Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4119

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
08/952104-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige autobestuurder is veroordeeld tot 6 maanden celstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een rijverbod van 2 jaar. De man reed op 23 januari 2017 in Almelo met veel te hoge snelheid een overstekende fietser aan. De 16-jarige jongen overleed aan zijn verwondingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0917
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952104-17 (P)

Datum vonnis: 1 november 2018

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
18 oktober 2018. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Agelink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een personenauto terwijl hij de maximale snelheid in ernstige mate heeft overschreden, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2017 te Almelo in de gemeente Almelo, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), komende uit de richting Berlagelaan en/of gaande in de

richting Weezebeeksingel, daarmee rijdende op de weg, de Windmolenbroeksweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of belemmerd,

met een (gemiddelde) snelheid ongeveer gelegen tussen de 84 en 93 kilometer

per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte

maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur over die weg (de

Windmolenbroeksweg) heeft gereden en/of

gekomen ter hoogte van de kruising van de Windmolenbroeksweg en de

Ledeboerslaan, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door hem, verdachte

bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was om dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)

tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Windmolenbroeksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met een mobiele telefoon, via het programma facetime met zijn vriendin heeft

gebeld of die mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct

voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Windmolenbroeksweg)

en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een fiets en/of een

bestuurder van die fiets, -welke fietsster doende was om die

Windmolenbroeksweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van rechts naar links

gaande over te steken-, en/of ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets

ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte

een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft

overschreden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 januari 2017 te Almelo in de gemeente Almelo, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting

Berlagelaan en/of gaande in de richting Weezebeeksingel, op de weg, de

Windmolenbroeksweg,

met een (gemiddelde) snelheid ongeveer gelegen tussen de 84 en 93 kilometer

per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte

maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur over die weg (de

Windmolenbroeksweg) heeft gereden en/of

gekomen ter hoogte van de kruising van de Windmolenbroeksweg en de

Ledeboerslaan, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door hem, verdachte

bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was om dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)

tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Windmolenbroeksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een fiets en/of een

bestuurder van die fiets, -welke fietsster doende was om die

Windmolenbroeksweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van rechts naar

links gaande over te steken-, en/of ten gevolge waarvan die bestuurder van die

fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren. Het gedrag van verdachte is te kwalificeren als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam, zodat er sprake is van ernstige schuld, aldus de officier van justitie.

5.2

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij veel te hard heeft gereden en dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de uitkomsten van het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gedane onderzoek naar de snelheid waarmee hij heeft gereden. De raadsvrouw van verdachte stelt zich op het standpunt dat, hoewel er sprake is van een forse overschrijding van de ter plaatse geldende maximale snelheid, dat dit geen ernstige, maar aanmerkelijke schuld oplevert in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

5.3

Beoordeling van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening over de mate van verwijtbare schuld bij verdachte. Nu dit een puur juridische kwalificatie betreft van de aard en de ernst van de feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte is aan te merken als een bekennende verdachte en zal de rechtbank, conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 oktober 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 7 december 2017, pagina 7 e.v.;

  • -

    het rapport ‘Beeldonderzoek naar de snelheid van een auto naar aanleiding van een aanrijding op de Windmolenbroeksweg/Berlagelaan te Almelo op 23 januari 2017’ van het NFI van 21 december 2017; en

  • -

    een geschrift zijnde een door de GGD Twente opgemaakt schouwverslag van
    23 januari 2017.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van ernstige of aanmerkelijke schuld, komt het volgens de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Toegepast op de onderhavige zaak stelt de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op maandag 23 januari 2017, omstreeks 16.20 uur vond op Windmolenbroekseweg te Almelo, ter hoogte van het Vincent van Goghplein een verkeersongeval plaats waarbij een fietser en een personenauto waren betrokken. Als gevolg hiervan is de fietser, de 16-jarige [slachtoffer] , overleden.

