Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:418

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
08/760034-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 40-jarige man tot een gevangenisstraf van 30 maanden en tot de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor poging tot doodslag en diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760034-17 (P)

Datum vonnis: 13 februari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1977 op [geboorteplaats 1] ,

nu verblijvende in het HvB Ooyerhoekseweg, Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 juli 2017, 21 december 2017 en 30 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Grooters en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D.P. Poppe, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] heeft proberen te doden dan wel zwaar heeft mishandeld;

feit 2: [slachtoffer] met geweld heeft beroofd van zijn portemonnee met inhoud.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 19 maart 2017 te Schuinesloot, gemeente Hardenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer]

- enige tijd die keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer] heeft afgesloten, waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloren heeft en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond geduwd/getrokken heeft en/of

- (vervolgens) (meerdere malen) (met kracht) in het gezicht geslagen/geschopt heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. Subsidiair

hij op of omstreeks 19 maart 2017 te Schuinesloot, gemeente Hardenberg, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee blauwe ogen en/of een gebroken neus en/of een snijwond op de neus en/of diverse huidbeschadigingen op voorhoofd en wangen, heeft toegebracht door

- enige tijd die keel/hals dicht te knijpen/drukken, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer] af te sluiten, waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloren heeft en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond te duwen/trekken en/of

- (vervolgens) (meerdere malen) (met kracht) in het gezicht te slaan/schoppen;

2.

hij op of omstreeks 19 maart 2017 te Schuinesloot, gemeente Hardenberg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (pasjes en ongeveer 100 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij

- enige tijd die keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer] heeft afgesloten, waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloren heeft en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond geduwd/getrokken heeft en/of

- hem (vervolgens) (meerdere malen) (met kracht) in het gezicht geslagen/geschopt heeft.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 19 maart 2017 heeft aangever [slachtoffer] ‘s nachts in zijn woning aan de [adres 1] in Schuinesloot lichamelijk letsel opgelopen. Door een forensisch arts wordt op het hoofd van aangever letsel geconstateerd, kort gezegd bestaande uit meerdere bloeduitstortingen, een zwelling en een gebroken neus. Aangever verklaart dat [verdachte] hem heeft aangevallen door hem bij zijn nek in een soort wurghouding te pakken, omdat hij hem geen geld wilde lenen. Daarnaast verklaart aangever zijn portemonnee kwijt te zijn, waarin pasjes en ongeveer € 100,- aan biljetten zaten.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Zij baseert zich op de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en de camerabeelden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat zijn cliënt integraal moet worden vrijgesproken.

De raadsman wijst erop dat het enige direct belastende bewijs in deze zaak voortvloeit uit de verklaring van aangever. Daar staat de stellige ontkenning van zijn cliënt tegenover. De verklaringen die aangever en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd zijn niet authentiek, objectief en betrouwbaar, omdat de getuigen gelegenheid gehad hebben om hun verklaringen op elkaar af te stemmen en daarnaast mogelijk door elkaar zijn beïnvloed. Voorts wijst de raadsman erop dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar geacht moet worden, nu hij last heeft van psychoses en daarvoor ook medicijnen slikt. Ook de verklaring van getuige [getuige 3] is volgens de raadsman onbetrouwbaar, omdat zij een motief heeft om belastend tegen zijn cliënt te verklaren. Voorts ontbreekt ieder technisch bewijs dat zijn cliënt in de woning van aangever zou zijn geweest. Subsidiair heeft zijn cliënt geen opzet gehad op de dood van aangever dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Op de terechtzitting van 6 juli 2017 heeft aangever verdachte herkend als zijnde de persoon die hem op 19 maart 2017 in zijn woning heeft overvallen. De rechtbank overweegt dat de verklaring die aangever ter terechtzitting en bij de politie heeft afgelegd op verschillende punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat zijn verklaring versterkt, zoals de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] en de camerabeelden van [naam 1] .

