonen incl)’

  • -

    op 17 augustus 2011 een bedrag van € 44.000,-- onder vermelding van ‘inzake doorstart [stichting] , volgens afspraak’

  • -

    op 19 september 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • -

    op 19 september 2011 een bedrag van € 42.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • -

    op 20 september 2011 een bedrag van € 3.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • -

    op 10 oktober 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • -

    op 10 oktober 2011 een bedrag van € 12.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’.

[medeverdachte] was vanaf 27 juni 2008 bestuurder van [bedrijf 2] .3

De rechtbank concludeert gelet op de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden dat gelden aan het vermogen van [stichting] zijn onttrokken en daarmee buiten het bereik en het zicht van de curator zijn gesteld. Verdachte heeft niet aangetoond dat deze bedragen ten behoeve van [stichting] zijn besteed. Ook de medeverdachte [medeverdachte] is er niet in geslaagd aan dit aan te tonen. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat er crediteuren van [stichting] zijn betaald met de naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] vanuit [stichting] overgeboekte gelden, maar bevat ook sterke aanwijzingen dat een deel van de gelden van [stichting] via de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] voor andere (privé) doeleinden is gebruikt.

De rechtbank stelt gelet hierop vast dat enig geldbedrag aan de boedel is onttrokken.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de in 341 (oud) van het Wetboek van Strafrecht

(Sr) gebezigde bewoordingen 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers' tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat dus voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.4 Voorts overweegt de rechtbank dat de gedragingen moeten hebben kunnen leiden tot benadeling van de faillissementsschuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Van benadeling is sprake indien als gevolg van de gedraging het actief van het faillissement – de failliete boedel, het onderpand van de faillissementscrediteuren – minder is dan het anders zou zijn geweest, waardoor het ontoereikend of nog meer ontoereikend is geworden om alle schuldeisers in het faillissement daaruit te betalen.

[medeverdachte] heeft verklaard dat uit de eerste contacten met [stichting] bleek dat [stichting] een investeerder zocht en een kapitaalinjectie nodig had, omdat het anders om zou vallen. Omdat er constant beslagen op de bankrekening van [stichting] werden gelegd heeft [medeverdachte] gelden die op de bankrekening van [stichting] binnenkwamen doorgeboekt naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Verdachte wist hiervan. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij en [medeverdachte] door geld over te boeken naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers hebben gehandeld, omdat zij nog in afwachting waren van de opbrengst van de verkoop van een jachthaven door [medeverdachte] en verdachte de aanmerkelijke kans op de verkorting van de rechten van de schuldeisers derhalve niet heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat wat er ook zij van de verklaring van verdachte dat hij de kans op benadeling van de schuldeisers niet heeft aanvaard, de gedragingen van verdachte en [medeverdachte] daarmee in strijd waren. Verdachte en [medeverdachte] hebben immers, wetende dat [stichting] in een financieel penibele situatie zat, de benodigde kapitaalinjectie nog niet was gedaan en er constant beslagen op de bankrekening werden gelegd, geld onttrokken aan het vermogen van [stichting] en die gelden niet aantoonbaar ten behoeve van [stichting] besteed. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er vanaf augustus 2011 een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en dat verdachte en [medeverdachte] de aanmerkelijke kans dat een faillissement zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedragingen zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden bewust hebben aanvaard.

De administratie

De rechtbank overweegt dat de in artikel 3:15i BW opgenomen eis dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep – kort gezegd – een deugdelijke administratie te voeren, op grond van de jurisprudentie aldus moet worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie. Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.5

De rechtbank concludeert op grond van de in de bewijsbijlage weergegeven verklaringen van de curator, [naam 2] en [naam 3] dat [stichting] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, aangezien niet snel inzicht kon worden verkregen in de debiteurenpositie wegens het ontbreken van de urenadministratie en ook andere voor een onderneming van deze aard en omvang relevante stukken om een redelijk inzicht in de vermogenspositie van de onderneming te kunnen krijgen, ontbraken. De rechtbank overweegt dat wat er ook zij van de stelling van verdachte dat zij een niet deugdelijke administratie van [naam 1] overgedragen hebben gekregen, verdachte en [medeverdachte] op de hoogte waren van het feit dat de administratie gebrekkig was en dat zij hebben nagelaten om maatregelen te treffen om de administratie op orde te brengen, behoudens het bij elkaar zoeken en voegen van papieren hetgeen in dit verband onvoldoende is. Bovendien is ook over de periode waarin verdachte en [medeverdachte] zelf (feitelijk) bestuurder waren van [stichting] geen deugdelijke administratie gevoerd. Nu verdachte en [medeverdachte] vanaf augustus 2011 wisten dat de financiële situatie van de onderneming zo penibel was dat een faillissement dreigde, maar zij desondanks hebben nagelaten om maatregelen te nemen om de administratie op orde te brengen, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers in het faillissement hierdoor zouden worden benadeeld. De curator in het faillissement zou immers zonder deugdelijke administratie niet in staat zijn om de rechten en plichten van de failliete onderneming te kennen.

