Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:421

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
08/960086-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 76-jarige man tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar voor het witwassen van meer dan 8,8 miljoen euro. De man verpakte grote geldbedragen in kiprollades die per container naar Aruba werden vervoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/960086-15 (P)

Datum vonnis: 13 februari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

12 december 2017, 13 december 2017, 14 december 2017, 18 januari 2018 en 1 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.W. van Damme en van hetgeen door verdachte en de raadslieden mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, mr. A.M.E. Nuyens en mr. N. van den Boom naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij, in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 23 juni 2015, te Roermond, althans in Nederland en/of Aruba en/of België en/of Kroatië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, van voorwerp(en), te weten:

- in of omstreeks de periode van 28 november 2008 tot en met 02 mei 2011 een geldbedrag ad. 975.000 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- in of omstreeks de periode van 28 oktober 2009 tot en met 23 juni 2015 een villa (genaamd [villa] ), gelegen aan de [adres 1] (Kroatië) en/of [adres 2] (Kroatië), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2014 een geldbedrag ad. 103.360 euro, althans een (groot) geldbedrag. en/of

- op of omstreeks 31 december 2013 een geldbedrag ad. 566.292 euro, in ieder geval 309.000 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- in of omstreeks de periode van 11 maart 2014 tot en met 31 december 2014 een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 4.500.000 euro, althans een (groot) (contant) geldbedrag, en/of

- op of omstreeks 3 september 2014 en/of 4 september 2014 en/of 3 december

2014 een bedrag ad. 91.538 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- op of omstreeks 3 november 2014 een geldbedrag ad. 250.000 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- op of omstreeks 2 maart 2015 een geldbedrag ad. 510.000 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- op of omstreeks 2 juni 2015 een geldbedrag ad. 17.000 euro, althans een (groot) geldbedrag, en/of

- in of omstreeks de periode van 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 een (contant) geldbedrag ad. 2.833.340 euro, althans een (groot) (contant) geldbedrag, en/of

- op of omstreeks 23 juni 2015 een (contant) geldbedrag ad. 659.580 euro, althans een (groot) (contant) geldbedrag, althans van enig(e) voorwerp(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft de aandachtstreepjes 1, 3, 4 en 6 nietig moet worden verklaard omdat niet duidelijk is waar de in de tenlastelegging genoemde bedragen op zien en ook niet duidelijk is welke witwasvariant verdachte precies wordt verweten. Daarmee is de tenlastelegging op deze punten zo ruim en weinig concreet geformuleerd dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv).

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen voldoende duidelijk, zeker als deze wordt gelezen in samenhang met het dossier. Uit het dossier volgt op welke geldbedragen de tenlastelegging betrekking heeft. Verdachte is hiermee tijdens zijn verhoren geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Ook ter terechtzitting zijn de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen wederom aan verdachte voorgehouden en hebben verdachte en zijn raadslieden daarop gereageerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft kunnen verweren tegen de tegen hem geuite beschuldigingen, en dat hij tevens heeft begrepen waarop gedoeld werd.

De rechtbank overweegt voorts dat in de tenlastelegging zowel schuldwitwassen (artikel 420quater Sr), witwassen (artikel 420bis Sr) en gewoontewitwassen (artikel 420ter Sr) van (contante) geldbedragen ten laste is gelegd. Daarmee heeft de officier van justitie de rechtbank een keuze geboden wat geenszins in strijd is met het bepaalde in artikel 261 Sv. Immers, indien de rechtbank het voor een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen vereiste opzet niet aanwezig acht, blijft na uitstreping van dat opzet schuldwitwassen ter beoordeling over. Dit onderdeel van de dagvaarding behelst tegen het licht van de inhoud van het dossier tevens een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van wat aan verdachte wordt verweten.

De dagvaarding voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 Sv. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding met betrekking tot het onderdeel ‘althans van enig(e) voorwerp(en)’, genoemd na het laatste aandachtstreepje in de tenlastelegging, partieel nietig dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat ‘enig(e) voorwerp(en)’ een (te) ruim en veelomvattend begrip is, zeker gelet op het omvangrijke dossier. In de tenlastelegging staat niet vermeld welke voorwerpen hiermee worden bedoeld. Gelet op deze onduidelijkheid in de tekst van de tenlastelegging zal de rechtbank de dagvaarding voor wat betreft het deel dat ziet op ‘althans van enig(e) voorwerp(en)’ partieel nietig verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het overige geldig is.

Bevoegdheid

De rechtbank heeft vastgesteld zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Ontvankelijkheid officier van justitie

A. Gebruik geheimhouderstukken

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat gebruik is gemaakt van geheimhouderstukken doordat tijdens een verhoor met getuige [getuige 1] op 13 oktober 2015 een gespreksverslag, van een overleg dat op 18 augustus 2014 plaatsvond tussen [getuige 2] , [getuige 1] , verdachte en mr. [advocaat] , aan deze getuige is getoond. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De officier van justitie moet dus in de vervolging integraal niet-ontvankelijk worden verklaard, althans in de vervolging ten aanzien van het vierde gedachtestreepje.

De officier van justitie heeft bestreden dat de aan getuige [getuige 1] getoonde stukken afkomstig zijn uit het beslag van mr. [advocaat] en heeft geconcludeerd tot ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Alvorens het verweer van de verdediging te beoordelen stelt de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.

Op 1 juli 2015 werd op bevel van de officier van justitie van de maatschap [bedrijf 3] Accountants uitlevering gevorderd van alle gegevens vanaf 1 januari 2013 tot heden betrekking hebbende op verdachte dan wel de aan hem te liëren vennootschappen, waaronder in ieder geval [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. In het controledossier van de jaarrekening 2013 werd het verslag aangetroffen van het overleg op 18 augustus 2014 tussen [getuige 2] , [getuige 1] als belastingadviseur van [bedrijf 4] B.V., verdachte en

mr. [advocaat] . Dit werd opgetekend in een op 17 september 2015 opgemaakt proces-verbaal.

Op 11 september 2015 vond op vordering van de officier van justitie in het bijzijn van de rechter-commissaris, de deken van de orde van advocaten en enkele verbalisanten een doorzoeking plaats in het kantoor van mr. [advocaat] , advocaat en belastingadviseur van verdachte. Aldaar werden diverse fysieke documenten en digitale bestanden in beslag genomen die betrekking hadden op verdachte en aan hem gelieerde ondernemingen.

De fysieke documenten werden ter plaatse door twee financieel rechercheurs bekeken onder toezicht van de rechter-commissaris. Per document werd bepaald of het stuk al dan niet onder het verschoningsrecht viel en of het van belang kon zijn voor de waarheidsvinding, waarna de rechter-commissaris een beslissing nam over de inbeslagname. Ten aanzien van digitale bestanden, besloot de rechter-commissaris dat een geheimhouder-medewerker van de politie, die niet verbonden was aan het team dat met het onderhavige onderzoek was belast, onder zijn verantwoordelijkheid deze selectie moest maken.

De rechter-commissaris heeft mr. [advocaat] ten slotte medegedeeld dat de inbeslaggenomen documenten en gegevens, in afwachting van de beslissing van de raadkamer op het in te dienen bezwaarschrift, niet ter beschikking zouden komen van de politie en het Openbaar Ministerie, maar dat deze zolang op zijn kabinet in een kluis zouden worden bewaard.

Op 5 oktober 2015 kreeg [verbalisant] , de geheimhouder-medewerker van de politie, de betreffende digitale bestanden op de USB stick uit handen van de rechter-commissaris. De gegevens op deze USB stick werden gekopieerd naar het bureaublad van een laptop die geen andere gegevens bevatte. De originele USB stick werd weer in de kluis gedaan bij de rechter-commissaris. De laptop bleef voortdurend in het bezit van [verbalisant] en werd nergens anders voor gebruikt. De gekopieerde bestanden werden door hem, in overleg met de rechter-commissaris, beoordeeld en de documenten die door hem werden beoordeeld als geheimhouderstukken werden door hem verwijderd. Nadat [verbalisant] alle documenten op 28 oktober 2015 had beoordeeld, werd de laptop door een digitaal rechercheur geschoond. De verwijderde items werden daarbij definitief verwijderd en de overige bruikbare gegevens werden via de rechter-commissaris aan het onderzoeksteam beschikbaar gesteld. Contact met het onderzoeksteam heeft [verbalisant] niet gehad.

Op 13 oktober 2015 werd [getuige 1] door de politie gehoord. Op de eerste pagina van dit verhoor staat onder meer het volgende vermeld: ‘Aan de getuige / verdachte zijn voor het verhoor een tweetal documenten getoond van een gespreksverslag van 18 augustus 2014 met betrekking tot [bedrijf 5] . (…) De getoonde documenten zijn als bijlage bij dit verhoor gevoegd.’.

De rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het aan getuige [getuige 1] getoonde gespreksverslag afkomstig is uit het beslag bij mr. [advocaat] . De verdediging heeft in algemene bewoordingen gesteld dat het mogelijk c.q. niet uit te sluiten is dat politie/justitie dit geheimhouderstuk heeft gebruikt. Het dossier biedt hiervoor echter geen enkel concreet aanknopingspunt. Bovendien heeft [verbalisant] , die als geheimhouder-medewerker van de politie de beschikking heeft gehad over de geheimhouderstukken, verklaard dat hij geen contact heeft gehad met het onderzoeksteam, dat hij geen stukken aan hen heeft verstrekt en dat hij de door hem beoordeelde documenten alleen in handen van de rechter-commissaris heeft gesteld. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Daar komt bij dat op 13 oktober 2015, de datum van het verhoor van de getuige [getuige 1] , het betreffende gespreksverslag ook al was uitgeleverd door de [bedrijf 3] . Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van enige grond om het er niet voor te houden dat het aan de getuige [getuige 1] getoonde gesprekverslag afkomstig is van de [bedrijf 3] .

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat voor de beoordeling van een beroep op het verschoningsrecht door een geheimhouder niet doorslaggevend is of de stukken worden aangetroffen op het kantoor van de geheimhouder zelf of bij een derde. Naar het oordeel van de rechtbank komt de vraag of stukken en gegevens object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, toe aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid. Nu niet gebleken is dat er voorafgaand aan het verhoor van getuige [getuige 1] door mr. [advocaat] een beroep is gedaan op het afgeleid verschoningsrecht, kan het betreffende gespreksverslag om die reden niet worden aangemerkt als een geheimhouderstuk. Ook verdachte, die op 8 oktober 2015 een verklaring heeft afgelegd over het gespreksverslag, heeft niet aangegeven dat het stuk onder enig verschoningsrecht viel. Uit het gespreksverslag zelf valt evenmin op te maken dat het stuk een geheimhouderstuk betreft. In het verslag staat ook niet vermeld dat mr. [advocaat] in zijn hoedanigheid van advocaat deel heeft genomen aan het gesprek.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat het tijdens het verhoor van [getuige 1] tonen van het gespreksverslag van 18 augustus 2014 geen strijd oplevert met enig verschoningsrecht en dat er dus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en/of een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde. Het verweer wordt verworpen.

B. Vervolgingsuitsluitingsgrond

De verdediging heeft ten aanzien van gedachtestreepje 1 aangevoerd dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) van toepassing is nu de betreffende gedraging zowel onder artikel 225 lid 2 Sr als onder artikel 69 lid 1 of 2 AWR valt.

Uit de tenlastelegging volgt dat de officier van justitie verdachte niet vervolgt ter zake van overtreding van artikel 225 lid 2 Sr of artikel 69 lid 1 AWR maar ter zake van witwassen. De rechtbank is van oordeel dat het verweer derhalve feitelijk onjuist is en daarom geen nadere bespreking behoeft.

C. Ne bis in idem

Ten slotte heeft de verdediging een beroep gedaan op schending van het ne bis in idem-beginsel nu verdachte en zijn ondernemingen voor de onderhavige feiten tevens een fiscaal compromis hebben gesloten. Voor zover de verdediging daarmee heeft willen betogen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, geldt het volgende.

De omstandigheid dat verdachte en door hem geleide bedrijven ter zake van de inkomsten- en vennootschapsbelasting met de inspecteur van de belastingdienst vaststellingsovereenkomsten hebben gesloten, staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg. Deze overeenkomsten hebben slechts betrekking op de hoogte van de belastingschuld voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting en zeggen op zichzelf niets over het al dan niet witwassen van gelden, zoals aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

D. Conclusie

De rechtbank komt tot de slotsom dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Schorsing van de vervolging

Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 13 april 2015 werd het onderzoek 26Fluor gestart. De aanleiding tot dit onderzoek kwam voort uit een op Aruba door het Recherche Samenwerkingsteam ingesteld onderzoek Tunis: een onderzoek dat zich richtte op de op Aruba verblijvende verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die werden verdacht van witwassen. Uit dit onderzoek bleek dat verdachte contact had met [medeverdachte 1] en dat zij versluierend spraken over het in ontvangst nemen en verplaatsen van grote hoeveelheden contant geld. Men sprak hierbij tevens over ‘de koffiedrinker’. Uit onderzoek bleek ‘de koffiedrinker’ medeverdachte [medeverdachte 3] te zijn. Medeverdachte [medeverdachte 3] had ook contact met medeverdachte [medeverdachte 4] , de toenmalige partner en een werkneemster van verdachte.