Anders dan de raadsman vindt de rechtbank de getuigenverklaring van [getuige 3] wel authentiek, objectief en betrouwbaar. Haar verklaring komt op de rechtbank oprecht over en strookt bovendien met de camerabeelden van [naam 1] . De rechtbank ziet ook overigens niet in waarom zij, als goede vriendin van verdachte, belastend in de richting van verdachte zou verklaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat haar verklaring als bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank maakt uit de verklaring van [getuige 3] op dat verdachte op 19 maart 2017 bij haar is geweest en haar meermalen heeft gevraagd om hem geld te lenen. Nadat [getuige 3] aangaf geen geld te hebben, heeft verdachte gezegd iets anders te zullen regelen. Volgens [getuige 3] zou verdachte omstreeks 01:00/01:30 uur bij haar zijn weggegaan. Dit wordt bevestigd door de camerabeelden van [naam 1] , waar verdachte op dat moment verblijft. Op deze beelden is te zien dat verdachte rond 01:18 uur zijn fiets pakt en richting het bijgebouw loopt. Rond 03:45 uur is [getuige 3] naar verdachte toe gegaan. Verdachte is op dat moment onder invloed van drugs, heeft veel contant geld bij zich en zegt dat hij wordt gezocht door de politie, aldus [getuige 3] . Verdachte is dus tweeënhalf uur weggeweest, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat het gemiddeld één uur en vijftien minuten fietsen is van [naam 1] naar de woning van aangever en terug. Verdachte wist bovendien waar aangever woonde en had in het verleden eerder geld van hem geleend.

De verklaring van getuige [getuige 1] kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, gebruikt worden voor het bewijs. De verklaring van [getuige 1] komt op de rechtbank authentiek, objectief en betrouwbaar over. De rechtbank ziet niet in waarom [getuige 1] belastend in de richting van verdachte zou verklaren. Zij heeft daartoe geen enkele reden.

[getuige 1] heeft op 24 oktober 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op 19 maart 2017 ‘s ochtends vroeg door aangever werd gebeld en dat aangever vertelde dat hij een bloedneus had. [getuige 1] is met [getuige 2] naar de woning van aangever gegaan. Toen getuige [getuige 2] met aangever naar buiten kwam dacht [getuige 1] ‘het is geen bloedneus’. Toen [getuige 2] tegen aangever zei dat hij dacht dat aangever klappen gehad moest hebben, bevestigde aangever dit. Getuige [getuige 2] had gevraagd wie dat gedaan had. Aangever had toen meteen ‘ [verdachte] ’ genoemd. Het kan best zijn, zo heeft getuige [getuige 1] verklaard, dat aangever ‘ [verdachte] …’ zei en dat [getuige 1] hem aanvulde.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, elkaar in belangrijke mate op essentiële punten ondersteunen. Zij is dan ook van

oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die in die bewuste nacht in de woning van aangever is geweest. Verdachte had geld nodig, maar kon dat van [getuige 3] niet lenen. Vervolgens heeft verdachte te kennen gegeven iets anders te zullen regelen en is hij per fiets richting de woning van aangever gegaan. Aldaar heeft verdachte aangever in een wurghouding genomen en daarbij zijn keel of hals dichtgeknepen dan wel dichtgedrukt. Nu aangever op een later tijdstip wakker is geworden, gaat de rechtbank ervan uit dat hij als gevolg van de wurghouding door verdachte buiten bewustzijn is geraakt. De portemonnee van aangever is door verdachte weggenomen. Vervolgens is verdachte, na het lozen van de portemonnee met de pasjes onderweg, terug naar [naam 1] gefietst alwaar hij [getuige 3] opnieuw trof. Verdachte was op dat moment onder invloed van drugs en voorzien van geld. Toen getuige [getuige 4] de portemonnee van aangever bovendien aantrof in de berm, zat daar geen briefgeld meer in.

De stelling van de verdediging dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar geacht moet worden nu hij last had van psychoses volgt de rechtbank niet. Getuige [getuige 1] heeft aangever reeds sinds 2009 onder begeleiding en heeft verklaard dat aangever op 19 maart 2017 helder was. Getuige had de tijd ervoor toezicht gehouden op de medicatie van aangever. Een psychose kan aldus uitgesloten worden, althans de aanwezigheid daarvan vindt geen enkel aanknopingspunt in het dossier