De rechtbank overweegt voorts dat voor zover de administratie wel was gevoerd, deze niet te voorschijn is gebracht. Verdachte heeft tijdens een gesprek met de curator op 3 juli 2012 toegezegd de administratie van [stichting] voor 1 augustus 2012 aan de curator te verstrekken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte en [medeverdachte] hebben bovendien de digitale administratie niet aan de curator verstrekt, terwijl die administratie er wel was. De digitale administratie is immers bij [medeverdachte] thuis aangetroffen tijdens een doorzoeking.

De strafbaarheid van [stichting] en het feitelijk leidinggeven

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [stichting] is voldaan, aangezien [stichting] geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen en de opzet van verdachte en [medeverdachte] aan [stichting] kunnen worden toegerekend. De verboden gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden nu zij zijn verricht door de (enige) twee bestuurders van [stichting] , de gedragingen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon passen, de (bestuurders van de) rechtspersoon invloed kon(den) uitoefenen op de gedragingen en de gedragingen gelet op de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon zijn aanvaard. Eveneens kan het opzet van verdachte en [medeverdachte] , nu zij formeel en feitelijk bestuurder waren, aan [stichting] worden toegerekend.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Verdachte was immers degene die zich naar eigen zeggen ‘een slag in de rondte heeft gewerkt’ om de administratie op orde te krijgen. Hij wist vanuit die taak en verantwoordelijkheid dat zijn medebestuurder [medeverdachte] grote geldbedragen onttrok aan het vermogen van [stichting] door deze over te boeken naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Verdachte heeft nagelaten te controleren waar het geld voor werd gebruikt en heeft geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat het geld niet aantoonbaar aan [stichting] werd besteed, hoewel hij daartoe gelet op zijn positie binnen de onderneming bevoegd en gehouden was. Dit geldt te meer nu zowel hij als zijn partner geldbedragen kregen overgeboekt vanaf de rekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] terwijl zij geen relatie tot die ondernemingen hadden.

De conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde.

Het witwassen

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander geld heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet door geldbedragen van de bankrekening van [stichting] naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over te boeken, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het Openbaar Ministerie heeft derhalve in haar tenlastelegging het onderliggende misdrijf, te weten de onttrekking van geld aan [stichting] door overboekingen te doen naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , aangemerkt als de feitelijke witwashandeling. De ten laste gelegde witwashandeling is kortom het onderliggende misdrijf zelf.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden, aangezien aan de ten laste gelegde feitelijke witwashandeling geen misdrijf vooraf is gegaan.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het onder 2 ten laste gelegde.

4.2

Feit 4: [bedrijf 1]

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte enige betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit heeft gehad.

4.3.

Feit 5: opzettelijk gebruik van valse documenten

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening.

4.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft begaan. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de aangifte door mevrouw [naam 1] , de verklaring van getuige [getuige] dat verdachte en [medeverdachte] hem hebben verteld dat ze de handtekening van mevrouw [naam 1] hadden nagemaakt en het feit dat mevrouw [naam 1] op het moment dat de wijzigingen bij de Kamer van Koophandel werden doorgevoerd in Suriname verbleef.

4.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de formulieren vals zijn. Verdachte heeft gesteld dat mevrouw [naam 1] op blanco inschrijfformulieren van de Kamer van Koophandel haar handtekening heeft gezet en dat wat nadien is ingevuld en naar de Kamer van Koophandel is gestuurd overeenstemde met de bedoeling van partijen.