Vervolgens werd op 25 juni 2015 op Aruba een zeecontainer in beslag genomen die was verzonden door het bedrijf [bedrijf 1] B.V., een onderneming waarvan verdachte enig aandeelhouder was. In deze container werden, in verschillende dozen met kipproducten, pakketten aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van € 2.833.340,-.

Verdachte werd op Aruba aangehouden en verklaarde onder meer dat hij betrokken was geweest bij het geldtransport van € 2.833.340,- dat was onderschept op Aruba en dat hij betrokken was geweest bij een eerder geldtransport van een bedrag van ongeveer

€ 4.000.000,- dat had plaatsgevonden in de periode van september tot en met december 2014. Het geld was afkomstig van ‘de koffiedrinker’ en werd op zijn verzoek door verdachte in ontvangst genomen. Verdachte verstopte het geld vervolgens in de kipproducten die in de container werden geladen.

Voorts bleek uit navraag bij de Financial Intelligence Unit (FIU) dat verdachte op 3 november 2014 een bedrag van € 250.000,- en op 2 maart 2015 een bedrag van € 510.000,- contant had gestort op een nieuw geopende rekening in Kroatië. [medeverdachte 4] was aanwezig geweest bij het openen van deze bankrekening en was tevens gemachtigde van de rekening.

Ten slotte vonden diverse doorzoekingen plaats waarbij onder meer grote contante geldbedragen werden aangetroffen en diverse administratieve/financiële bescheiden van verdachte en zijn ondernemingen in beslag werden genomen en onderzocht.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank zal de in de tenlastelegging vermelde gedachtestreepjes afzonderlijk, en waar nodig in combinatie met elkaar, bespreken. Bij de beoordeling van de feiten neemt de rechtbank de volgende uitgangspunten in acht.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid, concreet, misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Gedachtestreepjes 2, 6 en 11

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gedachtestreepjes 2, 6 en 11 nu wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten ontbreekt.

Gedachtestreepje 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op het witwassen van een bedrag van € 975.000,-: een bedrag dat door [bedrijf 6] International S.A. als lening is verstrekt aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading Company N.V.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat het onomstotelijke bewijs dat verdachte de uiteindelijk gerechtigde is van [bedrijf 6] International S.A., ontbreekt.

Voorts zijn de door [bedrijf 6] International S.A. verstrekte leningen volledig in de administratie, de jaarrekeningen en de belastingaangiften van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading Company N.V. verwerkt, zodat geen sprake is van verbergen of verhullen van een voorwerp dat - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig is.

Indien het gronddelict belastingfraude is, dan is alleen de niet aangegeven en niet betaalde vennootschapsbelasting van circa € 185.000,- van misdrijf afkomstig. Van (voorwaardelijk) opzet op het te weinig afdragen van belasting door verdachte is voorts geen sprake.

Indien het gronddelict valsheid in geschrift is, dan geldt dat het bewijs dat verdachte voor een totaalbedrag van € 975.000,- aan valsheid in geschrift heeft gepleegd, ontbreekt.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het eerste gedachtestreepje.

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 1] B.V. werden onder meer facturen aangetroffen van [bedrijf 6] International S.A. De facturen met een totaalbedrag van € 972.579,- dateerden van 2008 tot en met 2010 en waren gericht aan twee bedrijven gevestigd in Bulgarije: [bedrijf 9] LTD.

In de administratie van [bedrijf 1] B.V. bevond zich voorts een document getiteld ‘Bulgarije1 ( [bedrijf 9] is nu [bedrijf 10] geworden)’ waarin onder meer het volgende stond vermeld:

‘Na verlading bij [bedrijf 1] CMR opmaken naar ontvanger ( [bedrijf 9] of [bedrijf 10] Sofia) en met chauffeur meegeven. Factuur maken.

1fkt. Per maand wordt opgemaakt op [bedrijf 6] .

Rest wordt opgemaakt op [bedrijf 1] ’ (…)

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit document dat [bedrijf 1] B.V. vleesproducten leverde aan onder andere [bedrijf 9] in Bulgarije en dat per maand een factuur werd opgemaakt op naam van [bedrijf 6] International S.A. en de rest van de facturen werd opgemaakt op naam van [bedrijf 1] B.V.

De betalingen voor de geleverde vleesproducten, welke voor [bedrijf 1] B.V. waren bestemd, kwamen op deze manier ten onrechte bij [bedrijf 6] International S.A. terecht. Door deze wijze van factureren werd voorgewend dat [bedrijf 6] International S.A. vlees leverde aan de bedrijven in Bulgarije terwijl uit onderzoek in de administratie van [bedrijf 1] B.V. blijkt dat de feitelijke leveringen van het vlees werden gedaan door [bedrijf 1] B.V. Dit maakt dat de facturen van [bedrijf 6] International S.A. gericht aan [bedrijf 9] , met een totaalbedrag van

€ 917.688,-, vals zijn.

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 1] B.V. werden tevens vier facturen van [bedrijf 6] International S.A. gericht aan [bedrijf 9] LTD met een totaalbedrag van € 54.891,- aangetroffen. Van deze zelfde leveringen waren eveneens facturen op naam van [bedrijf 1] B.V. opgemaakt. Hierbij was het bedrag op de factuur van [bedrijf 1] B.V. aanzienlijk lager dan het bedrag op de factuur van [bedrijf 6] International S.A. Nu uit de administratie van [bedrijf 1] B.V. blijkt dat deze leveringen van vlees feitelijk werden gedaan door [bedrijf 1] B.V. en niet door [bedrijf 6] International S.A., zijn de facturen afkomstig van [bedrijf 6] International S.A. daarmee ook als vals te bestempelen.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de inkomende geldstromen van [bedrijf 6] International S.A. van in totaal € 972.579,- afkomstig zijn uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrift.

Voorts is gebleken dat [bedrijf 6] International S.A. in de periode 2008 tot en met 2011 in totaal een bedrag van € 975.000,- aan leningen heeft verstrekt, waarvan een bedrag van € 475.000,- aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en een bedrag van € 500.000,- aan [bedrijf 8] Trading N.V., bedrijven waarvan verdachte bestuurder is. Daarmee zijn de uit misdrijf afkomstige gelden van [bedrijf 6] International S.A. aangewend voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading N.V. en is er sprake van witwassen door het voorhanden hebben en omzetten van van misdrijf afkomstig geld.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is de vraag of verdachte als pleger van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden aangemerkt.

Uit het dossier volgt dat [bedrijf 6] International S.A. bij de UBS bank AG in Zwitserland staat geregistreerd als zetelend te Panama. In het klantdossier is een formulier ‘Feststellung des wirtschaftlich Berechtigten’ aangetroffen waarin verdachte als Ultimate Beneficial Owner van [bedrijf 6] International S.A. wordt aangeduid. In het formulier ‘Profil für Kunden von Finanzintermediären-Sitzgesellschaften’ staat verdachte eveneens als uiteindelijke gerechtigde vermeld maar ook als oprichter van [bedrijf 6] International S.A.. Het voorgaande wordt bevestigd door de verklaring [naam 1] , een financiële tussenpersoon in Zwitserland, die heeft verklaard dat verdachte de Ultimate Beneficial Owner is van [bedrijf 6] International S.A. Hoewel verdachte bij de politie zijn betrokkenheid bij [bedrijf 6] International S.A. heeft ontkend, is deze (blote) ontkenning in het licht van voormelde formulieren niet aannemelijk.. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte degene is die uiteindelijke gerechtigde is en de feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 6] International S.A.

Naast de Ultimate Beneficial Owner van [bedrijf 6] International S.A. was verdachte blijkens het handelsregister ook bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading N.V.

Dat verdachte feitelijk zeggenschap had binnen deze ondernemingen wordt bevestigd door de verklaring van [naam 2] , dat hij in opdracht van verdachte de facturen van [bedrijf 6] International S.A. moest opmaken, en volgt tevens uit faxberichten van verdachte aan [naam 1] dat de bedragen die als leningen aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading N.V. werden verstrekt in opdracht van verdachte werden overgeboekt.

Uit het voorgaande volgt dat de verwevenheid tussen verdachte en zijn ondernemingen dusdanig is dat de handelingen, die op naam van [bedrijf 6] International S.A., [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading N.V hebben plaatsgevonden, toe te rekenen zijn aan verdachte en dat hij dus als pleger van het witwassen van een bedrag van € 975.000,- kan worden aangemerkt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich in de periode van 28 november 2008 tot en met 2 mei 2011 schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van € 975.000,-.

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 3

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op 46 contante bedragen van in totaal € 103.360,-, die in de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2014 op de Belgische privé bankrekeningen door de dochter van verdachte, dan wel middels haar bankpas, zijn gestort.

De verdediging heeft aangevoerd dat de contante stortingen spaargeld betroffen. Zijn dochter bracht deze bedragen, met een gemiddelde van € 2.247,-, zo nu en dan naar de bank indien er bancaire betalingen moesten worden verricht.

De rechtbank stelt voorop dat niet concreet blijkt van aanwijzingen dat deze door het Openbaar Ministerie als onverklaarbaar aangeduide contante stortingen, geld betreffen dat uit enig misdrijf afkomstig is.

Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat bij gebreke van direct bewijs voor de ‘criminele herkomst’ van de contante geldbedragen, in aanmerking genomen de hoogte van deze bedragen en gelet op de duidelijke en consistente verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van dit geld, de verklaring van verdachte niet op voorhand als volstrekt onaannemelijk kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Gedachtestreepje 4

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op (de afwaardering van) een vordering van [bedrijf 5] (handelsnaam van de rechtspersoon [bedrijf 4] N.V.) door [bedrijf 1] B.V.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van dit onderdeel van de tenlastelegging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte zijn accountants nadrukkelijk op de hoogte had gesteld dat de betalingen door [bedrijf 5] N.V. zouden worden verricht aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. Dat deze betalingen vervolgens niet juist werden verwerkt in de jaarrekeningen en aangiftes, wist verdachte niet. Abusievelijk werd er geen gecorrigeerde aangifte ingediend bij de belastingdienst en is van belastingfraude geen sprake.

De verdediging komt tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een voorwerp dat uit misdrijf afkomstig is en dat er geen verbergend of verhullend element aanwezig is. Er is juist vooraf transparantie betracht door verdachte.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het witwassen van het bedrag van € 566.729,- en te veroordelen ter zake het witwassen van het bedrag van

€ 309.000,-.

De rechtbank stelt voorop dat zij met de verdediging en de officier van justitie van oordeel is dat niet concreet blijkt van aanwijzingen dat het bedrag van € 566.729,- uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het witwassen van dit bedrag.

Ten aanzien van het witwassen van een bedrag van € 309.000,- overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. blijkt dat in 2013 en 2014 een vordering over de jaren 2010-2012 op [bedrijf 5] is opgenomen van € 566.729,-.

Tevens werd in de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. een op 18 augustus 2014 door verdachte ondertekend gesprekverslag aangetroffen, van een gesprek dat op dezelfde datum had plaatsgevonden tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [getuige 1] en mr. [advocaat] . In dit verslag stond onder meer vermeld dat [bedrijf 5] niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. Naar aanleiding van de ontvangst van dit verslag werd blijkens de verklaring van [naam 3] , één van de accountants van [bedrijf 1] B.V., een voorziening voor oninbaarheid gevormd voor een bedrag van € 566.729,-. De vordering op [bedrijf 5] werd daarmee feitelijk gewaardeerd op nihil. De vorming van deze voorziening werd ten laste gelegd van het (fiscale) resultaat 2013 van [bedrijf 1] B.V. Ook in de aangifte vennootschapsbelasting over 2013 werd de vorming van de voorziening als bedrijfslasten meegenomen.

In de op Aruba in beslag genomen (financiële) administratie van de rechtspersoon [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. werden documenten aangetroffen waarin de financiële verwerking van de schuld van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] B.V. is uitgewerkt. Zo werd onder andere een notitie aangetroffen, die op 28 juli 2013 was ondertekend door verdachte waarin verdachte het volgende richting [naam 4] bevestigt:

“Dat de heer [medeverdachte 1] , directeur van [bedrijf 5] in 2012, gevraagd is de schuld die [bedrijf 5] heeft aan [bedrijf 1] BV te betalen aan [bedrijf 7] om zo mede de bouw van de nieuwe appartementen te financieren. De betalingen zullen worden verwerkt als geldlening van [verdachte] aan [bedrijf 7] en bij [bedrijf 1] BV als betaling van [bedrijf 5] en opname van [verdachte] in rekening courant. De heer [medeverdachte 1] staat bij mij als betrouwbaar bekend en is al jaren een handelsrelatie van [bedrijf 1] ".

Uit de administratie van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. kwam voorts naar voren dat de afwikkeling daar daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat een bedrag van 617.288,- AWG (omgerekend circa € 309.000,-) is ontvangen van [bedrijf 5] . Ook blijkt uit de administratie dat een gedeelte van deze ontvangsten in de administratie van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. als schuld aan verdachte is opgenomen. Blijkens de verklaringen van [naam 5] en verdachte zelf was verdachte op de hoogte van deze betalingen door [bedrijf 5] .