Een volgende vraag is hoe de geweldshandelingen van verdachte juridisch dienen te worden gekwalificeerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd en het gebied rond de hals aan te merken zijn als kwetsbare delen van het menselijk lichaam. Het dichtknijpen dan wel dichtdrukken van de keel of hals, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer overlijdt. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van verdachte gericht op het doden van aangever. Verdachte heeft aangever immers in een zodanige wurghouding gehouden dat hij buiten bewustzijn is geraakt. Door op een dergelijke manier te handelen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. De door verdachte verrichte handelingen worden door de rechtbank beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsman dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van aangever.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1. Primair

hij op 19 maart 2017 te Schuinesloot, gemeente Hardenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] de keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloren heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 maart 2017 te Schuinesloot, gemeente Hardenberg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (pasjes en ongeveer 100 euro), toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij de keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloren heeft.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 287 juncto 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf:

poging tot doodslag;

feit 2

het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

6 De strafbaarheid van verdachte

Ter beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte heeft de rechtbank een rapportage pro Justitia van het Pieter Baan Centrum ontvangen dat op 17 januari 2018 is uitgebracht. Deze rapportage is opgesteld door een psycholoog en een psychiater. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een eerder opgesteld psychologisch pro Justitia rapport van 13 juni 2017.

Uit deze rapportages vloeit voort dat geen uitspraken kunnen worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid, omdat verdachte het delict ontkent en niet heeft meegewerkt aan enig psychologisch of psychiatrisch onderzoek.

Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, in afwijking van haar eis op de terechtzitting van 6 juli 2017, dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd met bevel tot verpleging van overheidswege.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op zijn pleidooi voor vrijspraak, niet uitgelaten over een op te leggen straf of maatregel.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een diefstal met geweld. Dit zijn ernstige feiten die jegens een kwetsbaar persoon zijn gepleegd. Verdachte heeft door zijn handelen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor aangever in het leven geroepen. Hij heeft aangever aangevallen, zijn portemonnee gestolen en hem vervolgens bewusteloos en gewond in zijn woning achtergelaten. Kennelijk heeft verdachte zich volstrekt niet om het lot van aangever bekommerd. De rechtbank weegt mee dat het handelen van verdachte een grote impact heeft gehad op aangever. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en kennelijk geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 28 december 2017. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte in het verleden veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen wegens het plegen van soortgelijke (gewelds)feiten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 17 januari 2018 opgemaakt door psychiater P.P. de Kloe, onder supervisie van [naam 2] en psycholoog G.M. Jansen. Uit deze rapportage blijkt dat het voor de onderzoekers onmogelijk is gebleken om onderzoek te doen naar zijn geestvermogens. De oorzaak daarvan is dat verdachte de onderzoekers slechts zeer summier te woord heeft gestaan, niet heeft meegewerkt aan (psychologisch) testonderzoek en geen toestemming heeft gegeven voor het opvragen van informatie bij derden.

De rechtbank heeft daarnaast ook acht geslagen op een eerder uitgebrachte rapportage, namelijk een psychologisch onderzoek van 13 juni 2017, opgemaakt door psycholoog D.B. Wisman. Aan de hand van deze rapportage acht de rechtbank zich in staat om een oordeel te vormen of bij verdachte sprake is van een stoornis. In dit rapport concludeert de onderzoeker namelijk dat verdachte kampt met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast is volgens de onderzoeker ook sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk in de vorm van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken’. Verdachte heeft een gebrek aan empathie en heeft een oppervlakkige charme. Hij lijkt zich nauwelijks bewust te zijn dat anderen hem anders ervaren en voelt zich daardoor al snel tekort gedaan en/of niet serieus genomen waardoor hij geagiteerd reageert, welk gedrag hij zelf ‘pittig’ noemt. Deze factoren, tezamen met onder meer zijn persoonlijkheidsstoornis, maken dat bij verdachte een groter risico is op gewelddadig gedrag. Indien geen interventies worden ingezet, wordt het risico op soortgelijke delicten als het tenlastegelegde ingeschat als hoog, aldus de onderzoeker. Daarnaast is het risicovol dat verdachte geen leven kent zonder middelengebruik, delicten, detenties en conflictueuze relaties. Er worden toekomstige problemen verwacht met betrekking tot de leefomstandigheden, namelijk dak- en werkloosheid, schulden, het beperkte sociale netwerk en zijn behandelrespons. Tegenover die behoorlijke risico’s staat nauwelijks iets dat een beschermende functie kan hebben.

