Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4113

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
C/08/219659 / HA ZA 18-297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Eigendomsrecht. Beroep op aanvullende werking redelijkheid en billijkheid slaagt niet. geen sprake van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/219659 / HA ZA 18-297

Vonnis van 3 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. F.R.H. Kuiper te Hattem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.M. Jochemsen-Vernooij te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 juli 2018,

  • -

    de door [eiser] overgelegde productie 14 van vrijdag 17 augustus 2018,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 23 augustus 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] .

2.2.

[gedaagde] drijft een eenmanszaak en houdt zich bezig met het opfokken en het houden van jongvee voor derden.

2.3.

Omstreeks april 2013 tot en met februari 2016 heeft [eiser] gefaseerd zijn jongvee ondergebracht bij [gedaagde] . Incidenteel zijn ook drooggezette koeien van [eiser] bij [gedaagde] gestald. In die periode zijn de bedrijfsgebouwen van [eiser] verbouwd.

2.4.

[eiser] betaalde een vergoeding van € 1,50 per dier per dag aan [gedaagde] .

2.5.

Op de referentiedatum 2 juli 2015 (zie hierna onder 2.8) verbleven op de boerderij van [gedaagde] 65 dieren van [eiser] , namelijk 22 stuks jongvee jonger dan een jaar, 31 pinken/vaarzen en 12 drooggezette koeien. Bij beschikking van 10 januari 2018 van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RvO) is hieraan 890,1 kilogram fosfaat verbonden en toegekend aan [gedaagde] .

2.6.

De 12 drooggezette koeien zijn niet meegenomen in de toekenning van de fosfaatrechten op 10 januari 2018. [gedaagde] heeft op 20 februari 2018 bezwaar ingediend tegen het toekenningsbesluit van de RvO van 10 januari 2018.

2.7.

De in het geding zijnde fosfaatrechten vertegenwoordigen een waarde van € 182.443,79.

2.8.

In verband met het terugdringen van de fosfaatproductie door de Nederlandse melkveehouderij is met ingang van 1 maart 2017 in werking getreden de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende de invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017), gepubliceerd in de Staatscourant van 17 februari 2017, nr. 9915 en nadien gewijzigd. Op basis van deze regeling moesten agrariërs hun melkveestapel in 2017 afbouwen tot een bepaalde omvang, waarbij de referentiehoeveelheid op 2 juli 2015 leidend was.

2.9.

Per 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet in werking getreden. De voor deze zaak relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:

artikel 21b lid 1:

Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.

artikel 23 lid 3:

Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Artikel 21a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.10.

De Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstuk 34532 nr. 3) vermeldt onder meer:

Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 (onderstreping RB) – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. Bedrijven waar op 2 juli 2015 melkvee werd gehouden krijgen uitsluitend fosfaatrechten toegekend indien zij op de datum van inwerkingtreding van het stelsel van fosfaatrechten nog als bedrijf, als bedoeld in de Meststoffenwet, bij RVO.nl staan geregistreerd. Dit betekent dat landbouwers die tussen de datum van aankondiging van het stelsel, te weten 2 juli 2015, en de datum van inwerkingtreding van het stelsel zijn gestopt met het voeren van een bedrijf geen fosfaatrecht krijgen toegekend. Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is.

2.11.

Melkveehouders die onderling overeenstemming bereiken over een vrijwillige overdracht van fosfaatrechten kunnen dit effectueren via een overschrijvingsformulier van de RvO.

2.12.

Bij brief van 21 november 2017 heeft [X] Bedrijfsadvies (namens [eiser] ) aan [gedaagde] gevraagd mee te werken aan de overdracht van de fosfaatrechten, die aan hem zijn toegekend op grond van het op 2 juli 2015 door [eiser] bij [gedaagde] gestalde jongvee. Bij brief van 22 maart 2018 heeft [eiser] [gedaagde] nogmaals om medewerking verzocht.

2.13.

[gedaagde] heeft geweigerd de fosfaatrechten over te dragen.

2.14.

Na het beëindigen van de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] is [gedaagde] een opfokrelatie voor jongvee aangegaan met [A] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

a. Primair:

om binnen vijf (5) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, alle aan hem, dan wel aan zijn onderneming, toegekende fosfaatrechten over te dragen aan [eiser] , dit op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 350.000,- alsmede tot veroordeling van de door [eiser] geleden schade op te maken bij staat;

Subsidiair:

om binnen vijf (5) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een door de rechtbank te bepalen hoeveelheid fosfaatrechten over te dragen aan [eiser] , dit op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 350.000,- alsmede tot veroordeling van de door [eiser] geleden schade op te maken bij staat;

b. in de proceskosten, waaronder de kosten voor beslaglegging;

c. tot betaling van de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil aan wie de op 10 januari 2018 toegekende fosfaatrechten toekomen, die behoren bij het op 2 juli 2015 bij [gedaagde] gestalde jongvee van [eiser] .