4.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet samen met [medeverdachte] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van twee vervalste formulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening van mevrouw [naam 1] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van mevrouw [naam 1] dat de handtekening op de twee ten laste gelegde formulieren niet door haar is gezet onvoldoende door ander bewijs wordt gesteund.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

[stichting] (hierna [stichting] ) in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met rechtspersonen, terwijl [stichting] bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2012 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar ( [stichting] ) schuldeisers enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers hebben [stichting] en haar mededaders:

- opdracht gegeven en/of doen geven om telkens:

 in de periode van 16 november 2011 tot en met 16 januari 2012 geldbedragen over te boeken van [stichting] naar de bankrekening [rekeningnummer 1] van [bedrijf 1] , en

- opdracht gegeven en/of doen geven om telkens:

 in de periode van 5 augustus 2011 tot en met 2 november 2011 geldbedragen over te boeken van [stichting] naar bankrekening [rekeningnummer 2] van [bedrijf 2] ,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen met een ander feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[stichting] (verder te noemen [stichting] ) in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2015 in Nederland, terwijl [stichting] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 mei 2012 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het te voorschijn brengen van de gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 51 en 341 (oud) van het Wetboek

van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en 3 primair:

telkens het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft bij haar eis meegewogen dat verdachte een geringere rol in de strafbare feiten heeft gehad dan [medeverdachte] . De officier van justitie heeft voorts rekening gehouden met de gezondheidstoestand van verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf. De verdediging heeft daarvoor aangevoerd dat verdachte een blanco strafblad heeft, de strafzaak en de bijbehorende media-aandacht veel impact op verdachte hebben gehad en verdachte slechts een gering financieel voordeel heeft genoten. De verdediging heeft voorts naar voren gebracht dat de gezondheidstoestand van verdachte momenteel slecht is, omdat recentelijk een tumor in het hoofd van verdachte is gevonden, waarvoor hij thans nader wordt onderzocht.

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek om een aanvullende reclasseringsrapportage gedaan, indien de rechtbank overweegt om een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte is samen met [medeverdachte] bestuurder van [stichting] geworden toen [stichting] reeds noodlijdend was, onder het mom dat met een investering door [medeverdachte] het bedrijf van de ondergang gered zou kunnen worden. Behoudens het met geleend geld betalen van één crediteur ter afwending van een faillissement, heeft [medeverdachte] uiteindelijk niet in [stichting] geïnvesteerd, terwijl verdachte en [medeverdachte] wel grote geldbedragen aan [stichting] hebben onttrokken en naar rekeningen van andere vennootschappen van [medeverdachte] hebben overgeboekt. Verdachte en [medeverdachte] hebben daarnaast nagelaten om een deugdelijke administratie te voeren. Uit het dossier komt naar voren dat de rol van verdachte als ondergeschikt aan die van [medeverdachte] moet worden gezien. Het financiële voordeel dat verdachte heeft genoten lijkt relatief gering. De rechtbank houdt hier rekening mee in de strafmaat.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld door de rechter.

Uit het reclasseringsrapport van 13 februari 2017 blijkt dat verdachte een WAO-uitkering heeft en dat er een schuld is, waarvoor een betalingsregeling loopt. De reclassering signaleert problemen op het gebied van gezondheid (mentaal en fysiek), gestructureerde dagbesteding en een sociaal netwerk. De reclassering signaleert bovendien een relatie tussen de financiën en het sociale netwerk van verdachte en het delictgedrag. Gelet op de ontkennende houding van verdachte beperkt de reclassering zich tot het beschrijven van mogelijke strafmodaliteiten. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een eventuele taakstraf zal in verband met de gezondheid van verdachte binnen de reclassering naar een geschikt project kunnen worden gekeken.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de straf eveneens acht op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. In dat kader overweegt de rechtbank dat zij, omdat verdachte geen deugdelijke administratie van [stichting] heeft gevoerd, aangewezen is op het doen van schattingen. Verdachte en [medeverdachte] hebben in totaal € 387.500,-- aan het vermogen van [stichting] onttrokken. Dat deze onttrokken gelden ten behoeve van [stichting] zijn besteed is niet aangetoond. Het dossier bevat echter wel aanwijzingen dat een deel van die onttrokken gelden zakelijk is besteed, waaronder de verklaring van de curator op dit punt. De rechtbank bepaalt aan de hand van die verklaring van de curator en gegeven de marge van onzekerheid, die met name is ontstaan door het niet bijhouden van een deugdelijke administratie door onder meer verdachte, het benadelingsbedrag op de helft van het bedrag van de onttrekking, derhalve op een bedrag van ongeveer € 193.750,--. Voor een dergelijk benadelingsbedrag hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden onvoorwaardelijk.

