Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4286

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
C/08/209454 / HA RK 17-182
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2018:4287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wilg, ruilplan, tussenbeschikking, de uitvoeringscommissie krijgt de gelegenheid een voorstel tot wijziging van ruilplan in te dienen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/209454 / HA RK 17-182

Beschikking van 26 april 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

verschenen in persoon,

tegen

UITVOERINGSCOMMISSIE STAPHORST,

zetelende te Zwolle,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Ribbers.

Verzoeker zal hierna worden aangeduid als [verzoeker] en verweerster als de uitvoeringscommissie.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tegen het ontwerp-ruilplan voor het herverkavelingsblok [blok S] door [verzoeker] ingediende zienswijze van 30 oktober 2014

- het bij besluit van 20 april 2017 vastgestelde ruilplan

- het verzoekschrift van 27 oktober 2017

- het verweerschrift van de uitvoeringscommissie (met als bijlage de stukken als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg))

- de brief met bijlage van de uitvoeringscommissie van 14 maart 2018

- de mondelinge behandeling op 16 maart 2018.

1.1.

Bij de mondelinge behandeling is [verzoeker] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zoon [X] . De uitvoeringscommissie is vertegenwoordigd door mr. C.M.J. Ribbers, werkzaam bij de provincie Overijssel.

2 De feiten

2.1.

Van 22 september 2014 tot en met 2 november 2014 heeft het ontwerp-ruilplan ter inzage gelegen.

2.2.

[verzoeker] heeft overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 30 oktober 2014 zijn zienswijze tegen het ontwerp-ruilplan ingediend. Voor zover van belang is het volgende aangevoerd:

  1. Op de ingebrachte percelen staat een mestbassin, dat [verzoeker] in 2013 heeft laten renoveren, terwijl dat niet het geval is op de toegedeelde percelen.

  2. De toegedeelde percelen aan [adres 1] liggen aan een onverharde weg, terwijl de inbreng aan een verharde weg ligt.

2.3.

[verzoeker] is op 26 mei 2015, 7 april 2016 en 1 november 2016 over zijn zienswijze gehoord, waarna de uitvoeringscommissie de zienswijze met betrekking tot het eerste punt gegrond heeft verklaard en het ruilplan heeft aangepast in die zin dat [verzoeker] een gedeelte van het door hem ingebrachte perceel aan [adres 2] met daarop het mestbassin weer toegedeeld heeft gekregen. Het tweede punt is door de uitvoeringscommissie niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit aspect aan de orde dient te komen in de procedure inzake de lijst der geldelijke regelingen.

2.4.

Het ruilplan heeft van 14 september 2017 tot en met 26 oktober 2017 ter inzage gelegen.

3 Het geding in beroep

3.1.

Tegen het besluit tot vaststelling van het ruilplan heeft [verzoeker] bij verzoekschrift van 27 oktober 2017 beroep ingesteld op grond van artikel 69 Wilg. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.2.

De uitvoeringscommissie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel ongegrondverklaring van het beroep, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om alvorens te beslissen de notulen van de openbare hoorzittingen op te vragen, omdat de overgelegde verslagen volgens hem niet volledig zouden zijn. De rechtbank ziet daartoe evenwel geen aanleiding, nu de uitvoeringscommissie heeft gesteld dat van de hoorzittingen geen andere verslagen zijn gemaakt dan reeds overgelegd.

4.2.

[verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoekschrift toegelicht en gesteld dat hij zijn bezwaren tegen het ontwerp-ruilplan en het definitieve ruilplan als een “tweetrapsraket” naar voren heeft willen brengen. In de eerste plaats wenst hij een andere toedeling, omdat het ruilplan voor hem een verslechtering betekent. Voor het geval de toedeling ongewijzigd blijft, wenst [verzoeker] verharding van de toegangsweg naar de veldkavels aan [adres 1] , zodat hij daar een mestbassin kan realiseren.

4.3.