In de administratie van [bedrijf 1] B.V. werden deze betalingen van [bedrijf 5] echter niet opgenomen en dus ook niet in mindering gebracht op de vordering op [bedrijf 5] . [naam 6] en [naam 3] verklaarden dat zij in eerste instantie niet wisten dat er betalingen hadden plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de financiële verwerking van de vordering van [bedrijf 1] B.V. op [bedrijf 5] niet eenduidig is verwerkt in de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. Nu er wel betalingen plaatsvonden door [bedrijf 5] , had het openstaande saldo van de vordering in de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. verlaagd moeten worden met

€ 309.000,-. Dit geldt ook voor de in de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. opgenomen voorziening voor oninbaarheid. Ook werd het in de jaarrekening en de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] B.V. opgenomen resultaat over 2013 minimaal

€ 309.000,- te laag gepresenteerd.

Het op 18 augustus 2014 opgestelde gespreksverslag was naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet conform de waarheid. Verdachte wist op dat moment al dat, conform de door zijn aan [naam 4] gerichte notitie van 28 juli 2013, [bedrijf 5] betalingen had verricht. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (in elk geval) valsheid in geschrift. Tevens werd door verdachte informatie over betalingen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. achtergehouden voor de accountants waardoor deze betalingen van [bedrijf 5] verricht aan [bedrijf 7] Estate & Construction Company N.V. en bedoeld voor [bedrijf 1] B.V. niet werden verwerkt in de administratie van [bedrijf 1] B.V. Derhalve is de administratie van [bedrijf 1] B.V. opzettelijk onjuist. Door onterecht de voorziening dubieuze debiteuren op te nemen in de administratie van [bedrijf 1] B.V. werd ook weer valsheid in geschrifte gepleegd.

Door de betalingen van [bedrijf 5] van in totaal € 309.000,-, die bedoeld waren voor [bedrijf 1] B.V. in de administratie van [bedrijf 7] Real Estate & Construction N.V. op te nemen, werd de werkelijke aard en herkomst van het bedrag van € 309.000,- verhuld en werd dit uit misdrijf afkomstige bedrag witgewassen.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is de vraag of verdachte als pleger van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte namens zijn ondernemingen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. persoonlijk betrokken bij de vordering op [bedrijf 5] . Blijkens de verklaring van [naam 5] was verdachte op de hoogte van de betalingen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. Voorts heeft verdachte deelgenomen aan het op 18 augustus 2014 gevoerde gesprek tussen [medeverdachte 1] , [getuige 1] en mr. [advocaat] waarbij de oninbaarheid van de vordering op [bedrijf 5] werd besproken terwijl hij op dat moment al wist dat er betalingen hadden plaatsgevonden door [bedrijf 5] .

Uit het voorgaande volgt dat de verwevenheid tussen verdachte en zijn ondernemingen dusdanig is dat de handelingen die op naam van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 7] Estate & Construction Company N.V. hebben plaatsgevonden toe te rekenen zijn aan verdachte en dat hij derhalve als (mede)pleger van het witwassen van een bedrag van € 309.000,- kan worden aangemerkt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich op 31 december 2013 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van

€ 309.000,-.

Gedachtestreepjes 5 en 10

De verdediging heeft vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat zij de startinformatie afkomstig uit het onderzoek Tunis niet heeft kunnen toetsen. Dit maakt dat er strijd is met de algemene beginselen van een eerlijk proces en met het bepaalde in artikel 6 EVRM. De telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en verdachte, die hebben geleid tot de huidige verdenking, moeten dus van het bewijs worden uitgesloten, net als de vruchten van deze taps waaronder de verklaringen van verdachte.

De rechtbank overweegt de oorsprong van het onderzoek ‘26Fluor’ in Nederland is gelegen in informatie verkregen uit het Arubaanse onderzoek ‘Tunis’. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel brengt met zich dat Nederland in beginsel vertrouwt op de juistheid van informatie die ander land verstrekt. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat sprake is van een flagrante schending van de fundamentele rechten van de verdachte zoals deze worden gewaarborgd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn, is gesteld noch gebleken. De Nederlandse autoriteiten mochten afgaan op de startinformatie van de Arubaanse opsporingsautoriteiten en op grond daarvan mocht een opsporingsonderzoek in Nederland worden ingesteld. De bedoelde onderliggende stukken behoefden daarom niet aan de verdediging te worden verstrekt. Het verweer wordt verworpen.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 3] in de maand september 2014 vijf keer in opdracht van [naam 7] een grote hoeveelheid contant geld, verpakt in (supermarkt)tassen, per auto van Amsterdam naar Roermond heeft vervoerd. Nadat medeverdachte [medeverdachte 3] telefonisch contact had gehad met medeverdachte [medeverdachte 4] , droeg hij de tassen met geld aan haar over bij de outlet in Roermond. Medeverdachte [medeverdachte 4] , die het geld in opdracht van verdachte moest ophalen, gaf het geld aan verdachte. Vervolgens verstopte verdachte dit geld in de kipproducten die per container naar Aruba werden vervoerd. Verdachte heeft bekend dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij het geldtransport van € 2.833.340,- dat had plaatsgevonden in de periode 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 en dat hij betrokken was geweest bij een eerder geldtransport van een bedrag van ongeveer € 4.000.000,- dat had plaatsgevonden in de periode van 11 maart 2014 tot en met 31december 2014.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is nu verdachte contant geld heeft aangenomen en vervoerd onder omstandigheden die als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Verdachte heeft grote geldbedragen verpakt in kiprollades. Deze wijze van vervoer van grote geldbedragen is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. Daarnaast is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld.

Verdachte heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de contante geldbedragen een legale herkomst zou hebben. Dat betekent dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 11 maart 2014 tot en met 31 december 2014 schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van ongeveer € 4.000.000,- en in de periode 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 van een bedrag van € 2.833.340,-.

Gedachtestreepjes 7, 8 en 9

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de gedachtestreepjes 7 tot en met 9 zien op contante geldstortingen op Kroatische bankrekeningen op naam van verdachte.

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van een bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Gebleken is dat verdachte op 3 november 2014 in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte 4] , die als tolk fungeerde, een tweetal bankrekeningen heeft geopend bij de Kroatische bank HPB te Makarska. Het betrof een depositorekening met nummer [rekeningnummer 1] en een betaalrekening met nummer [rekeningnummer 2] , waarvoor medeverdachte [medeverdachte 4] werd gemachtigd. Tijdens het bezoek aan de bank had verdachte een tas bij zich met daarin contant geld dat vacuüm was verpakt in plastic zakjes. In totaal betrof het een bedrag van

€ 250.000,-, voornamelijk bestaande uit bankbiljetten van € 100,-. Dit bedrag werd vastgezet op een termijndeposito voor een periode van 1 jaar en een bedrag van € 50.000,- werd gestort op de betaalrekening.

Op 24 november 2014 bezochten verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] wederom de Kroatische bank HPB in Makarska. Ditmaal opende verdachte een bankrekening in Kroatische valuta.

Op 2 maart 2015 stortte verdachte, in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte 4] , een bedrag van in totaal € 510.000,-. Het bedrag bestond uit 29 biljetten van 500 euro, 5 van 200 euro, 363 van 100 euro, 5.357 van 50 euro, 9.125 van 20 euro, 779 van 10 euro en 12 van 5 euro. Het geld was ook ditmaal vacuüm verpakt in plastic zakjes.

Tevens vond op 2 juni 2015 een storting plaats van een bedrag van € 17.000,- Dezelfde dag machtigde verdachte [medeverdachte 5] , de moeder van medeverdachte [medeverdachte 4] , voor de vreemde valutarekening.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is nu verdachte ook dit contante geld heeft vervoerd en gestort onder omstandigheden die, zoals hiervoor al is overwogen als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken.

Verdachte heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt waaruit met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de gestorte geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. Het enkel ter terechtzitting verklaren dat het geld spaargeld betrof, kan als zodanig niet gelden. Dat geldt temeer, nu verdachte zich in dezelfde periode bezighield met het aannemen en vervolgens verpakken van grote hoeveelheden contant geld in kipproducten, zoals hiervoor is overwogen. Daarnaast bevat het dossier geen geloofwaardige aanwijzingen dat de geldbedragen op legale wijze zijn verkregen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] op 3 november 2014, 2 maart 2015 en 2 juni 2015 gestorte gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Dit maakt dat verdachte zich tezamen met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt van het witwassen van € 975.000,-, € 309.000,-, € 4.000.000,-, € 250.000,-, € 510.000,-, € 17.000,- en € 2.833.340,-.

Gelet op de duur van de periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden en de frequentie van de gepleegde handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken over een gewoonte maken van witwassen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 juni 2015, in Nederland en Aruba en België en Kroatië, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte:

- op 31 december 2013 een geldbedrag ad. 309.000 euro, en

- in de periode van 11 maart 2014 tot en met 31 december 2014 een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 4.000.000 euro, en

- op 3 november 2014 een geldbedrag ad. 250.000 euro, en

- op 2 maart 2015 een geldbedrag ad. 510.000 euro, en

- op 2 juni 2015 een geldbedrag ad. 17.000 euro, en

- in de periode van 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 een (contant) geldbedrag ad. 2.833.340 euro,

de werkelijke aard en de herkomst verborgen en verhuld en verborgen en verhuld

wie de rechthebbende is en geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 juni 2015, in Nederland en Aruba en België, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte:

- in de periode van 28 november 2008 tot en met 02 mei 2011 een geldbedrag ad. 975.000 euro,

de werkelijke aard en de herkomst verborgen en verhuld en verborgen en verhuld

wie de rechthebbende is en geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 juncto 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen

en

het misdrijf: gewoontewitwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij de bepaling van de strafmaat verzocht rekening te houden met de media-aandacht die deze strafzaak heeft gekregen, het procesverloop, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het gegeven dat verdachte een overeenkomst heeft gesloten met de belastingdienst. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest met een werkstraf en daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf, is volgens de verdediging in deze zaak een passende straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van verschillende grote geldbedragen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de fiscus te onttrekken, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten minder lucratief zou zijn. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak zouden worden miskend.

Het gegeven dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de hoge leeftijd van verdachte, en het feit dat de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, maken dat de rechtbank van oordeel is dat een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd passend is.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. Sinds de start van de redelijke termijn - naar het oordeel van de rechtbank is als start aan te merken de aanhouding van verdachte op 23 juni 2015 - zijn meer dan twee jaren verstreken tot de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Gelet op de omvang en complexiteit van de zaak kan de overschrijding van de doorgaans als uitgangspunt geldende twee jaren overschrijding, niet als onredelijk worden gekwalificeerd. Dat betekent dat met het tijdsverloop in de strafmaat geen rekening is gehouden.

De rechtbank stelt voorts vast dat de strafzaak tegen verdachte de nodige media-aandacht heeft gekregen. Het is naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Niet is gebleken dat er publicaties in de media zijn verschenen met onbewezen aantijgingen en andere onjuistheden betreffende verdachte, waardoor verdachte in zijn persoon zou zijn geschaad. Nu de rechtbank niet is gebleken van onaanvaardbare media-aandacht, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden bij de strafmaat.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat sprake is van een schending van artikel 6 lid 3 onder b EVRM. De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende overzichtelijk was om met betrekking tot het ten laste gelegde relevante informatie te achterhalen. Hoewel er sprake is geweest van het nazenden van drie ordners kort voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, leidt dit niet tot de conclusie dat verdachte zich niet adequaat heeft kunnen verweren. Dit te minder nu de rechtbank de strafzaak van verdachte heeft geschorst teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen de nagekomen ordners te bestuderen.

De rechtbank heeft in dit vonnis onder 3 geoordeeld dat geen sprake is van een vormverzuim zodat van een verdiscontering hiervan in de strafmaat, als door de verdediging bepleit, geen sprake kan zijn.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, passend en geboden.

7.4

De voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van verdachte is op de zitting van 14 december 2017 tot de terechtzitting van 18 januari 2018 om 9:30 uur geschorst. Op de laatste dag van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van verdachte heeft de rechtbank meegedeeld bij vonnis een beslissing te nemen ten aanzien van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren, gelet op de inhoud van dit vonnis, aanwezig zijn. Ook doet zich een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid Sr thans niet voor. De rechtbank zal dan ook niet over gaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank stelt voorop dat nu sprake is van een veroordelend vonnis, bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis van verdachte het toetsingskader van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a van toepassing is. Hoewel noch aan de tekst van artikel 5 EVRM, noch aan de jurisprudentie van het EHRM naar aanleiding van dit artikel kan worden ontleend dat als uitgangspunt heeft te dienen dat een verdachte hangende een (eventueel) hoger beroep zijn berechting in vrijheid moet kunnen afwachten, is de rechtbank van oordeel dat, gegeven de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis voorafgaande aan dit vonnis gedurende bijna twee jaar geschorst is geweest, er op dit moment onvoldoende aanleiding bestaat om de voorlopige hechtenis reeds bij uitspraak van dit vonnis te laten voortduren.

