Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4451

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
08/730184-18 en 21/007190-15 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 49-jarige vrouw en haar 57-jarige mantelzorger zijn veroordeeld voor het belagen van haar ex-man en zoon. De man is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 120 uur. Daarnaast legt de rechtbank een contactverbod op voor 3 jaar met beide slachtoffers. Elke slachtoffer krijgt een schadevergoeding toegekend van 750 euro. De ex-vrouw krijgt dezelfde straf, alleen in plaats van een taakstraf krijgt zij een geldboete van 2000 euro. Door haar situatie kan zij geen taakstraf uitvoeren. Ook moet zij een eerdere voorwaardelijk opgelegde celstraf van 2 weken uitzitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730184-18 en 21/007190-15 (tul) (P)

Datum vonnis: 20 november 2018

Vonnis op tegenspraak (artikel 279 Sv) in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

postadres aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. T. Seker, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 6 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende drie jaar samen met een ander
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft belaagd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2015

tot en met 03 juni 2018 te Enschede en/of Oldenzaal, in ieder geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , met het

oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft/hebben zij toen aldaar (op verschillende tijdstippen in

voornoemde periode),

terwijl aan verdachte(n) te kennen is gegeven dat zij geen contact meer

mocht(en) opnemen,

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] veelvuldig/meermalen (op hinderlijke/

intimiderende/dwingende/beledigende wijze) per telefoon en/of e-mail en/of

SMS/ en/of MMS en/of Whatsapp en/of Instagram en/of Facebook benaderd en/of

- die [slachtoffer 2] , zonder zijn medeweten en/of toestemming,

(hinderlijk/dwingend) als ballenjongen opgegeven bij zijn voetbalvereniging

en/of op andere wijze contact gezocht met die voetbalvereniging en/of

- zich (hinderlijk/dwingend) in/voor/nabij de woning van een vriendin van die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opgehouden en/of aangebeld en/of

- aan de moeder van die [slachtoffer 1] een brief geschreven waarin verdachte(n)

haar/zijn/hun klachten en/of wensen (op

hinderlijke/intimiderende/dwingende/beledigende wijze) ten aanzien van die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geuit en/of ter discussie

gesteld en/of

- bij een collega van die [slachtoffer 2] een briefje achtergelaten, waarin

verdachte(n) (hinderlijk/dwingend/intimiderend) aan die [slachtoffer 2]

vraagt/vragen contact met verdachte [verdachte] op te nemen en/of

- met de eigenaar van de supermarkt, alwaar die [slachtoffer 2] werkzaam is,

contact gezocht met het verzoek te spreken over de situatie met die [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 1] en/of

- een vriendin van [slachtoffer 2] veelvuldig/meermalen via Instagram en/of

Facebook benaderd waarin verdachte(n), (op

hinderlijke/intimiderende/dwingende/beledigende wijze) zijn/haar/hun klachten

en/of wensen ten aanzien van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft/hebben geuit en/of ter discussie gesteld en/of

- een VVD-kamerlid in Den haag benaderd over die [slachtoffer 2] gedurende een

televisie-uitzending en/of (daarbij) een foto van die [slachtoffer 2] overhandigd

en/of

- op de blog van die VVD-kamerlid een bericht achtergelaten over die [slachtoffer 2]

en/of

- zich aldus op hinderlijke en/of dwingende en/of intimiderende en/of

beledigende wijze is blijven opdringen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of andere personen in hun persoonlijke en/of zakelijke levens.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en dat er sprake is van medeplegen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van belaging, omdat geen sprake is van het stelselmatig contact zoeken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding 1

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) hebben tweemaal aangifte gedaan van belaging door [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] ).2

[verdachte] is de ex-partner van [slachtoffer 1] en heeft samen met hem een zoon, te weten:
[slachtoffer 2] .3 [medeverdachte] is de mantelzorger van [verdachte] . [medeverdachte] en [verdachte] hebben in het verleden een relatie gehad.4

4.3.2

De feitelijke gedragingen

De feitelijke gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging zijn door [medeverdachte] , die ter terechtzitting is gehoord als getuige in deze zaak, erkend, met uitzondering van het achterlaten van een bericht op een blog.5 Verder heeft [medeverdachte] ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat aangevers geen contact met hem en [verdachte] wilden hebben. Ook [verdachte] wist dat aangevers geen contact meer met haar wilden hebben, zo blijkt uit haar verklaring bij de politie.6

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij telefonisch en via social media contact heeft gezocht met aangevers, omdat zij haar zoon [slachtoffer 2] wilde vragen waarom hij geen contact met haar wilde hebben. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij contact heeft gezocht met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om te trachten antwoord te krijgen op die vraag.7

Uit het voorgaande volgt dat de feitelijke gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van de gedragingen omschreven bij de laatste twee gedachtestreepjes en het zich ophouden bij de woning van de vriendin van [slachtoffer 2] . De rechtbank spreekt de verdachten van de laatste

twee gedachtestreepjes vrij, omdat niet uit het dossier blijkt van het benaderen van een kamerlid over [slachtoffer 2] gedurende een televisie-uitzending. In het dossier bevindt zich een link naar een blog waarop een filmpje staat waarop te zien is dat [verdachte] een VVD-kamerlid een foto toont van haar zoon, maar dat is geen televisie-uitzending. Uit het dossier blijkt ook niet dat er berichten op een blog zijn geplaatst. De rechtbank spreekt verdachten ook vrij voor het zich ophouden en aanbellen bij de woning van de vriendin van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] heeft dit feit weliswaar bekend, maar de betreffende woning staat in Duitsland en niet in een van de plaatsen die in de tenlastelegging zijn vermeld.