De rechtbank is, gelet op bovengenoemde rapportage, van oordeel dat de bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis ook ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aanwezig was. Voorts is zij van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte eisen. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en die tevens zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Naast deze maatregel kan, gezien de ernst van het feit en het strafblad van verdachte, naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafverzwarende zin overweegt de rechtbank dat verdachte reeds meerdere keren, en ook recent, voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, en de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te Schuinesloot, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.329,90 (zegge: dertienhonderdnegenentwintig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Herstelkosten vloerbedekking € 244,90;

- Eigen risico € 385,-;

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 700,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op zijn pleidooi voor vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.329,90, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 38d, 38e en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 2: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

  • -

    gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

  • -

    beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te Schuinesloot, van een bedrag van € 1.329,90 (zegge: dertienhonderdnegenentwintig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de strafbare feiten zijn gepleegd;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.329,90,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de strafbare feiten zijn gepleegd ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 23 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

Mr. W. Foppen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juli 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 4-6)

(…) De getuige geeft op te zijn: [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1965, wonende te Schuinesloot, beroep melkveehouder. De getuige verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt: (…) Ik zie verdachte hier vandaag ter terechtzitting zitten. Ik kijk hem in de ogen en herken hem als zijnde de persoon die mij op 19 maart 2017 in mijn woning heeft overvallen. (…)

2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 19 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 11-12):

(…) Op zondag 19 maart 2017 (…) was ik in mijn woning gelegen aan de [adres 1] te Schuinesloot. Ik zag dat [verdachte] voor mijn deur stond. Ik hoorde dat hij vroeg: mag ik veertig euro van je krijgen? Ik heb toen gezegd dat ik dat niet zou doen, want ik heb hem al eerder 15 euro gegeven, maar van mijn begeleiding mag ik dat niet weer doen. (…) Vervolgens zag ik dat [verdachte] weer naar binnen kwam. (…) [verdachte] kwam direct op mij af lopen en hij pakte mij bij mijn linkerarm en de andere arm had hij om mijn nek, in een soort wurghouding. Voor ik het wist lag ik voorover op de grond. Ik lag met mijn neus naar beneden. Ik weet dat [verdachte] uiteindelijk weg is gegaan, maar exact kan ik het mij niet herinneren wat er na de val is gebeurd. (…) Ik werd wakker (…) omstreeks 02.30 uur. Ik vernam dat mijn neus bloedde. Ik had behoorlijk veel pijn aan mijn neus. (…) Ik ken [verdachte] vanuit de dagbesteding bij mijn begeleiding van de [instelling] . (…)

3. Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 19 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 19):

(…) [verdachte] is met de fiets gekomen. (…) Ik mis mijn rode portemonnee. (…) Verder zat er ongeveer 100 euro aan bankbiljetten in. (…)

4. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 22 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 31-32):

(…) Op zaterdagavond rond middernacht was [verdachte] bij me. Hij heeft in mijn woning gezeten en heeft hij meerdere keren gevraagd of ik geld had. Hij wilde geld lenen maar ik had geen geld meer. (…) Omstreeks 1 uur a half 2 is [verdachte] bij me weggegaan. Hij zei dat hij iets ging regelen. (…) Om 3.16 uur kreeg ik telefoon van [verdachte] . Hij was behoorlijk paranoia. Ik ben er vervolgens rond 3.45 uur naartoe gegaan en aldaar trof ik een hele andere [verdachte] aan dat aan het begin van de avond. Hij zei dat hij gezocht werd door de politie. Ik zag dat hij behoorlijk drugs had gebruikt en dat hij daardoor helemaal de weg kwijt was. (…) Toen ik bij [verdachte] was viel het me direct op dat [verdachte] een heleboel geld had. Ik hoorde ook dat hij meerdere keren zei dat hij veel geld had. Ik zag in ieder geval een briefje van 50 euro (…). Over de periode van ongeveer 1 uur tot 3.45 uur ben ik niet bij [verdachte] geweest. Hij vertelde dat hij weg was geweest. (…)

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 24 oktober 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blad 1-5):