Eigendomsrecht

4.2.

[eiser] doet primair een beroep op haar eigendomsrecht. [eiser] stelt dat zij eigenaar is van het jongvee dat zich op 2 juli 2015 op het terrein van [gedaagde] bevond, zodat de fosfaatrechten die op 10 januari 2018 zijn toegekend, door [gedaagde] overgedragen dienen te worden aan [eiser] . Volgens [eiser] zijn de fosfaatrechten enkel om administratieve redenen aan [gedaagde] toegekend. [gedaagde] stelt - kort gezegd - dat de fosfaatrechten geen verband houden met de eigendomsrechten van het jongvee. [eiser] kan daarom geen aanspraak maken op de fosfaatrechten van [gedaagde] . De rechtbank overweegt op dit geschilpunt als volgt.

4.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat uit de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, de gewijzigde Meststoffenwet, de Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet en uit het arrest van de Hoge raad van 2 juni 1998 (NJ 1998, 714) volgt dat voor de toekenning van fosfaatrechten het houderschap van het jongvee op 2 juli 2015 bepalend is. De juridische eigendomssituatie van het jongvee is niet doorslaggevend voor de toekenning van de fosfaatrechten. Vast staat dat [gedaagde] op 2 juli 2015 houder was van de 65 dieren van [eiser] (zie 2.5). Partijen hebben dat nogmaals op de zitting bevestigd. De rechtbank oordeelt daarom dat de op 10 januari 2018 aan [gedaagde] toegekende fosfaatrechten, die samenhangen met het gestalde jongvee van [eiser] , conform de geldende wettelijke regeling toevallen aan [gedaagde] . [eiser] kan op grond van het eigendomsrecht geen aanspraak maken op de aan [gedaagde] toegekende fosfaatrechten.

De rechtbank zal hierna beoordelen of [gedaagde] , in zijn civielrechtelijke verhouding met [eiser] , gehouden is om de fosfaatrechten over te dragen.

Redelijkheid en billijkheid

4.4.

Tussen [eiser] en [gedaagde] heeft op grond van een overeenkomst een verbintenisrechtelijke verhouding bestaan. [eiser] heeft haar vordering op die verhouding gebaseerd met het door haar gedane beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 BW. [eiser] stelt dat de referentiedatum van 2 juli 2015 ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met [gedaagde] nog niet bestond, noch was deze voorzienbaar. In het onderhavige geval ging het om een tijdelijke overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] in het kader van een verbouwing van de stallen van [eiser] . In de periode tussen 2013 en 2016 droeg [eiser] altijd het ondernemingsrisico voor de dieren. Volgens [gedaagde] was de referentiedatum bewust gekozen door de wetgever, omdat boeren vanaf deze datum bekend werden geacht met het mogelijk invoeren van een stelsel van fosfaatrechten. Partijen hebben geen nadere afspraken gemaakt over de verdeling van fosfaatrechten. [gedaagde] bestrijdt ook dat het ging om een samenwerking voor een korte tijd. Partijen zijn een opfokovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd. De opfokrelatie van het gestalde jongvee heeft over een langere periode plaatsgevonden tussen 2013 en 2016. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.5.

Voor de vraag of [gedaagde] , in het licht van hetgeen partijen zijn overeengekomen en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, zijn medewerking moet verlenen aan de overdracht van (een deel van) de fosfaatrechten, acht de rechtbank het volgende van belang. Zoals hiervoor al is overwogen zijn de fosfaatrechten op grond van de wettelijke regeling gekoppeld aan de houder van het jongvee. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in te zien dat [gedaagde] op grond van de aanvullende redelijkheid en billijkheid aan de eisen van [eiser] tegemoet dient te komen. De door [eiser] aangevoerde argumenten dat er sprake zou zijn van een tijdelijke overeenkomst en dat zij haar jongvee enkel in het kader van de verbouwing van haar stallen bij [gedaagde] had ondergebracht maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook in het geval van tijdelijkheid en uitgeschaarde dieren gaat het wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten niet om wie de eigenaar was van het jongvee op de peildatum van 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weide en de verzorging op zich nam (Kamerstuk 34 532, nr. 3, p. 19-20). Aan bewijslevering voor de stelling van [eiser] dat partijen enkel een tijdelijke relatie zijn aangegaan in verband met de voorgenomen verbouw van de stallen van [eiser] hoeft daarom niet worden toegekomen.

4.6.