4.3.3

Medeplegen

Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken zijn hiervoor niet vereist nu ook stilzwijgende samenwerking medeplegen kan opleveren.

[medeverdachte] en [verdachte] wisten dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen contact wilden met hen. Desondanks bleven [verdachte] en [medeverdachte] op verschillende manieren contact zoeken. Daarbij hadden [medeverdachte] en [verdachte] hetzelfde doel voor ogen: antwoord krijgen op een vraag/vragen. Uit de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting en het proces-verbaal van verhoor van [verdachte]8 blijkt dat [medeverdachte] dagelijks met de zorg voor [verdachte] belast was en dat [medeverdachte] emotioneel zeer betrokken was bij [verdachte] . Verder blijkt daaruit dat zij onderling veel spraken over het gemis van contact met [slachtoffer 2] en de wens van [verdachte] het contact met [slachtoffer 2] te herstellen. Daaruit blijkt dat zowel de gedragingen van [medeverdachte] en [verdachte] tot doel hadden dat contact te herstellen en dat zij beiden contactherstel heel belangrijk vonden.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] dat bewezen kan worden dat [medeverdachte] en [verdachte] de tenlastegelegde belaging tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Daaraan doet niet af dat zij over en weer niet altijd vooraf op de hoogte waren van de gedragingen van de ander.

4.3.4

Belaging?

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

[medeverdachte] en [verdachte] hebben gedurende een periode van drie jaar herhaaldelijk op verschillende manieren geprobeerd om contact te krijgen met de aangevers, zoals beschreven in de tenlastelegging. Niet alleen hebben [medeverdachte] en [verdachte] aangevers zelf benaderd, maar ook hebben zij derden benaderd om in contact te komen met [slachtoffer 2] . Zo heeft [medeverdachte] op de werkplek van [slachtoffer 2] een collega aangesproken en een briefje achtergelaten en heeft hij de werkgever van [slachtoffer 2] persoonlijk benaderd. Dit alles terwijl aan [medeverdachte] en [verdachte] meermalen gedragsaanwijzingen waren uitgereikt en hen ook op andere manieren duidelijk was gemaakt dat de aangevers geen contact met hen wilden. Door hun obsessieve en indringende handelen als hiervoor beschreven hebben verdachten opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers zoals blijkt uit de aangiftes.9

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van [medeverdachte] en [verdachte] , de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangevers zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

4.3.5

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 03 juni 2018 te Enschede en Oldenzaal,
tezamen en in vereniging met een ander, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden, immers heeft zij toen aldaar (op verschillende tijdstippen in voornoemde periode),

terwijl aan verdachten te kennen is gegeven dat zij geen contact meer mochten opnemen,

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen per telefoon en e-mail en SMS en MMS en Whatsapp en Instagram en Facebook benaderd en

- die [slachtoffer 2] , zonder zijn medeweten en/of toestemming, als ballenjongen opgegeven bij een voetbalvereniging en op andere wijze contact gezocht met die voetbalvereniging en

- aan de moeder van die [slachtoffer 1] een brief geschreven waarin verdachten hun klachten en wensen ten aanzien van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geuit en ter discussie

gesteld en

- bij een collega van die [slachtoffer 2] een briefje achtergelaten, waarin verdachten aan die [slachtoffer 2] vragen contact met verdachte [verdachte] op te nemen en

- met de eigenaar van de supermarkt, alwaar die [slachtoffer 2] werkzaam is, contact gezocht met het verzoek te spreken over de situatie met die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en

- een vriendin van [slachtoffer 2] meermalen via Instagram en Facebook benaderd waarin verdachten, hun klachten en wensen ten aanzien van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geuit en ter discussie gesteld en