De verdachte reed als bestuurder van een Nissan Qashqai over de Windmolenbroekseweg in de richting van de Rembrandtlaan komend uit de richting van de Berlagelaan. [slachtoffer] fietste over de parallelweg van de Windmolenbroekseweg in de richting van de Berlagelaan. Ter hoogte van de Suze Robertsonlaan stak [slachtoffer] de Windmolenbroekseweg over in de richting van het winkelcentrum gelegen aan het Vincent van Goghplein. Op de kruising Windmolenbroeksweg/Ledeboerslaan botste de Nissan met de voorzijde tegen de linkerzijde van de fietser. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij een harde klap hoorde en dat hij vervolgens zag dat de fietser door de lucht vloog en op zijn buik terecht kwam. Nadat de fietser op zijn buik belandde, gleed hij nog enkele meters door. Hij heeft gezien dat de fietser hierbij een spoor van bloed achterliet op het wegdek en dat de auto, de Nissan, een stuk verderop tot stilstand kwam.

De plaats van het ongeval is gelegen binnen de bebouwde kom in de gemeente Almelo. Ter plaatse is een maximumsnelheid van 50 kilometer per (km/h) uur toegestaan.

De lichtgesteldheid was: daglicht. De weersomstandigheden: droog.

Zowel de Nissan als de fiets zijn onderzocht. Voor zover kon worden nagegaan verkeerden beide in een voldoende verkeerstechnische staat van onderhoud en vertoonden zij geen gebreken die eventueel de oorzaak, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

In de omgeving van de plaats van de aanrijding bevinden zich bewakingscamera’s. De beelden van die camera’s zijn onderzocht door deskundigen van het NFI. Deze deskundigen hebben op basis van concrete metingen ter plaatse en analyse van de camerabeelden de gemiddelde snelheid van de auto berekend over een afstand van 40 meter. De beste schatting van de gemiddelde snelheid van de auto bedraagt 88 kilometer per uur (hierna: km/h). Met een betrouwbaarheid van 95% bedraagt de gemiddelde minimale snelheid van de auto over deze afstand 84 km/h en de gemiddelde maximale snelheid 93 km/h.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier diverse getuigenverklaringen bevinden die de uitkomsten van het beeldonderzoek door het NFI ondersteunen. De rechtbank neemt bij de beoordeling dan ook de in het NFI rapport genoemde snelheden tot uitgangspunt.

Uit het dossier blijkt verder dat de Windmolenbroekseweg een voorrangsweg is, met aan beide zijden van de weg een fietsstrook en meerdere kruispunten. Op verschillende plekken naast de fietsstrook bevinden zich parkeerplaatsen. De aanrijding vond plaats vlak voor een zebrapad en in de buurt van een winkelcentrum. Uit de verklaringen van getuigen leidt de rechtbank af dat kort voor het ongeval verdachte meerdere fietsers, die op de fietsstrook fietsten, heeft gepasseerd. Eveneens blijkt uit het dossier dat op verschillende plaatsen op de Windmolenbroekseweg vluchtheuvels zijn gesitueerd.

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij, rijdende over de Windmolenbroeksweg, met een mobiele telefoon, via het programma facetime, met zijn vriendin heeft gebeld of die mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend. Uit het onderzoek van de politie naar de telefoon van verdachte blijkt dat op het moment dat hij over de Windmolenbroeksweg reed die telefoon, via bluetooth, in facetime verbinding stond met de mobiele telefoon van de vriendin van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zijn mobiele telefoon weliswaar via facetime in verbinding stond met de telefoon van zijn vriendin, maar dat hij – voordat hij wegreed – zijn telefoon, met de voorkant naar boven en het scherm op zwart, bovenin zijn tasje heeft gelegd en dat hij niet constant aan het praten was met zijn vriendin. Nu het dossier geen bewijs bevat dat deze verklaring in strijd met de waarheid is, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte, terwijl hij over de Windmolenbroeksweg reed, daadwerkelijk met zijn vriendin aan het facetimen was of zijn mobiele telefoon op andere wijze heeft bediend.

Verdachte had sinds 4 november 2016 zijn rijbewijs.

