Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4133

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
08/106267-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat een 33-jarige man schuldig is aan poging tot zware mishandeling, maar legt de man hiervoor geen straf of maatregel op. De man heeft gehandeld uit noodweerexces. Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2018:4143

ECLI:NL:RBOVE:2018:4144

ECLI:NL:RBOVE:2018:4145

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/106267-18 (P)

Datum vonnis: 1 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd samen met een ander [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel tegen die [slachtoffer 1] op de openbare weg geweld heeft gepleegd dan wel die [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 2: heeft geprobeerd samen met een ander [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel tegen die [slachtoffer 2] op de openbare weg geweld heeft gepleegd dan wel die [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 1 januari 2018, te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die persoon meermalen, althans eenmaal, (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam te schoppen of te trappen en/of te slaan of te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018, in de gemeente Oldenzaal, openlijk, te weten, op of aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dr. Ariënsstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1] door opzettelijk in te dringen op die persoon en/of door opzettelijk gewelddadig die persoon vast te grijpen en/of vast te houden en/of te slaan of te stompen en/of te trappen of te schoppen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018, te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die persoon meermalen, althans eenmaal, (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam te schoppen of te trappen en/of te slaan of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2018, te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die persoon - terwijl deze al dan niet op de grond lag en/althans zat - meermalen, althans eenmaal, (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt en/of heeft geslagen of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018, in de gemeente Oldenzaal, openlijk, te weten, op of aan de voor het openbaaar verkeer openstaande weg, de Dr. Ariënsstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2] door opzettelijk in te dringen op die persoon en/of door die persoon opzettelijk gewelddadig vast te grijpen en/of vast te houden en/of opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (zeer) (krachtig en/of geweldaddig) in/op/tegen het gezicht en althans het hoofd en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam te trappen of te schoppen en/of te slaan of te stompen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018, te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die persoon – terwijl deze al dan niet op de grond lag en/althans zat - meermalen, althans eenmaal, (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam te schoppen of te trappen en/of te slaan of te stompen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld welk geweld verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gebruikt.

Volgens de officier van justitie kan het onder 2 primair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard met uitzondering van het medeplegen nu niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een partiële bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling, namelijk het door [slachtoffer 2] meerdere malen tegen het lichaam te slaan en/of trappen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het

onder 1 en 2 tenlastegelegde nu [verdachte] heeft gehandeld uit noodweer.

De rechtbank merkt op dat dit standpunt hierna besproken zal worden onder “6. De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte”.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier, in het bijzonder de verklaringen van [verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte] , het proces-verbaal beschrijving camerabeelden, de verklaring van getuige [getuige] en de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij daar samen met [slachtoffer 2] ter plaatse was, leidt de rechtbank het volgende af:

  • -

    [verdachte] en zijn partner [naam 1] lopen in de nacht van 1 januari 2018 rond 04:00 uur op de Dr. Ariënsstraat te Oldenzaal;

  • -

    [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen eveneens op de Dr. Ariënsstraat en zijn luidruchtig;

  • -

    ter hoogte van de woning aan de Dr. Ariënsstraat [nummer 1] te Oldenzaal, de woning van getuige [getuige] komen zij elkaar tegen;

  • -

    [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] slaan of trappen tegen een elektriciteitskastje. [verdachte] heeft iets naar hen geroepen (uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat er door [verdachte] “kankerturken” is geroepen);

  • -

    [verdachte] en [naam 1] lopen enkele seconden later achterwaarts van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg en worden belaagd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vallen [verdachte] aan en blijven hem aanvallen;

  • -

    [naam 1] wordt door [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] geduwd en komt ten val;

  • -

    [verdachte] wordt door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geslagen en geschopt;

  • -

    [verdachte] verdedigt zich door zijn armen en handen voor zijn gezicht te houden en slaat af en toe terug;

  • -

    [verdachte] vlucht meerdere keren achterwaarts, gevolgd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die vaak en hard richting [verdachte] blijven schreeuwen;

  • -

    [naam 1] wordt door [slachtoffer 2] in haar gezicht geslagen;