- zich aldus op hinderlijke en/of dwingende en/of beledigende wijze is blijven opdringen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en andere personen in hun persoonlijke en zakelijke levens.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 285b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van belaging.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wordt opgelegd, nu verdachte volgens de verklaring van haar raadsman niet in staat blijkt te zijn tot het uitwerken van een taakstraf.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een vrijheids-beperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een straat- en contactverbod voor wat betreft aangevers en de vriendin van [slachtoffer 2] . De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, dient drie weken vervangende hechtenis tenuitvoergelegd te worden met een maximum van zes maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet in staat is om een taakstraf uit te voeren in verband met haar medische toestand. Verder heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, vindt de rechtbank het volgende van belang. [medeverdachte] en [verdachte] hebben zich samen gedurende een periode van drie jaar schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door hen op diverse manieren te benaderen. Ook hebben verdachten via derden geprobeerd om met aangevers in contact te komen en hebben zij derden benaderd over aangevers. Uit de verklaringen van de aangevers volgt dat zij zich angstig en onveilig voelden en dat zij zich in hun vrijheid beperkt voelden door de handelingen van verdachten. De verdachten wisten dat aangevers geen prijs stelden op contact, maar gingen toch door met het benaderen van de aangevers, omdat zij antwoord wilden op vragen. Verdachten hebben daarmee laten zien geen oog te hebben gehad voor de gevoelens en wensen van de aangevers. De rechtbank rekent dit de verdachten zwaar aan.

Verder blijkt uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van

11 oktober 2018 dat zij in 2015 is veroordeeld voor een soortgelijk feit, waarbij ook aangevers in de huidige strafzaak slachtoffers waren. Verdachte lijkt hier niets van te hebben geleerd en blijft hetzelfde gedrag vertonen. Daarnaast weigert verdachte om samen met de reclassering te werken aan een oplossing om recidive te voorkomen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete wordt opgelegd, nu verdachte volgens de verklaring van de raadsman niet in staat is tot het uitvoeren van een taakstraf. De raadsman heeft ter zitting gewezen op een vonnis van het gerechtshof waarin een eerder aan verdachte opgelegde taakstraf op nihil is gesteld, omdat verdachte niet in staat zou zijn deze uit te voeren. Daarnaast acht de rechtbank een forse waarschuwing in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Dit om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit en de volharding waarmee verdachte blijft proberen in contact te komen met aangevers legt de rechtbank, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, een maatregel op voor de duur van drie jaar strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr, te weten een gebieds- en contactverbod betreffende aangevers. De rechtbank beveelt dat verdachte zich dient te onthouden van elk (direct/indirect) contact met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zich niet op zal houden binnen een straal van 100 meter rond de [adres] . De rechtbank ziet geen aanleiding een gebieds- en contactverbod met betrekking tot de vriendin van [slachtoffer 2] op te leggen nu zij geen slachtoffer is van de belaging en het contactverbod ook indirect contact met aangevers (dus ook via bedoelde vriendin) omvat. Voor iedere keer dat verdachte niet aan deze opgelegde maatregel voldoet, zal vervangende hechtenis voor de duur van twee weken ten uitvoer worden gelegd, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. De rechtbank beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De volgende partijen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces:

[slachtoffer 1] verzoekt verdachte wegens immateriële schade te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 2] verzoekt verdachte ook wegens immateriële schade te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank begrijpt de vorderingen van de benadeelde partijen aldus dat zij ieder bedoeld hebben hoofdelijk een totaalbedrag van € 4.500,00 te vorderen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel toegewezen kunnen worden.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de schade van beide benadeelde partijen naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 750,00 per persoon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018. De rechtbank zal de vorderingen tot zover toewijzen en de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken wordt ten uitvoer gelegd.

De raadsman heeft om afwijzing van de vordering verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 38w Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van belaging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,00;

  • -

    beveelt voor het geval dat de verdachte de geldboete niet betaalt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de betaling van de geldboete in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat een in verzekering doorgebrachte dag wordt gewaardeerd op € 50,--.;

maatregel

- legt op de navolgende vrijheids-beperkende maatregel aan verdachte:

* beveelt dat verdachte zich dient te onthouden van elk (direct/indirect) contact met
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

* beveelt dat verdachte zich niet zal bevinden in het volgende gebied: binnen een straal van 100 meter rond de [adres] ;

- bepaalt dat deze maatregel geldt voor de duur van drie jaren;

- bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis voor de duur van twee weken ten uitvoer wordt gelegd, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes (6) maanden bedraagt;

- beveelt dat deze maatregel op grond van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2016 met parketnummer 21/007190-15 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.I. van Meel, voorzitter, mr. G.J. Stoové en
mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van Z. Ülger-Demir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2018249307. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , met bijlagen, van 9 februari 2017 en 22 mei 2017, pagina’s 35 tot en met 89 en pagina’s 152 tot en met pagina 192.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, van 8 november 2017, pagina 27.

4 Het proces-verbaal van de zitting van 6 november 2018, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [medeverdachte] .

5 Het proces-verbaal van de zitting van 6 november 2018, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [medeverdachte] .

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, van 8 november 2017, pagina 28.

7 Het proces-verbaal van de zitting van 6 november 2018, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [medeverdachte] .

8 Het proces-verbaal van de zitting van 6 november 2018, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [medeverdachte] , het proces-verbaal van verhoor verdachte, van 8 november 2017, pagina’s 26 tot en met 30.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , met bijlagen, van 9 februari 2017 en 22 mei 2017, pagina’s 35 tot en met 89 en pagina’s 152 tot en met pagina 192.