Gesteld noch gebleken is dat de verdachte in de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst was zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Hieruit leidt de rechtbank af dat het recidivegevaar kennelijk in de afgelopen periode voldoende kon worden ingeperkt door de aan hem gestelde schorsingsvoorwaarden. De rechtbank ziet niet in dat dit na het veroordelend vonnis anders zal zijn. Ook overigens is niet gebleken van (andere) omstandigheden op grond waarvan hernieuwde schorsing van de verdachte onwenselijk zou moeten worden geacht.

Mede in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd te bevelen onder dezelfde voorwaarden die bij (schorsings)beslissing van 14 december 2017 zijn gesteld.

7.5

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst d.d. 16 november 2017 vermelde geldbedragen met de nummers 3, 4, 5, 11, 12, 13 en 14 moeten worden verbeurdverklaard, omdat deze geldbedragen aan verdachte toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.

Voor wat betreft de in beslag genomen onroerende zaken, op de beslaglijst genummerd 6 tot en met 10, zal de rechtbank geen beslissing nemen. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze goederen conservatoir in beslag zijn genomen in de zin van artikel 94a Sv, zoals de officier van justitie ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft bevestigd. Uit de wet en jurisprudentie volgt dat op een zodanig beslag geen beslissing bij einduitspraak in de strafzaak mogelijk is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding met betrekking tot het onderdeel ‘althans van enig(e) voorwerp(en)’, genoemd na het laatste aandachtstreepje in de tenlastelegging, partieel nietig;

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen en

het misdrijf: gewoontewitwassen

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

  • -

    bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 18 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

  • -

    kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 3, 4, 5, 11, 12, 13 en 14;

bevel voorlopige hechtenis

- beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd;

- aan deze schorsing worden de volgende voorwaarden verbonden:

1. verdachte zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten;

2. verdachte zal zich beschikbaar houden voor politie en justitie en aan oproepingen gehoor geven en zal daartoe eventuele adreswijzigingen en/of andere wijzigingen in contactgegevens tijdig doorgeven;

3. verdachte zal aan de officier van justitie, binnen een redelijke termijn voor het uitreizen naar het buitenland, de volgende informatie verschaffen: de datum van uitreizen naar zijn vakantiebestemming, het adres van zijn vakantiebestemming en de datum van het uitreizen van zijn vakantiebestemming naar zijn huidige woonadres.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

Mr. S. Taalman was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche met dossiernaam 26Fluor en proces-verbaalnummer 150090607. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Gedachtestreepje 1

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 9 november 2015 gesloten proces-verbaal bevindingen rol van [verdachte] binnen [bedrijf 6] International S.A., zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:1

Uit onderzoek in de open bron Opencorporates (www.opencorporates.com ) is gebleken dat de rechtspersoon [bedrijf 6] International S.A. op 20 juni 2006 te Panama is ingeschreven in het register in Panama. De rechtspersoon staat ingeschreven onder nummer [nummer] . De directeur en secretaris van deze rechtspersoon is de heer [naam 8] . De agent (tussenpersoon) is [naam 9] .

Uit deze open bron blijkt dat de rechtspersoon inmiddels is uitgeschreven. (...)

Tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 4] , de vriendin van verdachte [verdachte] , is een rekeningoverzicht van de bankrekeningen van [bedrijf 6] International S.A. bij de UBS AG Bank te Zwitserland aangetroffen. (…)

In de digitaal in beslag genomen gegevens (in het bedrijfspand van [bedrijf 1] B.V. te Roermond) zijn faxen van [verdachte] aangetroffen. In deze faxen d.d. van 2009 tot en met 2011, welke zijn gericht aan de heer [naam 1] (…) wordt door verdachte [verdachte] verzocht om overboekingen te doen van de rekening van [bedrijf 6] International S.A. bij de UBS Bank te Zwitserland naar de bankrekening van [bedrijf 8] Trading Company N.V. te Curaçao en naar de bankrekening van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. te Aruba. Op de faxen staat het volgende vermeld: "omschrijving: LENING". Op de faxen staat onderaan "Dhr. [verdachte] " vermeld.

Uit deze faxen kan blijken dat [verdachte] opdracht heeft gegeven aan de heer [naam 1] om overboekingen te doen van de bankrekening van [bedrijf 6] International S.A. bij UBS Bank te Zwitserland naar de bankrekeningen van zijn rechtspersonen in Curaçao en Aruba. (…)

In de computer, welke is aangetroffen op het bureau van [naam 10] (…) zijn overzichten van de UBS bank te Zwitserland op naam van [bedrijf 6] International S.A. aangetroffen.

Een geschrift, te weten ‘Feststellung des wirtschaftlich Berechtigten’ d.d. 20 juni 2016, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:2

Vertragspartner(in): [bedrijf 6] International S.A. (…)

Der Vertragspartner erklärt (…)

Dass ab den Vermogenswerten folgende Person(en (…) wirstschaftlich berechtigt ist/sind: (…) [verdachte] (…)

Een geschrift, te weten ‘Profil für Kunden von Finanzintermediären – Sitzgesellschaften’ d.d. 19 juni 2006, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende inhoudende:3

Vertragspartner (…) [bedrijf 6] Internationa S.A. (…)

Wirtscahftlich Berechtigter (…) Van [verdachte] (…)

Bo is founder of te company

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren K. [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 augustus 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van [naam 2] :4

lk ben officieel adjunct directeur. In de praktijk betekent het dat ik eigenlijk veel doe, inkoop,

verkoop, productie, personeelszaken, kwaliteitscontrole. (…) lk werk hier al 21 jaar en ben met [verdachte] meegegroeid. (…)

V: Wat kun je vertellen over [bedrijf 6] International S.A.?

A: Dat is al een tijdje geleden. Er waren verkopen via [bedrijf 6] . Er werd gefactureerd via [bedrijf 6] ,

volgens mij gingen de verkopen meer richting het Oostblok.

V: Wat is [bedrijf 6] dan?

A: Ja een handelsbedrijf of hoe noem je zoiets. (…)

V: Wat is jouw betrokkenheid in relatie tot [bedrijf 6] ?

A: Niks. Ik moest wel factureren. lk kreeg de opdracht om een factuur te maken naar een partij in het Oostblok. Ik neem aan namens [bedrijf 1] , maar dat weet ik niet meer. Ik kreeg de opdracht van [verdachte] ,

0: Uit onderzoek is gebleken dat aan meerdere bedrijven in Bulgarije en Macedonië vlees is

geleverd en dat er facturen worden verstuurd van [bedrijf 1] . 1 keer per maand werden de

leveringen gefactureerd namen [bedrijf 6] . Wij tonen je nu een factuur van [bedrijf 6]

V: Wat kun jij hierover verklaren?

A: Deze facturen maakte ik op. Die opdracht kreeg ik van [verdachte] . Het vlees werd of hier geladen, of bij een leverancier. Dit was nog meer in onze handelstijd in plaats van in de productietijd van [bedrijf 1] .

Een geschrift, te weten een proces-verbaal van verhoor van Staatsanwaltschaft van het kanton Basel-Stadt d.d. 17 december 2015, inhoudende een verhoor van [naam 1] , zakelijk weergegeven:5

Wie was de economic beneficiary van [bedrijf 6] International S.A.?

(..) [verdachte] (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 24 juli 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van [naam 5] :6

Ik was dus de eerste die de administratie deed van [bedrijf 7] . (…)

Ik weet dat er later wel geld uit Zwitserland naar Aruba is gestuurd. (…) Ik deed dus eigenlijk de dagelijkse administratie en deed de boekingen. (…)

In Aruba had [bedrijf 7] Constructions geen hypotheek bij een bank. Al het geld kwam van [verdachte] of zijn ondernemingen [bedrijf 6] International Sa, [bedrijf 1] , [bedrijf 8] en privé. (…)

Ik weet dat [bedrijf 6] International Sa een Panamese onderneming is. Ik weet niet hoe [verdachte] aan die onderneming is gekomen of wie die heeft opgericht. (…) Ik weet wel dat [verdachte] alles besliste over de leningen van [bedrijf 6] . [verdachte] bepaalde dat er geen rente en aflossing betaald hoefde te worden en wat er moest gebeuren. (…) Het kan dus zijn dat [bedrijf 6] van [verdachte] is maar ik heb daar geen stukken van gezien.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 10 november 2015 gesloten proces-verbaal van bevindingen inkomende geldstromen [bedrijf 6] /Valsheid in geschrifte., zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:7

Tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 4] , de vriendin van verdachte [verdachte] , zijn vermogensoverzichten van de bankrekeningen van [bedrijf 6] International S.A. bij de UBS AG Bank te Zwitserland aangetroffen.

Uit deze overzichten blijkt dat [bedrijf 6] International S.A. drie bankrekeningen en een effecten depot heeft bij de UBS Bank te Zwitserland. Waaronder de rekening met IBAN: [rekeningnummer 3] . (…)

Op grond van de tijdens de doorzoeking aangetroffen vermogensoverzichten is (…) overzicht

te maken (…)

Uit dit overzicht blijkt dat op 31 december 2007 een bedrag van € 720.500 op de bankrekening van van [bedrijf 6] International S.A. staat. Op 30 juni 2011 is de eindwaarde van deze bankrekening nog € 638.600. (…)

Door een verbandcontrole toe te passen met de reeds aanwezige en inbeslaggenomen gegevens is vast te stellen dat er ook een inkomende geldstroom moet zijn geweest op deze bankrekening.

(30-06-2011) (31-12-2007) (periode 2008 / 2011)

Eindstand begin stand + uitgaven = inkomsten

€ 638.600 € 720.500 € 975.000 € 893.100 (…)

In deze digitaal in beslag genomen gegevens, zijn facturen van [bedrijf 6] International SA aangetroffen. Deze facturen, welke dateren van 2008 tot en met 2010 zijn gericht aan [bedrijf 9] gevestigd te Bulgarije en aan [bedrijf 9] LTD gevestigd te Bulgarije.(…)

Ook is in de digitaal in beslag genomen gegevens een document aangetroffen waarop staat vermeld:

"Bulgarije 1 ( [bedrijf 9] is nu [bedrijf 10] geworden)."

Dit document geeft de procedure weer met betrekking tot de leveringen van [bedrijf 1] B.V. aan bedrijven in Bulgarije. Op dit document staat onder andere het volgende vermeld:

"1 fkt. Per maand wordt opgemaakt op [bedrijf 6] .

Rest wordt opgemaakt op [bedrijf 1] ." (…)

Uit de digitaal in beslag genomen gegevens is ook een document aangetroffen waarop staat vermeld: ‘Openstaande posten [bedrijf 9] ” (…)

Uit dit document blijkt middels facturen van [bedrijf 6] International S.A. in 2009 en 2010 in totaal een bedrag van ongeveer € 882.873,- aan het bedrijf [bedrijf 9] te Bulgarije is gefactureerd. Tevens is er nog een factuur aantroffen in het digitale beslag (…) uit 2008. Dit betrof een factuur met factuurnummer Sofia 01 en een bedrag van 34.815,60 (…). Dit zou betekenen dat door [bedrijf 6] International S.A. in totaal minimaal een bedrag van € 917.688 wederrechtelijk is gefactureerd en de factuurbedragen vermoedelijke zijn ontvangen op haar bankrekening in Zwitserland. (…)

Uit controle / vergelijking met de grootboekrekening 5101 (Inkoop buitenland binnen EU) en 5100 ( inkoop 6%) van [bedrijf 1] B.V., blijkt dat een groot aantal inkoopbedragen, zoals vermeld op eerder genoemd overzicht "Openstaande Posten [bedrijf 9] " overeenkomen met de inkopen en data van die inkopen en dat die bij [bedrijf 1] B.V. zijn geboekt. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 28 oktober 2015 gesloten proces-verbaal van bevindingen uitgaande geldstromen [bedrijf 6] International S.A., zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:8

Tijdens de doorzoekingen welke op 23 juni 2015 hebben plaatsgevonden, zijn bankbescheiden van [bedrijf 6] International S.A. bij UBS Bank in Zwitserland in beslag genomen. (…) Op grond van de aangetroffen faxen en e-mails is onderstaande tabel opgemaakt. In onderstaande tabel zijn de overboekingen (…) opgenomen van [bedrijf 6] International S.A. naar [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. en [bedrijf 8] Trading Company N.V.:

Datum Omschrijving Bedrag

28-11-2008 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (….) € 25.000,00

23-3-2009 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 50.000,00

21-7-2009 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 50.000,00

15-9-2009 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 200.000,00

13-11-2009 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 50.000,00

4-2-2010 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 8] (…) € 200.000,00

11-3-2010 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 50.000,00

29-6-2010 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 8] (…) € 200.000,00

10-11-2010 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 8] (..) € 100.000,00

2-5-2011 lening Overboeking van [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] (…) € 50.000,00

Totaal € 975.000,00 (…)

Lening van [bedrijf 6] International S.A.

AWG

28-11-2008 (…) -56.495,00

31-12-2008 (…) -56.495,00

24-03-2009 (…) -120.495,00

14-08-2009 (…) -127.117,00

28-09-2009 (…) -522.555,00

24-12-2009 (…) -127.126,50

31-12-2009 (…) -953.788,50

31-12-2011 (…) -1.200.852,00 (...)