Gelet op de hiervoor uiteengezette omstandigheden, te weten – kort gezegd – de geringere rol van verdachte in de strafbare feiten, het relatief beperkte genoten financiële voordeel en de blanco justitiële documentatie van verdachte acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden.

De rechtbank acht een taakstraf passend en geboden en wijst het verzoek van de verdediging om de strafzaak aan te houden teneinde de reclassering opdracht te geven om aanvullend te rapporteren, af. De rechtbank ziet op voorhand geen absolute beperkingen voor het uitvoeren van een taakstraf en de reclassering kan zowel bij de aard en de duur van de werkzaamheden alsmede de termijn waarbinnen de taakstraf verricht moet worden rekening houden met de medische beperkingen van verdachte.

De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uren op. Ter voorkoming van recidive acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren eveneens op zijn plaats.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair partieel nietig, voor wat betreft telkens de woorden ‘onder meer’;

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair en 3 primair:

telkens het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Almelo met nummer 56294. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-151, bladzijde 894), waaruit blijkt dat [stichting] de volgende bedragen heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 1] :

  • -

    op 16 november 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’;

  • -

    op 16 november 2011 een bedrag van € 45.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’.

2.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-147, bladzijde 890), waaruit blijkt dat [stichting] de volgende bedragen heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 1] :

  • -

    op 16 januari 2012 een bedrag van € 40.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’;

  • -

    op 16 januari 2012 een bedrag van € 1.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak [stichting] ’.

3.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-159, bladzijde 902), waaruit blijkt dat [stichting] het volgende bedrag heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 2] :

- op 5 augustus 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘T.b.v. afspraken doorstart [stichting] (lonen incl)’.

4.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-153, bladzijde 896), waaruit blijkt dat [stichting] het volgende bedrag heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 2] :

- op 17 augustus 2011 een bedrag van € 44.000,-- onder vermelding van ‘inzake doorstart [stichting] , volgens afspraak’.

5.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-157, bladzijde 900), waaruit blijkt dat [stichting] de volgende bedragen heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 2] :

  • -

    op 19 september 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’;

  • -

    op 19 september 2011 een bedrag van € 42.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’;

  • -

    op 20 september 2011 een bedrag van € 3.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’.

6.

Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [stichting] (DOC-155, bladzijde 898), waaruit blijkt dat [stichting] de volgende bedragen heeft betaald op de bankrekening van [bedrijf 2] :

  • -

    op 10 oktober 2011 een bedrag van € 50.000,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’;

  • -

    op 10 oktober 2011 een bedrag van € 12.500,-- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’.

7.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

[stichting] zocht een investeerder. Er werd gevraagd om een kapitaalinjectie. Volgens mij hadden ze het toen over ongeveer € 100.000,-- of € 150.000,--. Die kapitaalinjectie was nodig, omdat het anders zou omvallen.

Het klopt dat wij in augustus 2011 formeel bestuurder van [stichting] zijn geworden. Het klopt dat we meteen vanaf het begin vanuit [stichting] geld overboekten naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Dat deden we zodat we zeker wisten dat we het geld hadden, omdat we natuurlijk wel wisten dat er problemen waren. We lieten het geld niet op de rekening van [stichting] staan, want er werden constant beslagen gelegd. We haalden het voor de zekerheid weg. Het geld kon niet bij [stichting] blijven staan.

Ik heb me ook na januari 2012 gedragen als bestuurder van [stichting] .

8.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Het klopt dat wij in augustus 2011 als bestuurder zijn ingeschreven en dat er een managementwisseling plaatsvond. Ik wist dat er geld van [stichting] werd overgeboekt naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , omdat er beslagen waren.

9.

Een geschrift, zijnde een gespreksverslag van 3 juli 2012 (DOC-205, bladzijde 1013), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Curator: Op welke termijn spreken we of dat ik die administratie en de financiële verantwoording van de opgenomen gelden ontvang? Een maand?

[medeverdachte] / [verdachte] : We zullen dat uiterlijk 1 augustus 2012 aanleveren. [verdachte] : lk zal onze administratieve dame, [naam 4] , direct vragen dat in orde te gaan maken.