De rechtbank constateert dat de wettelijke regeling onbillijk uitpakt voor [eiser] . Dat valt echter niet aan [gedaagde] te wijten. Door het buiten werking stellen van de wettelijke regeling en met het afstaan van de fosfaatrechten ten gunste van [eiser] zou er een onbillijke situatie ontstaan voor [gedaagde] . De rechtbank betrekt daarbij dat [gedaagde] - onvoldoende betwist - heeft gesteld dat hij fosfaatrechten nodig heeft voor het opfokken van het jongvee van onder meer [A] en dat bij een gedwongen overdracht van de fosfaatrechten aan [eiser] de continuïteit van zijn eigen bedrijf in gevaar komt. Of op 2 juli 2015 al dan niet voorzienbaar was dat de situatie op die datum bepalend zou zijn voor de berekening van de fosfaatrechten maakt ook deze belangenafweging niet anders. Partijen hebben bij het aangaan van de overeenkomst in 2013 geen bijzondere afspraken gemaakt over de fosfaatproblematiek en de verdeling van fosfaatrechten, althans daartoe zijn geen onderbouwde feiten en omstandigheden voor aangedragen. Zelfs in het geval [eiser] inderdaad het volledige ondernemersrisico heeft gedragen voor het jongvee - hetgeen onvoldoende is onderbouwd -, dan nog is [gedaagde] gelet op zijn belang bij het behouden van de fosfaatrechten, niet gehouden om zijn fosfaatrechten om die enkele reden aan [eiser] over te dragen.

4.7.

Het voorgaande leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat een beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid niet slaagt. Ook op dit punt zal de rechtbank de vordering daarom afwijzen.

Onrechtvaardigde verrijking

4.8.

[eiser] stelt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd ten koste van haar is verrijkt. [gedaagde] verweert zich en stelt dat zij niet ongerechtvaardigd is verrijkt.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) allereerst sprake moet zijn van een verrijking van de een en verarming van de ander. Daartussen dient een causaal verband te bestaan. Ten slotte moet de verrijking ongerechtvaardigd zijn, hetgeen het geval zal zijn indien hieraan geen redelijke oorzaak ten grondslag ligt. Het gevolg van ongerechtvaardigde verrijking is dat door de verrijkte aan de verarmde schadevergoeding moet worden betaald.

Deze schadevergoedingsverbintenis wordt begrensd aan de ene kant door de hoogte van de verrijking en de andere kant door de verarming in die zin dat nooit meer dan de verrijking en nooit meer dan de geleden schade behoeft te worden betaald. Verder wordt de schadevergoedingsverbintenis begrensd door de redelijkheid. Deze redelijkheid dient er met name toe om opgedrongen verrijkingen te voorkomen.

4.10.

Het feit dat aan [gedaagde] fosfaatrechten zijn toegekend op basis van het jongvee van [eiser] , kan in beginsel worden gezien als een verrijking ten koste van [eiser] . Daar staat echter tegenover, dat [eiser] de aan [gedaagde] toegekende fosfaatrechten nooit heeft gehad en [eiser] dus in het onderhavige geval niet is verarmd. De stelplicht en, zo nodig, de bewijslast rusten conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiser] , die zich beroept op ongerechtvaardigde verrijking. [eiser] heeft haar stelling dat zij is verarmd verder niet met feiten onderbouwd. Niet valt in te zien dat [eiser] is verarmd doordat zij niet de beschikking heeft over fosfaatrechten waarvan zij nimmer rechthebbende en eigenaar is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de stelling dat zij is verarmd.

4.11.

Indien wel sprake zou zijn van verarming van [eiser] , is bovendien in deze procedure niet vast komen te staan dat de verrijking van [gedaagde] ongerechtvaardigd is. Dat de fosfaatrechten conform de wettelijke regeling worden toegekend aan de houder van de dieren en niet aan de juridisch eigenaar van de dieren valt niet aan het handelen van [gedaagde] te wijten.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde] en kan [eiser] op basis daarvan geen aanspraak maken op een schadevergoeding.

Onrechtmatig handelen

4.13.

Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, heeft zij daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Op grond van het huidige wettelijke systeem is [gedaagde] rechthebbende en eigenaar van de fosfaatrechten (zie 4.2). De enkele feiten dat [gedaagde] de fosfaatrechten toegekend heeft gekregen omdat de dieren van [eiser] tijdelijk op het UBN-nummer van [gedaagde] stonden bijgeschreven en dat [gedaagde] niet wil meewerken aan het overdragen van de fosfaatrechten, betekent niet zonder meer dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. De rechtbank passeert daarom ook deze stellingen van [eiser] .

4.14.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 291,-

- salaris advocaat € 1.086,- (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.377,-

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.377,-,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2018.