31-7-2014 (…) -1.200.852,00

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat in de periode 2008 tot en met 2011 totaal een bedrag van 1.200.852,- AWG van [bedrijf 6] International S.A. is overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. met rekeningnummer [rekeningnummer 4] . (…)

In de jaarrekening 2012 van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. is de lening welke [bedrijf 6] International S.A. heeft verstrekt aan [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company N.V. als langlopende schuld opgenomen voor een bedrag van 1.200.852,- AWG (omgerekend naar de wisselkoers op het moment van de overboekingen, komt dit bedrag uit op ongeveer € 475.000,-). (…)

In de financiële gegevens per 31 december 2013 van [bedrijf 8] Trading Company N.V. is deze lening welke [bedrijf 6] International S.A. heeft verstrekt aan [bedrijf 8] Trading Company N.V. als langlopende schuld opgenomen voor een bedrag van 1.250.000,- ANG (omgerekend naar de wisselkoers op het moment van de overboekingen, komt dit bedrag uit op ongeveer

€ 500.000,-).

Gedachtestreepje 4

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar K. [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 17 september 2015 gesloten proces-verbaal bevindingen afwikkeling vordering [bedrijf 1] BV op [bedrijf 5] door tussenkomst van [bedrijf 7] Real Estate & Contruction Company NV, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:9

Boekhouding [bedrijf 1] BV (…)

Vordering [bedrijf 1] op [bedrijf 5] ultimo 2013 en 2014: € 566.729 (…)

In de door de [bedrijf 3] digitaal uitgeleverde stukken met betrekking tot de financiële

administratie van [bedrijf 1] BV is een ouderdomsanalyse debiteuren t/m periode 12 van het boekjaar 2013 aangetroffen. In deze ouderdomsanalyse is bij debiteur nummer 60037 [bedrijf 5] een vordering opgenomen van totaal € 566.729. Deze vordering is opgebouwd uit een 12-tal facturen over de periode juni 2010 tot en met mei 2012. Bij deze vordering is de notitie gemaakt: "Volledig dubieus, 18/9/2014" (…)

In het boekjaar 2013 is in de boekhouding van [bedrijf 1] een voorziening oninbare debiteuren gevormd voor een bedrag van 582.528,91. Hierin begrepen is de totale vordering op [bedrijf 5] ad € 566.729 (…)

In de (concept) grootboekkaarten van 2014 en 2015 vinden er geen mutaties plaats op de voorziening waardoor de hoogte ook ultimo 2014 en in de actuele cijfers 2015 cijfers tot en met moment van uitlevering blijft staan op een saldo van € 582.528. (…)

Als onderbouwing van de afwaardering zijn diverse stukken aangetroffen in de uitlevering door de [bedrijf 3] .

Zo is in het document Samensteldossier [bedrijf 1] BV een "aantekening" opgenomen dat de

debiteuren besproken moeten worden met de klant en of er een voorziening dubieus moet komen. Als afwerking is opgenomen: "Is besproken met [advocaat] , (…)

In handmatige aantekeningen genummerd 00645/2013/2.35 genaamd besprekingsverslag is terug te vinden: " [bedrijf 5] + [naam 11] volledig voorzien. Bewijs volgt in september, door [advocaat] " (…)

Daarnaast is in het controle dossier van de jaarrekening 2013 een verslag aangetroffen van een overleg op 18 augustus 2014 tussen [getuige 2] , [getuige 1] (belastingadviseur [bedrijf 4] BV), [verdachte] en mr [advocaat] .

Het overleg wat plaatsvond in Oranjestad gaat over de vordering van [bedrijf 1] BV op [bedrijf 5] ad € 666.292 welke ontstaan is in de jaren 2010, 2011 en 2012. Strekking is dat de jaarstukken 2012 van [bedrijf 4] een somber beeld geven, het vermogen negatief is en de jaarstukken 2012 geen relevante verhaalsmogelijkheden tonen. Aangegeven wordt dat de heer [medeverdachte 1] voornemens is om de activiteiten te staken en de vennootschap te liquideren. De omzet 2013 is verder afgenomen en de heer [medeverdachte 1] toont de bereidheid om de jaarstukken 2013 meteen na gereedkomen toe te zenden en ook [bedrijf 1] B.V. te informeren als de vennootschap daadwerkelijk geliquideerd wordt. (…)

Uit de in bovenstaande stukken, vastgelegde overleggen en aantekeningen blijkt de, ogenschijnlijk, legale grond voor het opnemen van een voorziening oninbare debiteuren in de administratie van [bedrijf 1] BV voor de openstaande vordering op [bedrijf 5] ad € 566.292 (…)De opgenomen voorziening oninbare debiteuren in 2013 is in de jaarrekening 2013 opgenomen onder de rubriek verkoopkosten (totaal € 822.760) en aldaar nader gespecificeerd als oninbare debiteuren voor het bedrag van € 582.529 ( [bedrijf 5] en [naam 11] ). Tevens is vastgesteld dat de in 2013 gevormde voorziening voor oninbare debiteuren en daarmee samenhangende lasten, in 2013 is opgenomen in de aangiften vennootschapsbelasting 2013 (…)

Verwerking betalingen [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] BV door tussenkomst van [bedrijf 7] Apartments (…)

In een aangetroffen (gespreks)verslag, waarvan de opsteller onbekend is, is een stuk opgenomen over betalingen door [bedrijf 5] . Het verslag heeft als begin datum 16-01-2011(…)

[medeverdachte 1] handelsnaam [bedrijf 5] van [bedrijf 4] N.V.

[medeverdachte 1] heeft van [bedrijf 8] leveringen ontvingen waarop jij groot verlies heeft geleden.

Geleverd door [bedrijf 8] totaal voor 508.903,12 euro. Betaald aan [bedrijf 8] 60.000 euro.

Opstaand per heden 44803,12 euro exclusief rente

Afspraak met [medeverdachte 1] dat 6% rente wordt berekend.

Afspraak met [medeverdachte 1] dat zo spoedig mogelijk wordt afgelost met een op te nemen minimum per jaar, maar maandelijks a.d.h.v. de omzet te verschuiven.

De aflossingen gaan via [bedrijf 7] hetgen voordelig is in verband met de beperkte toelating van deviezen uit het buitenland.

Met [medeverdachte 1] gecommuniceerde aflossingen in Aruba 144.000 Afl conform gecorrigeerde administratie [bedrijf 7] . De nota van de blokken (2908,60 AFL) komt daar nog bij. Deze aflossing op Aruba wordt verwerkt in de boeken als een storting van [verdachte] en in Roermond bij [bedrijf 8] afgeboekt als een rek.courant lening van [verdachte] . (…)

Verwerking betalingen [bedrijf 5] bij [bedrijf 7] Apartments (…)

Uit de in beslaggenomen (delen) uit de financiële administratie van [bedrijf 7] Real Estate &

Construction Company NV is vastgesteld dat er betalingen plaatsvinden door [bedrijf 4] . Deze betalingen hebben over het algemeen de omschrijvingen "loan", "terugbetaling" danwel "aflossing" en worden verwerkt op de grootboekrekening genaamd R/C [bedrijf 4] . Het totaal aan betalingen tot en met 31 december 2011 bedraagt AWG 146.908,60. Dit bedrag wordt op 31 december van de RC van [bedrijf 4] overgeboekt met als omschrijving: from [bedrijf 4] -according to He... (…) De R/C [bedrijf 4] heeft op dat moment een saldo ultimo 2011 van AWG 0,0

Op 31 december 2012 worden alle op de R/C [bedrijf 4] ontvangen bedragen en verwerkte mutaties van 2012 van per saldo AWG 396.910 overgeboekt met, net als op 31 december 2011, als omschrijving from heigers trading-according to He.,.. De R/C [bedrijf 4] heeft op dat moment een saldo ultimo 2012 van AWG 0,0

Eind 2013 staat er als saldo op de R/C [bedrijf 4] een saldo van AWG 73.469,46. Vermoedelijk is in dit overzicht de eindejaars (over) boeking van 2013 nog niet verwerkt.

Over 2014 zijn vooralsnog geen gegevens bekend bij het onderzoeksteam Fluor.

Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er per saldo door [bedrijf 4] is betaald aan [bedrijf 7] :

AWG

Betalingen 2011: 146.908,60

Betalingen 2012: 396.910,00

Betalingen 2013: 73.496,46

Betalingen 2014: PM

617.288,06

Omgerekend naar euro's met een koers van € 1,- = AWG 2,-, is er tot en met eind 2013 een bedrag van circa € 309.000 betaald door [bedrijf 4] (…)

Uit aangetroffen uitdraaien uit de financiële boekhouding van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company NV, gedateerd 06/10/14 is het volgende vastgesteld.

Onder de langlopende schulden (Long Term Liability) is onder de noemer "Loan from [verdachte] ) het verloop van de schuld aan [verdachte] te volgen.

Zo wordt op 31 december 2011 deze rekening gemuteerd voor een bedrag van AWG 146.908,60 met als omschrijving from [medeverdachte 1] ... en als tegen rekening: R/C [medeverdachte 1] T

Op 31 december 2012 wordt deze zelfde rekening gemuteerd voor een bedrag van AWG 396.910 met als omschrijving from [medeverdachte 1] ... en als tegen rekening: R/C [medeverdachte 1] (…)

In de boekhouding van [bedrijf 1] BV in Nederland is, (…) , de totale vordering op [bedrijf 5] nog steeds opgenomen in de boekhouding voor een bedrag van € 666.729. Vanwege het feit dat er geen betalingen binnen komen in Nederland is voor de gehele post een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ten laste van het (fiscale) resultaat van [bedrijf 1] BV. Verwerking van ontvangsten met tegen de R/C van [verdachte] zoals vastgelegd in de op Aruba aangetroffen documenten, zijn in Nederland niet vastgesteld.(…)

In de boekhouding van [bedrijf 7] Real Estate & Construction Company NV zijn ontvangsten van [bedrijf 5] / [bedrijf 4] verwerkt zoals vastgelegd in de aangetroffen documenten. In ieder geval de (per saldo) ontvangsten in 2011 en 2012 van in totaal AWG 643.818,60 (circa € 272.000) zijn conform de vastgelegde afspraken verwerkt.

Indien aangenomen wordt dat ook de ontvangsten in 2013 ad AWG 73.496,46 (circa € 37.000) op dezelfde wijze zijn verantwoord in de definitieve stukken dan is er op Aruba AWG 617.288,06 omgerekend circa € 309.000 aan betalingen door [bedrijf 5] / [bedrijf 4] gedaan.

Een geschrift, te weten een gespreksverslag d.d. 18 augustus 2014 van een overleg tussen [getuige 2] , [getuige 1] , verdachte en mr. [advocaat] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:10

Verslag van het overleg met mr. [getuige 1] , belastingadviseur van [bedrijf 4] B.V., gehouden op 18 augustus 2014 ten kantore van [bedrijf 11] (…) Oranjestad

Aanwezig: dhr. [getuige 2]

Mr. [getuige 1]

Dhr. [verdachte]

Mr. [advocaat]

Aanleiding voor het overleg is de vordering van [bedrijf 1] B.V. op [bedrijf 4] N.V. ook handelend odne de naam [bedrijf 5] ten bedrage van ruim 566.292 euro (…)

De jaarstukken geven een somber beeld. Het vermogen van [bedrijf 4] N.V. is negatief en de jaarstukken tonen geen relevante verhaalsmogelijkheden. (…) De heer [getuige 1] geeft aan dat de heer [medeverdachte 1] voornemens is om de activiteiten te staken en de vennootschap te liquderen. De heer [medeverdachte 1] bevestigt dit. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 6 november 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van getuige [getuige 3] :11

Ik deed alleen de debiteuren administratie. (…)

Ik weet alleen dat als ik een aanmaning naar [bedrijf 5] opstelde dat [verdachte] dan tegen mij zei dat dat niet hoefde omdat het goed zou komen. Dat verbaasde mij wel maar goed [verdachte] is de baas dus als hij dat wil dan doe ik dat.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 15 oktober 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van getuige [naam 5] :12

0: Op 24 juli 2015 werd u als getuige gehoord. Een van de onderwerpen ging over het geld dat [medeverdachte 1] kwam brengen naar [bedrijf 7] . U heeft toen verklaard dat [advocaat] een brief heeft gemaakt waarin stond dat [verdachte] een zakelijke relatie had met [medeverdachte 1] . had die brief nodig voor de administratie.

V: Wat stond er in die brief?

A: Het was een kort briefje. Er stond in dat [verdachte] van [bedrijf 1] een zakelijke relatie had met [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] . En dat [medeverdachte 1] een schuld had aan [verdachte] . In de brief stond dat [medeverdachte 1] ter aflossing van zijn schuld aan [bedrijf 1] zou betalen aan [bedrijf 7] Construction.

0: Wij tonen u een brief cq instructie van [verdachte] aan [naam 4] met als datum 28-07- 2013.

V: Wat kunt u over hierover verklaren?

A: Dat is de brief die ik bedoel. Meneer [advocaat] heeft die brief gemaakt. lk weet nog dat [medeverdachte 1] er nog een beetje moeite mee had. Hij had een schuld aan [bedrijf 1] en moest betalen aan [bedrijf 7] . [medeverdachte 1] heeft in 2011 en 2012 geld betaald aan [bedrijf 7] . Dat is in de administratie van [bedrijf 7] verwerkt. lk heb het even voor u opgezocht, maar in de notulen van 16 januari 2011 stond dat [medeverdachte 1] een schuld had van 508.903,12. En data er momenteel nog €448.030,12 openstond. Toen is de afspraak gemaakt dat [medeverdachte 1] zou terugbetalen aan [bedrijf 7] . Die notulen zijn door meneer [advocaat] gemaakt. Die afspraak is gemaakt tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en meneer [advocaat] .