10.

Een geschrift, zijnde de aangifte door mr. N. Wilderink van 3 maart 2015 (DOC-062, bladzijde 787), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Direct na faillissementsdatum heb ik de relevante administratie en een aantal stukken

opgevraagd bij de bestuurders. Na diverse verzoeken daartoe, zijn in september 2013 twee

pallets met administratie afgeleverd op het kantoor van de curator. De afgeleverde administratie bestaat uit een groot aantal ordners en losse papieren. De administratie ziet op de jaren 2009 t/m 2011 en bevat cliëntendossiers, (niet verwerkte) werkbriefjes, correspondentie met de verzekeraars en het CAK, crediteurenadministratie, loonstroken en (niet complete) dossiers met aanmaningen en procedures.

De administratie is ongeordend waardoor de rechten en verplichtingen van de Stichting niet

kunnen worden gekend. Het is duidelijk dat in het jaar 2011 nauwelijks een boekhouding is

gevoerd; er is geen jaarrekening opgemaakt en er zijn geen mutaties verwerkt in

grootboekkaarten; althans, deze zijn niet aan de curator verstrekt. Voorts is een groot deel van de door mij opgevraagde stukken nooit aangeleverd zoals arbeidsovereenkomsten,

managementovereenkomsten, huurovereenkomsten, overige contracten en een urenadministratie van de werkzaamheden van de werknemers.

11.

Het proces-verbaal van verhoor getuige mr. N. Wilderink van 11 juni 2015 (G-001-01, bladzijde 590), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Digitale administratie heb ik nooit ontvangen.

12.

Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 29 februari 2016 (V-001-04, bladzijde 524), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Toen ik voor het eerst binnen kwam bij de [stichting] in Huizen, was er geen administratie voor zover die administratie er wel was, was het een puinhoop.

13.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 29 september 2015 (G-006-01, bladzijde 618 en 619), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

We bespraken dat ik de administratie voor [stichting] zou gaan doen, waaronder ook de loonadministratie. De administratie van de stichting werd opgehaald uit Huizen en overgebracht naar het kantoor van [stichting] in Drachten. Op het moment dat ik aan het werk ging was er overigens geen administratieve startpositie.

Mijn indruk over de gevoerde administratie van de ondernemingen [medeverdachte] en [verdachte] was in een cijfer uitgedrukt: nul. Het bijhouden van de administratie had geen prioriteit. Het was een schoenendoosadministratie.

14.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Overijssel van 20 april 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Ik ben begonnen bij een administratiekantoor en heb voor dat kantoor alleen bonnetjes ingeboekt voor [stichting] . Dat administratiekantoor was van meneer [naam 3] . Wij moesten op een zeker moment ophouden met inboeken omdat [medeverdachte] het allemaal te duur vond. Er was heel veel niet ingeboekte administratie van onder andere [stichting] .

15.

Het proces-verbaal van ambtshandeling van 15 september 2015 (AMB-021, bladzijde 407), voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte] op 26 augustus

2015 is onder andere een zogenaamde "time capsule" (externe harde schijf) aangetroffen en inbeslaggenomen. De "time capsule" is nader onderzocht op zijn inhoud en we hebben een map aangetroffen met de naam " [stichting] oud". De map " [stichting] oud" bevat onder meer de volgende onderliggende mappen met desbetreffende digitale gegevens:

- Administratie Algemeen

- Cliënten

- Correspondentie en contacten netwerk

- Excel bestanden

- Financieel 2010, 2011, 2012

- Bankafschriften

- CAK Jaarverslagen

- Crediteuren

- Debiteuren

- Declaraties 2011

- Facturen

- Jaarcijfers [stichting] .

1 Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, pagina 682 en 683 (DOC-001); een brief van de rechtbank Amsterdam aan mr. Wilderink, pagina 792 (DOC-063).

2 Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, pagina 692 (DOC-004).

3 Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, pagina’s 696 tot en met 706 (DOC-005).

4 Hoge Raad 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166 en Hoge Raad 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691 (https://www.navigator.nl/document/id2a22708749aebc5a11237b5180da6630?anchor=id-6e83808596eb304e56cae1fc900224e2).

5 Zie Hoge Raad 11 juni 1993, NJ 1993/713 ( [naam 5] q.q./ [naam 6] ) en Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932 ( [naam 7] q.q./ [naam 8] c.s.).