Gelet op deze toelichting van [verzoeker] , die ondersteund wordt door de verslagen van de gehouden hoorzittingen, waarin - onder meer - staat dat [verzoeker] liever blijft waar hij nu is, dat hij diep teleurgesteld is over het ruilplan en dat een mestbassin op afstand zeer onpraktisch is en voor een actieve bedrijfsvoering niet is doen, begrijpt de rechtbank het verzoekschrift van [verzoeker] aldus dat het ook is gericht tegen de gehele toedeling en niet enkel ziet op het verharden van de toegangsweg naar de veldkavels aan [adres 1] .

4.4.

De uitvoeringscommissie stelt dat de toedeling heeft plaatsgevonden overeenkomstig het voorstel van [verzoeker] in zijn zienswijze. Deze toedeling voldoet volgens haar aan de wet en de uitgangspunten voor de herverkaveling, omdat het definitieve ruilplan voor [verzoeker] veldkavelconcentratie en afstandsverkorting laat zien.

4.5.

De rechtbank overweegt dat voor zover de uitvoeringscommissie meent dat [verzoeker] niet meer kan opkomen tegen de toedeling, omdat deze heeft plaatsgevonden overeenkomstig zijn voorstel in de zienswijze, zij niet in dit standpunt kan worden gevolgd. [verzoeker] heeft weliswaar in zijn zienswijze - onder andere - voorgesteld om hem het mestbassin aan [adres 2] terug te geven, maar tijdens de daarna gehouden hoorzittingen heeft hij duidelijk kenbaar gemaakt dat een mestbassin op afstand voor hem zeer onwenselijk is.

4.6.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van veldkavelconcentratie, nu zowel in inbrengsituatie als in het definitieve ruilplan de veldkavels van [verzoeker] verspreid liggen over dezelfde drie locaties. Daarbij merkt de rechtbank op dat de overgelegde toedelingskaart en gecombineerde kaart een onjuist beeld geven van de toedeling, aangezien daarop de aan [verzoeker] toegedeelde veldkavel met het mestbassin aan [adres 2] (van 15 are) ontbreekt. Dat een deel van de veldkavels in het ruilplan dichter bij de huis/bedrijfskavel van [verzoeker] is komen te liggen, betekent evenmin een afstandsverkorting voor [verzoeker] . Vanwege de ligging van het mestbassin moet [verzoeker] feitelijk net zo vaak naar [adres 2] rijden als in de inbrengsituatie. Een mestbassin kan bovendien naar onbestreden stelling van [verzoeker] niet worden gerealiseerd op de veldkavels aan [adres 1] , omdat deze kavels aan een onverharde weg liggen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met deze toedeling voor [verzoeker] geen sprake is van een verbetering ten opzichte van zijn inbreng, maar veeleer van een verslechtering, doordat alle veldkavels op een afstand van ongeveer 4 kilometer van het mestbassin zijn gelegen. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de uitvoeringscommissie blijkens het verslag van de hoorzitting van 7 april 2016 zelf ook van oordeel is dat de toedeling aan [verzoeker] onlogisch is.

4.7.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat het ruilplan niet ongewijzigd in stand kan blijven. Nu de uitvoeringscommissie ter zitting heeft verklaard dat [verzoeker] zijn inbreng aan [adres 2] niet kan terugkrijgen, omdat deze veldkavels aan een derde zijn toegedeeld, ziet de rechtbank aanleiding het beroep aan te houden teneinde de uitvoeringscommissie in de gelegenheid te stellen een voorstel tot wijziging van het ruilplan te doen dat wel voldoet aan de uitgangspunten voor de herverkaveling. Vervolgens zal [verzoeker] in de gelegenheid worden gesteld op het voorstel van de uitvoeringscommissie te reageren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt de uitvoeringscommissie in de gelegenheid binnen vier weken na datum van deze beschikking een voorstel in te dienen, zoals in rechtsoverweging 4.7 bedoeld,

5.2.

bepaalt dat de griffier na ontvangst van het voorstel van de uitvoeringscommissie [verzoeker] in de gelegenheid stelt om binnen twee weken op dat voorstel te reageren,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Bottenberg - van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.