V: Wie waren er op de hoogte van de betalingen van [medeverdachte 1] in 2011 en 2012 aan [bedrijf 7] ?

A: Bij iedere betaling door [medeverdachte 1] heb ik [verdachte] per email op de hoogte gebracht. In de CC heb ik steeds meneer [advocaat] en [naam 10] genoemd. lk heb bij die email als bijlage een Quickbook report bijgevoegd waarin de betalingen door [medeverdachte 1] verwerkt waren. Dus zowel [verdachte] als [advocaat] waren op de hoogte van de betalingen van [medeverdachte 1] ter aflossing van de schuld van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] .

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 oktober 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van getuige [getuige 1] :13

lk ben directeur van [bedrijf 11] & Accountancy Beheer VBA gevestigd aan de [adres 3] te Oranjestad West. (…)

Op een gegeven moment heeft [medeverdachte 1] mij aangegeven dat een klant van hem op het eiland was aan wie hij een grote schuld had. Deze klant wilde een gesprek omdat zij bereid waren die vordering op [bedrijf 5] af te waarderen. Ik zie in mijn agenda dat op 18 augustus 2014 rond 11.00 uur deze meeting heeft plaats gevonden.

Op die dag zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en de heer [advocaat] bij mij op kantoor geweest. (…) Tijdens het gesprek deed [advocaat] steeds het woord. [advocaat] presenteerde zich als advocaat en gaf duidelijk aan wat er moest gebeuren. Er werd door [advocaat] aangegeven dat het bedrijf van [verdachte] de vordering op [bedrijf 5] / [bedrijf 4] wilde af te waarderen. Ik had wel de indruk dat [medeverdachte 1] de schuld wel terug moest betalen. Het bedrag werd hem niet kwijtgescholden. lk had wel de Indruk dat men om fiscale redenen die schuld in Nederland wilde afwaarderen.

In het hele gesprek hierover heeft [verdachte] niets gezegd. (…)

Kort na de meeting van 18 augustus 2014, 2 september 2014, kreeg ik per mail een

gespreksverslag van [advocaat] . (…) In dit gespreksverslag waren zaken anders

omschreven dan was besproken. Dit was geen verschrijving maar een bewuste verdraaiing van de werkelijkheid. lk was daar best boos over en heb tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ik het daar niet mee eens was. (…) Zij wilden afwaarderen en daar had ik niets mee te maken.

[medeverdachte 1] zij toen tegen mij dat ik het stuk maar moest aanpassen zoals ik dacht dat het was, lk heb dat toen gedaan en heb het document toen terug gemaild naar [advocaat] . (…) In de mail werd ook gevraagd naar de grootboekrekeningen 1 mutaties van de schuld aan [bedrijf 1] over 2010, 2011 en 2012. lk moest die van de boekhouder krijgen want ik had ze niet.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 29 oktober 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van getuige [naam 6] :14

0: Uit onderzoek is gebleken dat op Aruba [bedrijf 5] , een handelsnaam van [bedrijf 4] , een schuld had aan de in Nederland gevestigde vennootschop [bedrijf 1] BV

V; Wat kunt u over deze schuldverhouding verklaren?

A: lk weet dat [medeverdachte 1] een goede vriend is van [verdachte] en dat hij een goed lopend restaurant heeft. Hij heeft een schuld van ongeveer 5 a 6 ton., Daar is de laatste jaren nooit iets mee gebeurd. Er vonden geen mutaties meer plaats. [verdachte] heeft ergens dit jaar tegen mij gezegd dat ik een bepaald rond bedrag moest afboeken van de vordering op [bedrijf 5] en dat ik dat moest verrekenen met de rekening-courantverhouding met [bedrijf 8] . lk vond dit een vreemd verhaal. lk vind het vreemd dat [verdachte] met het voorstel voor deze administratieve boeking kwam. Voorzover ik weet heb ik dat niet laten doorvoeren

V: Weet u hoe deze schuld is ontstaan?

A: Dat komt omdat [bedrijf 5] een afnemer is. In de loop van de jaren zijn er goederen geleverd aan [bedrijf 5] . Zij hebben ook een gedeelte betaald. lk weet niet waarom deze vordering is opgelopen.

0: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat er bij [bedrijf 1] B.V. een afwaardering heeft

plaatsgevonden op de vordering die [bedrijf 1] B.V. op [bedrijf 5] had. (…)

0: We tonen u een document met nummer KAM13d.03.02.012.005, dit document is afkomstig uit de op Aruba in beslag genomen administratie van [bedrijf 7] . Het document, gedateerd 28-07-2013 en ondertekend door [verdachte] , beschrijft de administratieve afhandeling van betalingen gedaan door [bedrijf 5] / [bedrijf 4] , ten gunste van [bedrijf 1] BV. (…)

V: Wat kunt over dit document verklaren, wat is de strekking van dit document, wat wordt er mee beoogd?

A: lk zie dit voor het eerst. Misschien dat [advocaat] dit weet. (…)

Boekhoudkundig klopt dit verhaal niet zoals het nu op papier staat,

V: Zijn er betalingen geweest van [bedrijf 5] aan [bedrijf 7] ? (…)

V: Indien en voor zover er betalingen hebben plaatsgehad, hoe zijn die door u in de administratie verwerkt?

A: lk weet niets van betalingen af. Er zijn geen betalingen verwerkt. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 november 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van getuige [naam 6] :15

O: Bij het vorige verhoor op 29 oktober 2015 reageerde u emotioneel op onze vragen en

opmerkingen met betrekking tot [bedrijf 5] .

V: Waarom reageerde u toen zo emotioneel?

A: Dat kwam omdat ik mij door [verdachte] in hemd gezet voelde. [verdachte] liet ons een afboeking doen op de vordering van [bedrijf 5] terwijl hij wist dat het geld bij [bedrijf 7] was ontvangen. Hij heeft ons hier op kantoor in feite voor de gek gehouden.

V: Heeft u de afboeking van de vordering op [bedrijf 5] B.V. na het vorige verhoor nog

besproken met [naam 12] ?

A: Ik heb hierover wel met [naam 13] gesproken over de afboeking van € 566.000,- en de ontvangst van € 309.000,- bij [bedrijf 7] . Zij was verbaasd dat er kennelijk betalingen waren geweest. Zij wist hier ook niets vanaf. (…)

Het door rechter-commissaris mr. R.P. van Eerde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [naam 3] d.d. 13 oktober 2016, nummer RC 15/599, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:16

Binnen [bedrijf 1] was er een vordering op [bedrijf 5] van een kleine 600.000 euro. In boekjaar 2012 hadden wij al geconstateerd dat daar geruime tijd geen betaling op ontvangen was. Daar hebben wij vragen over gesteld. [advocaat] heeft gezegd dat daar betalingen op zouden worden verricht of dat daar betalingen op waren gedaan. Ik weet niet of [verdachte] bij dat gesprek aanwezig is geweest. (…) Ik weet niet wanneer de laatste betaling op de vordering heeft plaatsgevonden. Ik denk dat er in ’t boekjaar 2011 geen betalingen zijn gedaan. (…) Gesteld werd dat niet rechtstreeks aan [bedrijf 1] betaald zou worden/was betaald, maar dat [bedrijf 5] aan een bedrijf op Aruba zou betalen/had betaald. Dat bedrijf heette volgens mij [bedrijf 7] . Ik herinner me dat het gunstiger was om die betaling rechtstreeks op Aruba aan [bedrijf 7] te laten doen, omdat dat financieel gunstiger was. Daarmee konden transactie kosten worden uitgespaard. Dat heb ik gehoord van [advocaat] . Vanuit de samenstelafdelingen waren er afboekingen op de vordering op [bedrijf 5] gedaan en die waren weer verwerkt in de rekeningcourantpositie van [verdachte] met [bedrijf 1] . [verdachte] kreeg dus een schuld aan [bedrijf 1] . Wij hebben toen gezegd dat wij het niet zomaar konden afboeken. Wij wilden onderliggende documentatie, waaruit zou blijken dat die betalingen ook waren gedaan. Voor ons was er onvoldoende zekerheid dat die betalingen ook waren gedaan. Als het al betaald zou zijn, dan zou het geen vordering op [verdachte] moeten zijn, maar op [bedrijf 7] . (…) De afboekingen hebben wij teruggedraaid. (…) Wij hebben de kwestie met de vordering op [bedrijf 5] doorgeschoven naar boekjaar 2013. (…) Ik boekjaar 2013 liep die vordering nog. Ik heb toen samen met [naam 12] gesproken met [advocaat] . [advocaat] heeft toen gezegd dat [bedrijf 5] niet meer zou betalen, omdat [bedrijf 5] in financiële problemen verkeerde. Wij hebben toen gevraagd of dit kon worden onderbouwd. Wij kregen van [advocaat] een document. Dat was een soort verklaring die was ondertekend door [verdachte] , [advocaat] en de man van [bedrijf 5] . Uit dat stuk kwam naar voren dat [bedrijf 5] schade had geleden en ook de vordering van [bedrijf 1] werd daarin genoemd. Ik heb daarvan onthouden dat de verwachting was dat de vordering op [bedrijf 5] oninbaar was. Ik weet wel dat [advocaat] zei dat ze er bovenop zouden blijven zitten en de jaarstukken van [bedrijf 5] zouden controleren om vast te stellen dat [bedrijf 5] inderdaad geen geld had en de vordering dus definitief oninbaar zou blijken te zijn.

Op basis van dit stuk hebben wij samen, dus samen met [advocaat] , besloten een voorziening op

te nemen. Wij wilden de vordering niet definitief afboeken. Dat maakt overigens resultaat

technisch geen verschil. Volgens mij was in de conceptjaarrekening die door de

samenstelafdeling was opgemaakt ook al een voorziening opgenomen. Dat was voor ons ook

de reden om navraag te doen. Wij moesten namelijk weten of dit terecht was.

U vraagt mij wie gezegd heeft dat de joumaalposten van 2012 gecorrigeerd moesten worden.

Dat ben ik geweest na overleg met [naam 12] . (…)

U vraagt mij waarom de betalingen zoals ze door [verdachte] worden aangegeven niet door mij

zijn verwerkt. Dat is omdat ik geen onderbouwende stukken heb ontvangen, dus dat ik niet

voldoende controle informatie heb gekregen. U vraagt mij of de informatie die was

binnengekomen omtrent de betalingen aan [bedrijf 7] of die in beschouwing is genomen bij de

beslissing om een voorziening op te nemen en zo ja voor welk bedrag. Nee, er is wel navraag

gedaan. Volgens mij heb ik dat gedaan bij [advocaat] , maar ik heb geen stukken gekregen met

betrekking tot die betalingen en ik heb die betalingen dus niet betrokken bij het opnemen van

de voorziening. U vraagt mij of er iets is vastgelegd over dit gesprek met [advocaat] . Er zou wel

een verslag moeten zijn, maar ik weet niet of dit punt daarin is vastgelegd. Het zou ook

kunnen zijn dat het in een sectie memo is vastgelegd.

U vraagt of de heer [verdachte] ook betrokken was. Dat werd gedaan door zijn adviseur

[advocaat] . [verdachte] zat er bij ons, bij besprekingen met het controle team, vrijwel nooit bij

Een geschrift, te weten een brief d.d. 28 juli 2013 aan [naam 4] van [verdachte] , inhoudende, zakelijk weergegeven17:

In verband met de opmaak van de jaarstukken 2012 van [bedrijf 7] bevestig ik dat de heer [medeverdachte 1] , directeur van [bedrijf 5] in 2012

Gevraagd is de schuld die [bedrijf 5] heeft aan [bedrijf 1] BV te betalen aan [bedrijf 7] om zo mede de bouw van de nieuwe appartementen te financieren. De betalingen zullen worden verwerkt als geldlening van [verdachte] aan [bedrijf 7] en bij [bedrijf 1] BV als betaling van [bedrijf 5] en opname van [verdachte] in rekening courant.

Gedachtestreepjes 5 en 10

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 juli 2015 gesloten proces-verbaal bevindingen dozen vlees inhoud geld, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:18

Op donderdag 25 juni 2015 (…) voor een onderzoek aan de in beslaggenomen zeecontainer gelegen aan in [adres 4] te Aruba. (…)

In de container werd een EURO pallet aangetroffen. (…) De geld speurhond bleek een melding te maken (aan te slaan) bij de bovengenoemde pallet. (…)

Wij zagen dat onze honden ‘Shumi en Bonky’ een melding maakte op een pallet met daarop dozen. (…) Bij nader onderzoek door de aanwezige collega’s bleken deze dozen gevuld met kiprolade. Nadat deze waren gespleten door de collega’s bleken diverse rollades te zijn gevuld met pakketten bankbiljetten.” (…)

In dozen werden rollades aangetroffen omwikkeld met transparant folie. (…) Na het kapot slaan van de rollades troffen medewerkers van het onderzoeksteam hierin een gesealed pakket. In dit gesealde pakket zat een bruine zak met inhoud. Veelal stonden op de papieren zakken nummers geschreven.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 juni 2015 gesloten proces-verbaal bevindingen tellingen inbeslaggenomen geld uit zeecontainer, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:19

Op donderdag 25 juni 2015 (…) onderzoek ingesteld naar de inhoud van de inbeslaggenomen zeecontainer; [container] . (…) Het totaalbedrag van het in genoemde inbeslaggenomen zeecontainer in beslag genomen geld is: (…) € 2.833.340.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 24 juni 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte]20:

V: Wat zit er in de container?