(…) Ik weet dat [slachtoffer] mij ‘s ochtends vroeg belde. Hij zei dat hij een bloedneus had. (…) [getuige 2] liep naar binnen en kwam met [slachtoffer] naar buiten. Ik dacht ‘het is geen bloedneus’. (…) [getuige 2] zei: ‘’ [slachtoffer] , dit is geen bloedneus. Volgens mij heb je klappen gehad.’’ [getuige 2] zei: ‘’Wie heeft dit gedaan?’’ Hij zei: ‘’ [verdachte] ’’, dat zei hij eigenlijk al meteen. (…) Toen dus één keer op tafel kwam dat er klappen waren uitgedeeld, deelde hij mee dat hij was geslagen door ‘’ [verdachte] …’’. Het kan best zijn dat ik hem aanvulde. (…)

6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 19 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 26):

(…) Wij hebben meneer [slachtoffer] vanaf 2009 onder begeleiding. (…) Op het moment dat wij meneer [slachtoffer] aantroffen was hij goed helder en de afgelopen tijd hebben wij toezicht gehouden op zijn medicatiegebruik dus een psychose kunnen wij ook uitsluiten. (…)

7. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek fietsroute d.d. 1 april 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 49):

(…) Op zaterdag 1 april 2017 heb ik onderzoek verricht naar de mogelijke fietsroute van verdachte gezien vanaf de locatie [adres 2] te Hardenberg naar [adres 3] te Schuinesloot. Ik, verbalisant, heb via Google-maps gebruikgemaakt van de routeplanner. Google maps geeft drie mogelijke fietsroutes aan:

- Route A is 11.7 kilometer en zou in ongeveer 34 minuten kunnen worden afgelegd. Totale fietstijd heen en terug 1 uur en 8 minuten.

- Route B is 11,5 kilometer en zou in ongeveer 37 minuten kunnen worden afgelegd. Totale fietstijd heen en terug 1 uur en 14 minuten.

- Route C is 13.0 kilometer en zou in ongeveer 42 minuten kunnen worden afgelegd. Totale fietstijd heen en terug 1 uur en 24 minuten. (…)

8. Een letselrapportage opgemaakt door forensisch arts G.M. Berkel, inclusief bijgevoegde foto’s, d.d. 19 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 106-112):

(…) Letselbeschrijving

hoofd Forse zwelling in het gelaat met een grote bloeduitstorting op de rechterwang, forse bloeduitstorting rechter oogkas, onscherpe huidrandje op neusrug, scheefstand van neus, kleine bloeduitstorting onder linker oorschelp.
Linkeroog licht verdikt met bloeduitstorting m.n. bovenste ooglid. (…)

aanvullende informatie

is er sprake van uitwending x ja, namelijk Uit neuswond en uit neusholten

bloedverlies?

is er vermoeden van x ja, namelijk Botbreuken gaan altijd gepaard met

inwendig bloedverlies? inwendig bloedverlies; fors maar niet ernstig

is er vermoeden van niet

uitwendig waarneembaar x ja, namelijk Een op meerdere plaatsen gebroken neus

letsel? (…)

beoordeling letsel

(…) letsel past bij toedracht Het geconstateerde letsel kan passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht. Precieze toedracht is niet duidelijk door kortdurende amnesie. Verwondingen kunnen goed passen bij direct inwerkend stomp botsend geweld van buitenaf. (…)

9. Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [naam 1] d.d. 24 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 128; p. 131):

(…) + 32 seconden

01.18.54 uur [verdachte] pakt de fiets en loopt met de fiets aan de hand richting het bijgebouw.

(…)

10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 20 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 47):

(…) Het klopt dat ik een roodkleurige portemonnee heb gevonden. Ik heb deze portemonnee gevonden in de berm van de [adres 4] te Schuinesloot op zondag 19 maart 2017. (…) Thuis heb ik naar de inhoud gekeken. Ik zag dat er meerdere pasjes waren en zoals ik kon zien een (1) euro muntstuk. Er zat geen briefgeld in de portemonnee. (…) Ik heb de portemonnee weer teruggebracht naar de eigenaar [slachtoffer] . Ik zag namelijk dat deze de eigenaar was omdat zijn naam op de pasjes stond. (…)