De rechtbank overweegt dat in het verkeer medeweggebruikers op elkaar moeten kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. Bij het bepalen van de vraag of verdachte hierbij, zoals is ten laste gelegd, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld, zoals vereist bij toepassing van artikel 6 WVW, dient de rechtbank tevens de bijzondere omstandigheden van de zaak bij zijn beoordeling te betrekken.

Verdachte heeft de op hem rustende plicht om de verkeersregels na te leven in ernstige mate geschonden nu de door hem gereden snelheid op het moment van de aanrijding tussen de 84 en 93 kilometer per uur bedroeg, terwijl de ter plaatse maximaal toegestane snelheid 50 km per uur bedraagt. Doordat verdachte de snelheid die ter plaatse was toegestaan in ernstige mate heeft overschreden kon hij niet meer anticiperen op verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers, onder wie het slachtoffer. Bovendien mag in algemene zin van een bestuurder van een personenauto worden verwacht dat hij zijn snelheid zodanig regelt dat hij in staat is om de door hem bestuurde personenauto tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en deze vrij is. Reeds uit de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] heeft aangereden, blijkt dat verdachte daartoe niet in staat was.

Op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen merkt de rechtbank het rijgedrag van verdachte, in de hiervoor geschetste feitelijke situatie, aan als zeer onvoorzichtig. De rechtbank acht voorts bewezen dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en dat [slachtoffer] als gevolg daarvan is overleden.

5.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 23 januari 2017 te Almelo,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Berlagelaan en gaande in de richting Weezebeeksingel, daarmee rijdende op de weg, de Windmolenbroeksweg, zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of belemmerd, met een (gemiddelde) snelheid ongeveer gelegen tussen de 84 en 93 kilometer per uur over die weg (de Windmolenbroeksweg) heeft gereden en

gekomen ter hoogte van de kruising van de Windmolenbroeksweg en de Ledeboerslaan, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was om dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Windmolenbroeksweg) kon overzien en waarover deze vrij was en is gebotst tegen een fiets en een

bestuurder van die fiets, -welke fietser doende was om die Windmolenbroeksweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting, van rechts naar links gaande over te steken-, en ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is als bestuurder van een personenauto met een veel te hoge snelheid en aanzienlijk hoger dan ter plaatse wettelijk was toegestaan en zonder zijn snelheid aan te passen aan de wegsituatie een kruispunt genaderd. Het latere slachtoffer stak op dat moment over. Verdachte heeft hem te laat opgemerkt en is tegen het slachtoffer aangereden. [slachtoffer] is aan zijn verwondingen, die hij door de aanrijding heeft opgelopen, overleden. Door het gedrag van verdachte is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De vader en moeder van [slachtoffer] hebben dit op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht in hun slachtofferverklaringen. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat zij en andere nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.

De rechtbank heeft acht geslagen op de uitspraken ter zake van overtreding van artikel 6 WVW, zowel van deze rechtbank als die van andere rechtbanken en hoven. Hierbij heeft de rechtbank in bijzonder gekeken naar (min of meer) vergelijkbare gevallen waarin sprake is van ernstige schuld met een dodelijke afloop, primair als gevolg van deelname aan het verkeer met een veel te hoge snelheid. Daarnaast heeft de rechtbank ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 WVW. In geval van ernstige schuld vermelden de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er in dit concrete geval omstandigheden zijn die maken dat van die oriëntatiepunten naar boven of beneden afgeweken moet worden.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij ondanks dat hij bekend was met de situatie ter plaatse door hem daar gereden is met een snelheid die niet paste bij die situatie. Door zijn snelheid niet aan te passen is hij voorbij gegaan aan de gevaren daarvan voor zijn kwetsbare mede weggebruikers zoals de meerdere fietsers die daar op dat moment fietsten, onder wie het slachtoffer. Verdachte heeft daarnaast geen rekening gehouden met zijn slechts beperkte rijervaring waardoor hij, mogelijk meer dan een ander, de nodige voorzichtigheid had moeten betrachten. Ook de omstandigheid dat hij die dag niet fit was had voor hem reden moeten zijn extra voorzichtig te rijden.