A: Geld. (…)

Ik denk 2.7 miljoen Euro, maar precies weet ik het niet. (…)

Ik heb het gemaakt, niemand weet het, niemand. lk heb het zelf gemaakt op zondagmiddag. Het is kip. Dat is gegaard en daar zit het in verstopt Dus je moet het niet snijden maar even laten ontdooien en dan breek je het zo. (…)

V: Hoe is dit tot stand gekomen?

A: lk kreeg het aanbod en dat is aanlokkelijk. Ik zou 45000 Euro krijgen. Wat [medeverdachte 1] zou krijgen weet ik niet. (…)

V: (…) Hoe ging dat vorig jaar?

A. Vorig jaar was het vier miljoen, maar dat weet ik niet meer zeker.

V: Wat heeft u er toen voor gekregen?

A: Hetzelfde bedrag.

V: Van wie kreeg u dat geld?

A: Dat kon ik zelf op dat bedrag inhouden.

V: Wie bracht u dat geld?

A: lk ken die man niet.

V: Kwam die man bij u op de zaak?

A: Nee, lk werd gebeld voor een afspraak en dan kreeg ik het overgedragen en nam ik het in de auto.

V: En dat is de befaamde koffiedrinker?

A: Koffiedrinker?

V: Ja, komt ie koffie brengen of koffie drinken?

A: 0 ja, Inderdaad. (…)

V: Hoe lang heeft dat geld bij u gelegen?

A: Meer als een halfjaar. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 juni 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte] :21

V: U heeft geld gekregen, hoe Is dat gegaan.

A: Ik kreeg het geld in zakken. Canvas, van dat dikke stof, hoe heet dat. Het waren grijze zakken, donkergrijs/bruin. Het geld zat allemaal geteld en kant en klaar in de zakken. Er stond met een viltstift op de zijkant van het geld geschreven hoeveel het was. Er zat alleen een elastiekje omheen. Ik heb papier en plastic er omheen gedaan en vacuüm getrokken. Vervolgens heb ik kip gekookt. Dan wordt het vloeibaar en dan gooi ik het geld er in. Dan komt er druk op de kip en wordt het in die vorm gedrukt. Niemand ziet dan dat het geld het in zit. (…)

V: Ok. We gaan terugwerken. Wanneer heeft dit geld gekregen, van deze container.

A: Dat was in december. Die twee, de oude en de staart waren er niet bij lk kreeg een afspraak bevestigd dat iemand zou komen. Diegene refereren we aan met koffiedrinken".

Via [medeverdachte 4] werd mij doorgegeven dat er een afspraak kwam. Ik gooide het in de auto en was weg. Dat weekend heb ik het in de kip gedaan In de hoop dat het snel weg ging

Daar baalde lk van.

V: Waar was die ontmoeting?

A: Voor de outlet in Roermond, op de parkeerplaats. (…)

V: Kunt u dé man beschrijven.

A. Ik kan de man niet beschrijven lk weet wel dat hij een Antilliaans accent had. Of dat nou Curaçao of Aruba is. De man was licht getint, heel weinig haar. Een man van rond de 60 jaar.

V: Waar haalde hij de zakken vandaan?

A: Uit de auto. Ik denk de kofferbak, maar ik was een beetje schuw en gehaast. (…)

V: En hoe vaak is hij geweest?

A Een keer. Toen gaf hij dus dit hele bedrag.

V: Toen heeft u alles ingepakt.

Ja. (…)

V: Hoe is geheel tot stand gekomen.

A: Dat is eenvoudig. lk ben benaderd door [medeverdachte 1] , ongeveer een jaar geleden. ik denk dat we in Roermond waren. Hij vroeg of ik een pakketje met geld kon opsturen. lk zei waarom niet. Ik wist toen niet dat het om zoveel ging.

V: Vroeg hij dan om het te verstoppen?

A: Ja dat is logisch he. (…)

lk heb aan [medeverdachte 4] gevraagd om er tussen te zitten. Die koffiedrinker had alleen het nummer van [medeverdachte 4] .

V: Hoe kwam ze daar aan?

A: lk denk gekregen van die ouwe.

V: Hoe komt dan die ouwe bij [medeverdachte 4] ?

A: lk hoorde van [medeverdachte 4] wat ik moest doen. (…)

V: Wanneer besloot [medeverdachte 4] er tussen te zetten?

A: Ja toen hij die kamer had gehuurd. (…).. Ze werd gewoon op haar eigen telefoon gebeld en dan gaf ze mij door dat er een afspraak zou komen. Wie dat is weet ik niet.(…)

V: Dus als lk het goed begrijp heeft u gevraagd aan [medeverdachte 4] of ze er tussen wilde zitten. Zij wilde dat wel en vervolgens zit ze er tussen in.. lk bégrip dan niet dat hét nummer van [medeverdachte 4] bij de koffiedrinker is gekomen. Weet u dat?

A: Ja die oude is bij [medeverdachte 4] geweest om zich in te schrijven. Toen zal hij het nummer van [medeverdachte 4] hebben genoteerd, want lk toen tegén [medeverdachte 1] gezegd dat het via [medeverdachte 4] zou gaan en hij vroeg om een nummer. lk zei toen dat die ouwe dat al had. Dus dat de koffiedrinker [medeverdachte 4] kan bellen kan alleen als die ouwe hét nummer heeft gegeven. (…)

[medeverdachte 1] had geen contact met de koffiedrinker. Dat was de oude. Die gaf denk ik de orders aan de koffiedrinker. Dat is het enige contact denk ik (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 29 juni 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte] :22

V: In welke gevallen nam u het geld in ontvangst en in welke gevallen deed [medeverdachte 4] .

A: Ik heb alleen geld van [naam 7] in ontvangst genomen. Ik heb nooit geld in ontvangst genomen van die koffiedrinker. (…) Het is wel gemeen van mij dat ik [medeverdachte 4] daar tussen heb gezet, maar ik had gewoon weinig tijd en zin. (…)

Ja, ik heb dus twee keer van [naam 7] het geld in ontvangst genomen. De eerste keer ongeveer vier miljoen en de tweede keer 2,7 miljoen.

V: En [medeverdachte 4] ?

A: Die deed het in ontvangst nemen van de koffiedrinker. Die meldde zich bij haar telefonisch en dan ging [medeverdachte 4] daar naar toe. Dat was in de outlet in Roermond of in de buurt van de outlet. (…) maar ik weet wel dat uit die keren dat [medeverdachte 4] er wat over zei ik haalde dat het een oudere Antiliaan was.

V: Maar als u vier miljoen krijgt en daarna 2,7 miljoen krijgt wat kreeg [medeverdachte 4] dan.

A: Die kreeg daar een paar honderd Euro voor van mij.(…)

V: Hoe vaak heeft [medeverdachte 4] geld opgehaald bij die koffiedrinker?

A: Zeker twee keer.

V: Als u dan vier en 2,7 heeft wat haalde [medeverdachte 4] dan op?

A: [medeverdachte 4] haalde dat op.

V: Maar u heeft zelf gezegd dat u die vier en 2,7 ophaalde.

Ja, nou snap ik het. Maar dat geld dat [medeverdachte 4] ophaalde is onderdeel van dezelfde partij als wat ik van [naam 7] kreeg.

V: Dus dan kreeg u minder dan die 4 miljoen?

A: Ja het zat wel een gedeelte zijn geweest.

V: Maar dat hebben we eerder toch duidelijk gevraagd?

A: Dat klopt, ik ben daar niet heel duidelijk in geweest. lk voel me ook niet happy met al dat geld in huis en heb daar veel stress van gehad.

V: En die keren met [naam 7] , daar was zijn dochter bij?

A: Ja beide keren, want hij reed zelf niet. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 8 oktober 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte] :23

V: Hoe vaak heeft u geldbedragen naar Aruba gesmokkeld?

A: Twee keer. November/december 2014 en in juni 2015.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 november 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende een verklaring van verdachte [verdachte] :24

O: Verdachte [medeverdachte 3] verklaarde dat hij in opdracht van [naam 7] in 2014 ongeveer 5 keer

contant geld heeft opgehaald in Amsterdam en naar Roermond heeft gebracht waar hij het geld bij de Outlet aan [medeverdachte 4] heeft overgedragen. Dit geld zat verpakt in sporttassen, koffers en stevige nylon boodschappentassen van Nederlandse supermarktketens.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: Ja hij zegt het en dat zal wel kloppen. Ik weet echt niet of die aantal keren klopt. Maar zoals hij de wijze van verpakking en overdracht verklaart dat kan wel kloppen. Hij geeft het geld aan [medeverdachte 4] bij de outlet en zij brengt het vervolgens rechtstreeks naar mij toe. Ik heb het dan op zondag verwerkt en in de vriezer opgeslagen. Nogmaals, als ik geweten had hoe zwaar er aan getild zou worden dan had ik het zelf opgehaald. De achtergronden van wie het geld is op Aruba weet ik niet en interesseert mij ook niet. (…)

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 november 2015 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] :25

A: [naam 7] was in Nederland en moest voor zijn kleindochter naar Aruba. Hij vroeg mij om geld op te halen en naar Roermond te brengen. Dat was ergens in 2014. Ik weet niet meer wanneer. Ik heb ongeveer 5 keer voor [naam 7] geld opgehaald en naar Roermond gebracht. [naam 7] heeft mijn telefoonnummer aan iemand gegeven die mij opgebeld heeft en een afspraak met mij maakte. Ik moest naar Amsterdam om daar iemand te ontmoeten. [naam 7] had mij 1.000 euro gegeven om een auto te huren. (….) Ik moest dat geld ophalen bij een hotel In Amsterdam. (…) Op de afgesproken plaats heb Ik gewacht. In het begin was [naam 7] er ook bij. Hij is denk ik 2 keer mee geweest. Daarna ging hij naar Aruba. Op de afgesproken plek kwam 1 persoon. Hij nam onze huurauto mee. Ik heb ik een café gewacht. Die man kwam terug met mijn huurauto en ik kreeg de auto terug. En toen lag er geld in de auto. Ik weet niet waar die persoon heengegaan is. Bij die 5 keren heb ik twee verschillende personen die op de afgesproken plek ontmoet. Ik ken die personen niet en weet ook niet waar ze naartoe zijn gegaan. Eén persoon was een Spaanssprekende man. Ik denk uit Uruguay of misschien Venezuela of Colombia. Laten we zeggen Latijns-Amerika. De ander

was een blanke Nederlander die goed Nederlands sprak. Ik weet niet hoe ze heten of waar ze

wonen. In ieder geval kreeg ik daar geld. Het zat in sporttassen en koffers. Die lagen in de kofferbak. Soms ook in stevige nylon boodschappentassen van Nederlandse supermarkten. Welke weet ik niet meer. Het geld was op verschillende manieren verpakt en soms ook alleen pakjes geld met een elastiek erom. Soms zat er op het pakketje geld een papiertje met een getal erop. Dat papiertje zat tussen de elastiek gestoken. Dezelfde dag toen ik het geld kreeg in Amsterdam, ben ik naar Roermond gereden. De keren dat [naam 7] erbij was, is hij ook mee naar Roermond gegaan. Ik had daar bij het winkelcentrum Outlet met [medeverdachte 4] afgesproken en zij heeft het geld daar In ontvangst genomen. Ik denk dat dit 5 keer gebeurd is. Dit jaar heb ik geen geld meer gebracht. (…). Ik heb in 2015 [medeverdachte 4] wel twee keer ontmoet in het winkelcentrum. Ik was toen met de trein. We hebben alleen maar koffie gedronken en wat gepraat. De keren dat ik [medeverdachte 4] geld gebracht heb, was dus in 2014. Ik denk dat het in de zomer van 2014 was. (…) De eerste keren dat ik samen met [naam 7] het geld in de huurauto naar Roermond bracht, heeft [naam 7] het geld aan [medeverdachte 4] gegeven. Dat gebeurde buiten mij om. Ik heb daar ook niets van gezien. Ik heb gewacht in een café. In de tijd dat [naam 7] hier in Nederland was en wij samen geld gingen halen in Amsterdam, (…)

Toen ik alleen naar Roermond gereden ben en [naam 7] op Aruba was, heb ik drie keer of meer geld naar [medeverdachte 4] gebracht. Ik weet niet om hoeveel geld het allemaal ging. Ik heb het alleen maar weggebracht en niet geteld.

V; Hoe ben je in het bezit gekomen van het telefoonnummer van [medeverdachte 4] ?

A: Ik heb het nummer van [naam 7] gekregen.

V: Hoe heb je [medeverdachte 4] leren kennen?