  • -

    [verdachte] wordt door [slachtoffer 1] geslagen;

  • -

    [naam 1] belt de politie en zij roept dit ook;

  • -

    [slachtoffer 2] loopt daarop schreeuwend op [naam 1] af;

  • -

    [medeverdachte] komt ter plaatse en werkt [slachtoffer 2] met een vliegende trap naar de grond. [slachtoffer 2] wordt door [medeverdachte] op zijn bovenarm geraakt;

  • -

    [slachtoffer 1] komt [slachtoffer 2] helpen;

  • -

    [slachtoffer 1] en [medeverdachte] vechten met elkaar;

  • -

    [slachtoffer 2] is in gevecht met [verdachte] ;

  • -

    [slachtoffer 2] wordt vervolgens door [medeverdachte] naar de grond gewerkt;

  • -

    [medeverdachte] schopt [slachtoffer 2] hard terwijl hij op de grond ligt;

  • -

    [verdachte] slaat [slachtoffer 2] diverse keren terwijl hij op de grond ligt;

  • -

    [medeverdachte] trekt [verdachte] van [slachtoffer 2] weg;

  • -

    [verdachte] schopt bij het weglopen [slachtoffer 2] hard tegen het hoofd terwijl [slachtoffer 2] op de grond zit.

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde nu uit de bewijsmiddelen niet dan wel onvoldoende afgeleid kan worden dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] .

Feit 2

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door [slachtoffer 2] , terwijl deze op de grond lag, te slaan en (nadat [medeverdachte] [verdachte] bij [slachtoffer 2] heeft weggetrokken) een harde schop tegen het hoofd te geven. De rechtbank is van oordeel dat er zich in het dossier te weinig aanknopingspunten bevinden voor het bewijs van boos opzet bij [verdachte] op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Echter, naar algemene ervaringsregels roept het met kracht met geschoeide voet trappen tegen het hoofd wel de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het gezicht en hoofd zijn door de aard, constitutie en door alle vitale functies die hier gesitueerd zijn bij uitstek kwetsbare gebieden. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder - en dus ook [verdachte] - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans; hij was zich daarvan bewust. Het hard met de geschoeide voet trappen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] die op de grond zat is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat [verdachte] die aanmerkelijke kans heeft aanvaard en door aldus te handelen ook op de koop toe heeft genomen. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat [verdachte] die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Uit het voorgaande volgt dat verdachte door [slachtoffer 2] te schoppen als hiervoor beschreven voorwaardelijk opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Het onder 2 primair tenlastegelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het slaan en stompen, omdat niet bewezen kan worden dat [verdachte] door deze geweldshandelingen (voorwaardelijk) opzet had op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Ook het medeplegen is niet wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op 1 januari 2018, te Oldenzaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die persoon - terwijl deze op de grond zat - krachtig tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2 primair

het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

6 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer; [verdachte] moest zich verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf en zijn partner [naam 1] . De verdediging van [verdachte] was geboden en gepast en dus is voldaan aan de proportionaliteits- en de subsidiariteitseis. [verdachte] heeft immers geen verdergaand middel gebruikt ter verdediging dan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (klappen en schoppen). Ook is de laatste trap van [verdachte] niet zo duidelijk pas gegeven nadat het gevaar is geweken dat gesproken kan worden van ‘te ver doorschieten in de verdediging’.

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweerexces. Verdachte dient op grond daarvan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Uit de verklaringen van [verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte] en uit het proces-verbaal van de camerabeelden kan duidelijk worden afgeleid dat de situatie zodanig beangstigend was dat [verdachte] volledig in paniek was. Bij [verdachte] was sprake van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht voldoende aannemelijk geworden dat bij [verdachte] een hevige gemoedsbeweging is ontstaan doordat hij zich minutenlang heeft moeten verdedigen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en ziet dat [naam 1] mishandeld wordt zonder dat hij haar kan helpen. Bij [verdachte] overheerste gevoelens van angst, paniek en moedeloosheid.