Ter terechtzitting heeft verdachte aannemelijk gemaakt dat hij veel spijt heeft van zijn verkeersgedrag en dat hij zich zijn verkeersgedrag ook aanrekent. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij nadien op eigen initiatief rijlessen heeft genomen om onder begeleiding weer deel te gaan nemen aan het verkeer. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij tot op de dag van vandaag gebukt gaat onder de gevolgen van zijn handelen. Hij slaapt niet of nauwelijks en als hij slaapt droomt hij over (de gevolgen van) het ongeval. Hij vindt het moeilijk om over het ongeval en de gevolgen te praten. Hij realiseert zich maar al te goed dat hetgeen hij ervaart in het niet valt bij hetgeen de nabestaanden moeten voelen en ervaren.

Er is geen reclasseringsrapportage aangevraagd over verdachte. De rechtbank betreurt dit, maar ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, teneinde alsnog een reclasseringsrapportage te laten opmaken. Heropening van het onderzoek ter terechtzitting zou een te grote belasting zijn voor de nabestaanden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat verdachte hulp en steun van de reclassering kan gebruiken.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit en met zijn jeugdige leeftijd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur onder de gegeven omstandigheden passend en geboden is. Gelet op de ernst van de gevolgen kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden volstaan met een taakstraf zoals door de raadsvrouw is bepleit.

Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid, heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn baan in de ploegendienst bij Vredestein in Enschede. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de ernst van de bewezenverklaarde zwaarder dient te wegen dan deze aangevoerde persoonlijke belangen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de stukken is gebleken dat verdachte, in de eerste drie maanden dat hij de beschikking had over een rijbewijs, twee maal betrokken is geweest bij een aanrijding met een fietser.

De rechtbank zal derhalve, alles afwegende, een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van na te noemen duur.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Mr. I.I. Assink heeft namens de benadeelde partijen, [vader slachtoffer] (vader van het slachtoffer) en [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer), beiden wonende te Almelo, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze vorderingen benadeelde partij ingediend. Beide benadeelden vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 20.000,-- (twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit immateriële schade in de vorm van shockschade. Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van het geestelijk letsel, in de vorm van shockschade, plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partijen wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Dit geestelijk letsel dient, om uit hoofde van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor vergoeding in aanmerking te komen, in rechte te worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Met artikel 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken; voor vergoeding van shockschade is alleen onder strikte voorwaarden plaats. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het misdrijf of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.


Uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partijen en uit de daarbij overgelegde stukken blijkt niet dat er bij vader dan wel moeder een psychiatrisch ziektebeeld is gediagnosticeerd. Wel blijkt uit de stukken dat [vader slachtoffer] in de periode van 6 november 2017 tot en met 30 januari 2018 psychologisch begeleiding heeft ontvangen bij de rouwverwerking. [moeder slachtoffer] heeft verschillende behandelingen gevolgd zoals CGT, rouwbegeleiding en ontspanningstherapie bij Praktijk Mirte te Almelo. Daarnaast blijkt uit een verklaring van de huisarts dat zij in verband met post-traumatische stress klachten begeleiding krijgt van de POH-GGZ. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken dat beide benadeelden hulp hebben gezocht, met name voor de rouwverwerking. De rechtbank kan echter op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hoe ingrijpend het overlijden van hun zoon en de gevolgen hiervan voor de benadeelden ook is, onder deze omstandigheden kan hen geen vergoeding voor geleden shockschade toegekend worden. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zal nader onderzoek noodzakelijk zijn. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De raadsvrouw van de benadeelden heeft subsidiair de rechtbank verzocht om, in het geval de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, wel een oordeel te geven ten aanzien van de andere vereisten voor de toekenning van shockschade. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de specifieke omstandigheden van het geval te ver voert om daarover, vooruitlopend op een mogelijk toekomstige procedure voor de burgerlijke rechter, in deze strafprocedure al een oordeel te geven.

De rechtbank zal om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, Sr en 179 WVW.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt ambulante behandeling door derden voor de (psychische) gevolgen van het bewezenverklaarde feit, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van 2 (twee) jaren;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen: [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] , in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vordering, en dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. H. Stam en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

Mr. Stam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017036230. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.