A: Via [naam 7] . Ik weet niet meer of ik samen met [naam 7] was, maar de eerste keer heb ik [medeverdachte 4]

ontmoet

V: Weetje [medeverdachte 4] wat met dat geld gedaan heeft?

A: Dat weet ik niet.

Gedachtestreepjes 7, 8 en 9

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 3 november 2015 gesloten proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:26

Binnen onderzoek Fluor werden zowel in Nederland, België als op Aruba diverse aanhoudingen verricht en doorzoekingen in woningen en bedrijfspanden gedaan.

Eén van deze bedrijfspanden betrof de [adres 5] te Roermond zijnde het bedrijfspand waar [bedrijf 1] BV is gevestigd.

Bij deze doorzoeking zijn een aantal bescheiden aangetroffen waarvan er drie betrekking hebben op contante stortingen op een bankrekening. Het eerste stortingsbewijs is aangetroffen nabij de handtas van [medeverdachte 4] . Deze handtas stond op de stoel waar zij doorgaans haar werkplek had op kantoor. Het tweede en derde stortingsbewijs zijn in dezelfde ruimte aangetroffen echter zaten in een rood mapje in een kast achter de werkplek van [medeverdachte 4] . Tevens zijn er in diezelfde kast bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op het openen van een bankrekening in Kroatië op naam van [verdachte] . (…)

Beslagnummer RI018.01.06.002

Betreft een stortingsbewijs dd 2 juni 2015 om 12:17:21 uur te Makarska van de Kroatische Bank: HRVATSKA POSTANSKA BANKA (HPB). Als klant staat beschreven: [verdachte] , adres [woonplaats] . Het IBAN nummer betreft [rekeningnummer 5] .

Het gestorte bedrag bedraagt € 17.000.

Het stortingsbewijs is getekend met een handtekening van [verdachte] en door de bank middels een stempel en een handtekening.

Rechtsbovenaan het stortingsbewijs staat met de hand het volgende bijgeschreven.

+ 1/500

+ 2/200

+ 12/100

+ 298/50

Waarschijnlijk zijn dit de aantallen per coupure van de contante storting.

Tezamen bedraagt dit immers € 17.000.

1 briefje van € 500 = € 500

2 briefjes van € 200 = € 400

12 briefjes van € 100 = 1.200

298 briefjes van € 50 = 14.900

Totaal = € 17.000

Beslagnummer RI018.01.01.002.004

Betreft een stortingsbewijs dd 2 maart 2015 om 16:30:50 uur te Makarska van de Kroatische Bank: HRVATSKA POSTANSKA BANKA (HPB). Als klant staat beschreven: [verdachte] , adres [woonplaats] . Het IBAN nummer betreft [rekeningnummer 5] .

Het gestorte bedrag bedraagt 510.000.

Het stortingsbewijs is getekend met een handtekening van [verdachte] en door de bank middels een stempel en een handtekening.

Bovenaan het stortingsbewijs staat met de hand het volgende bijgeschreven.

29/500

5/200

363/100

5357/50

9125/20

779/10

12/5

Waarschijnlijk zijn dit de aantallen per coupure van de contante storting.

Tezamen bedraagt dit immers € 510.000.

29 briefjes van € 500 = € 14.500

5 briefjes van € 200 = € 1.000

363 briefjes van € 100 = € 36.300

5357 briefjes van € 50 = € 267.850

9125 briefjes van € 20 = € 182.500

779 briefjes van € 10 = € 7.790

12 briefjes van € 5 = € 60

Totaal = € 510.000

Beslagnummer RI018.01.01.002.002

Betreffen openingsbescheiden van een bankrekening bij de HRVATSKA POSTANSKA BANKA te ZAGREB met rekeningnummer 3220844377EUR en IBANnummer [rekeningnummer 5] op naam van [verdachte] .

Verder zitten er een tweetal A4 tjes bij lijkend op algemene voorwaarden van de HRVATSKA

POSTANSKA BANKA getekend door zowel Client [verdachte] en de Bank met een stempel en handtekening. Boven één van deze papieren lijkend op algemene voorwaarden is met de hand bijgeschreven: rek courant en boven een ander papier lijkend op eveneens algemene voorwaarden spaar rek.

Beslagnummer RI018.01.01.002.001

Betreft een stortingsbewijs dd 3 november 2014 om 13:31:21 uur te Makarska van de Kroatische Bank: HRVATSKA POSTANSKA BANKA (HPB). Als klant staat beschreven: [verdachte] , adres [woonplaats] . Het IBAN nummer betreft [rekeningnummer 5] .

Het gestorte bedrag bedraagt 250.000.

Het stortingsbewijs is getekend met een handtekening van [verdachte] en door de bank middels een stempel en een handtekening.

Bovenaan het stortingsbewijs staat met de hand het volgende bijgeschreven.

2500/100

Waarschijnlijk is dit het aantal in coupure van de contante storting aangezien dit immers 250.000 bedraagt: 2500 briefjes van € 100 = € 250.000 totaal.

Een geschrift, te weten een proces-verbaal van getuigenverhoor van [naam 14] opgesteld door het Landelijk Parket Split van de Republiek Kroatië, inhoudende, zakelijk weergegeven27:

lk ben shift-manager bij de vestiging van de "Hrvatska ponanska banka" te Makarska. Onze vaste cliënte is [medeverdachte 5] . Zij heeft bij onze bank een lopende rekening waarop zij haar pensioengelden ontvangt. Bij mijn weten wijkt zij qua inkomen niet af van het Kroatische gemiddelde. Echter, bij een van haar bezoeken aan onze bank, ik weet niet meer precies wanneer, informeerde [medeverdachte 5] naar de voorwaarden voor het storten van vreemde valuta omdat, zoals Zij aangaf, haar dochter voornemens was een grote geldsom naar Kroatië wilde overbrengen, lk heb geïnformeerd omtrent de voorwaarden. Niet lang daarna verscheen, naar ik mij herinner, werd onze vestiging bezocht door [verdachte] , en vervolgens de ongehuwde partner van [verdachte] , [medeverdachte 4] genaamd,

althans zoals mij dat werd voorgehouden door [medeverdachte 5] . Bij die gelegenheid was ook [medeverdachte 5] aanwezig. Eveneens aanwezig was mijn chef [naam 15] . Nu schiet mij te binnen dat dat op 3 november 2014 was, toen [verdachte] bij onze vestiging een valuta rekening opende. Bij diezelfde gelegenheid heeft hij zijn ongehuwde partner [medeverdachte 4] gemachtigd om de beschikken over de geldmiddelen op de valutarekening. Namens de bank zijn alle overeenkomsten door mij gestoten. Vervolgens herinner ik mij dat [verdachte] onze vestiging bezocht op 24 november 2014, samen met zijn ongehuwde partner [medeverdachte 4] , bij welke gelegenheid hij een lopende rekening in Kroatische valuta opende, (…) De identiteit ven [verdachte] hebben ik samen met mijn chef vastgesteld aan de van inzage in de identiteitskaart en het paspoort van [verdachte] (…) Op 3 november had [verdachte] een bedrag van 250.000 euro bij zich, waarvan hij 200.000 euro onmiddellijk heeft gestort op de vreemdevalutarekening, en de rest op de lopende rekening. lk meen dat het grote coupures betrof. lk kan mij niet herinneren hoe het geld verpakt was. Bij leder bezoek van [verdachte] werd vanuit het Kroatisch naar het Nederlands vertaald en vise-versa, en als tolk trad zijn ongehuwde partner, [medeverdachte 4] , op. lk kan mij herinneren dat [verdachte] op 2 maart 2015 wederom een groot geldbedrag In contanten naar onze vestiging bracht, in vreemde verpakking. (…) Het geld was verpakt in plastic zakjes. (…)

De plastic zakjes met het geld had [verdachte] in een canvas tas meegebracht, welke bij ons

hier te lande dienst doet als boodschappentas. Ik en mijn chef [naam 15] hebben hem bij beide

gelegenheden naar de -herkomst van -het geld gevraagd, waarop [verdachte] antwoordde voornemens te zijn een huis te bouwen op het eiland Brac.. (…)

Een geschrift, te weten een proces-verbaal van getuigenverhoor van [naam 15] opgesteld door het Landelijk Parket Split van de Republiek Kroatië, inhoudende, zakelijk weergegeven28:

Ik ben vestigingsmanager van de "Hrvatska potanska banka" te Makarska, met slechts enkele

medewerkers in dienst. (…)

Zo herinner ik mij dat ik op 3 november 2014 aanwezig was gedurende het bezoek van [verdachte] aan onze vestiging in Makarska. Namelijk, [verdachte] bezocht onze vestiging op aanbeveling van onze klant [medeverdachte 5] . (…) Het gesprek tussen mij en [verdachte] en nog een persoon, [medeverdachte 4] genaamd, eveneens aanwezig en aan mij voorgesteld als de vriendin van [verdachte] , werd gevoerd in het Kroatisch, althans [verdachte] sprak in het Nederlands en [medeverdachte 4] vertaalde naar het Kroatisch. (…)

Bij die gelegenheid had [verdachte] , voorzover ik mij kan herinneren, een tas bij zich.

Het geld was vacuum verpakt in plastic zakjes, afgeplakt met plakband. Voor zover lk mij kan herinneren betrof het voornamelijk eurobankbiljetten, in briefjes van 100 euro, in totaal betrof het 250.000 euro vastgezet op een depositorekening voor een periode van één jaar, en nogmaals 50,000 euro gestort op een lopende rekening. Als bankmedewerkers zijn we, gezien de manier waarop [verdachte] het geld Inbracht, verplicht te vragen naar de herkomst van het geld. [verdachte] antwoordde eigenaar te zijn van een vleesverwerkingsfabriek en dat het geld deels (…) zijn dividenduitkering vertegenwoordigde, terwijl het overige deel zijn spaargeld betrof. (…)

Na voornoemd bezoek aan de bank, heeft [verdachte] , voor zover ik mij kan herinneren, de bank nogmaals bezocht op 24, november 2014, om een bedrag van 15,000 euro te storten op de lopende rekening, zijnde een "a vista rekening".

De volgende keer bezocht [verdachte] de bank op 2 maart 2015. Bij die gelegenheid werd hij vergezeld door [medeverdachte 4] , die het gesprek vanuit het Kroatisch naar het Nederlands en visa-versa vertaalde. (…) [verdachte] bracht nu, wederom in een canvas tas, een bedrag van 510.000 euro mee, ook weer vacuum verpakt in plastic zakjes en afgeplakt met plakband. Het bedrag bestond uit 29 biljetten van 550 euro, 5 van 200 euro, 363 van 100 euro, 5357 van 50 euro, 9125 van 20 euro, 779 van 10 euro en 12 van 5 euro. lk heb daar namelijk verslag van gedaan en ben derhalve zeker van mijn zaak. Ik heb hem wederom gevraagd naar de herkomst van het geld, waarop hij mij,(…)

hetzelfde antwoordde als de eerste keer, aldus deels dividenduitkering en deels spaargeld. (…)

Op uw verdere vraag verklaar ik dat [verdachte] , voor zover Ik mij kan herinneren, nog eenmaal onze vestiging heeft bezocht op 2 juni 2015, toen hij een bedrag van 17.000 euro kwam storten. lk moet hierbij benadrukken dat ik niet op de vestiging aanwezig was, maar later door mijn medewerkers van dit feit op de hoogte gebracht. (…)

1 Map 7 ZD-02 pagina 218 tot en met 224

2 Map 13 ZD-02 Eerste aanvulling pagina 652

3 Map 13 ZD-02 Eerste aanvulling pagina 654 en 655

4 Map 7 ZD-02 pagina 227 tot en met 232

5 Map 13 ZD-02 Eerste aanvulling pagina 658 tot en met 665

6 Map 7 ZD-02 pagina 283 tot en met 288

7 Map 8 ZD-02 pagina 313 tot en met 319

8 Map 8 ZD-02 pagina 385 tot en met 388

9 Map 8 ZD-02 pagina 430 tot en met 482

10 Map 8 ZD-02 pagina 450

11 Map 4 Getuigendossier pagina 122 tot en met 125

12 Map 8 ZD-02 pagina 505 en 506

13 Map 8 ZD-02 pagina 508 tot en met 510

14 Map 8 ZD-02 pagina 546 tot en met 556

15 Map 12 Eerste aanvulling ZD-02 pagina 313 tot en met 320

16 Map 15 Tweede aanvulling ZD-02 pagina 1011 tot en met 1014

17 Map 8 ZD-02 pagina 584

18 Map 5 ZD-01 pagina 187 tot en met 196

19 Map 5 ZD-01 pagina 201 en 202

20 Map 5 ZD-01 pagina 66 tot en met 77

21 Map 5 ZD-01 pagina 261 tot en met 266

22 Map 6 ZD-01 pagina 353 tot en met 358

23 Map 6 ZD-01 pagina 377 tot en met 382

24 Map 12 Eerste aanvulling pagina 385 tot en met 390

25 Map 11 PD [medeverdachte 3] 104 tot en met 107

26 Map 11 ZD-03 pagina 1 tot en met 3

27 Map 9 ZD-03 pagina 33 tot en met 35

28 Map 9 ZD-03 pagina 36 tot en met 38