[verdachte] is te ver gegaan in de verdediging van zichzelf en van anderen, te meer omdat de noodweersituatie was beëindigd. De officier van justitie acht voldoende aannemelijk dat de aanvallen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een hevige gemoedstoestand hebben veroorzaakt, waardoor [verdachte] het geweld heeft gebruikt. Het beroep op noodweerexces slaagt daarom. Verdachte is niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of [verdachte] zichzelf tegen een wederrechtelijke aanval van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft mogen verdedigen. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] enige minuten werd aangevallen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Bovendien werd [verdachte] partner [naam 1] aangevallen door één van de jongens. Tot het moment dat verdachte [verdachte] door [medeverdachte] van [slachtoffer 2] af werd getrokken, was naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bedreigende situatie, het onttrekken aan de situatie geen reëel alternatief voor [verdachte] . Er was dan ook sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. Bovendien stonden de gedragingen niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Dat is evenwel anders vanaf het moment dat [verdachte] door [medeverdachte] van [slachtoffer 2] afgehaald werd. Uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat op het moment dat hij [verdachte] van [slachtoffer 2] aftrok, de situatie onder controle was. De dreiging was afgenomen en vanaf dat moment had [verdachte] zich moeten onttrekken aan de aanranding. Weglopen was op dat moment een reële en redelijke mogelijkheid en kon van verdachte [verdachte] worden gevergd. Verdachte [verdachte] heeft echter [slachtoffer 2] , terwijl deze op de grond lag, in het weglopen een harde trap tegen zijn hoofd gegeven. Het feit is om die reden dan ook strafbaar.

Op grond van artikel 41, tweede lid, Sr is niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad is van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging sprake:

“a. op het tijdstip dat de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (vgl. HR 18 mei 1993, NJ 1993, 691).”

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat voor wat betreft het moment dat [verdachte] door [medeverdachte] van [slachtoffer 2] afgehaald werd de situatie onder controle was en verdediging niet meer noodzakelijk was. Evenwel blijkt uit het dossier, in het bijzonder uit de verklaringen van [verdachte] en [naam 1] , maar ook uit de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring dat deze trap tegen het hoofd het onmiddellijk gevolg was van de hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de aan de trap voorafgaande minutenlange wederrechtelijke aanranding op zijn en zijn partners lijf, welke aanranding heel kort voor verdachtes geweldshandeling geëindigd was. Uit de verklaringen van [verdachte] blijkt dat hij doodsangsten heeft uitgestaan tijdens de minutenlange aanval door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Gevoelens van angst, paniek en moedeloosheid en de drang om ervoor te zorgen dat hij de aanval zou overleven, overheersten gedurende, maar ook direct na de aanval. Alles afwegende is de rechtbank in dit geval van oordeel dat het beroep op noodweerexces slaagt. De rechtbank ontslaat [verdachte] van alle rechtsvervolging.

7 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2 primair: het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 2 primair bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer 2] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] op 4 januari 2018, zakelijk weergegeven, inhoudende op pagina 88:

Omstreeks 04.00 uur zijn [naam 2] en ik lopend naar mijn huis gegaan. In de Dr. Ariënsstraat kwamen we een man en een vrouw tegen die vanuit de tegengestelde richting kwamen lopen.

Terwijl ik op de grond lag ben ik hard door iemand getrapt.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 7 februari 2018, zakelijk weergegeven, inhoudende op pagina’s 39 t/m 41:

W= [naam 1]

H= [medeverdachte]

LC= lichtkleurige capuchon

04:13:34 uur

* [medeverdachte] en * [verdachte] lopen rechts weg en bij het weglopen schopt * [verdachte] hard tegen de op de grond

zittende *LC aan.

3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 oktober 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik herken mij op de camerabeelden. Ik heb het teruggezien. Ik kan niet beseffen dat ik hem heb getrapt.

4.

Het proces-verbaal relaas van onderzoek, inhoudende op pagina 12:

[medeverdachte] en [verdachte] lopen weg rechts uit beeld en bij het weglopen trapt [verdachte] hard met zijn linkervoet tegen het hoofd van [slachtoffer 2] die op dat moment op de grond zit.