Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4082

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 358
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering aansprakelijkheid te erkennen voor ongeval in en bij cel PI Almelo op moment waar tevens een drugshond werd ingezet; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/358

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] te [woonplaats] verzoekster,

gemachtigde: mr. L.N. Mensonides,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: H.J. Kleine).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor het ongeval dat verzoekster op 5 juni 2015 is overkomen.

Bij een op 14 februari 2018 bij de rechtbank ontvangen schrijven van 13 februari 2018 heeft verzoekster een verzoek ingediend om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2018.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine, F. Geers, P. van den Dolder en D. de Ruiter.

Overwegingen

1. Verzoekster, geboren op [geboortedatum] , was laatstelijk werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker voor 36 uur per week in dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen (Sector Gevangeniswezen, PI Almelo afdeling D) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

In die hoedanigheid verrichtte verzoekster op 5 juni 2015 werkzaamheden in en nabij cel D21, waar op dat moment tevens een drugshond werd ingezet. Daarbij is verzoekster, naar zij stelt, door de riem van de hond ten val gekomen waarbij zij ernstig letsel heeft opgelopen, te weten: hersenschudding, radiuskopfractuur rechts, TFCC letsel re- en li-pols, gebroken trapeziumbotje links, heupletsel en knieletsel.

Verweerder heeft dat ongeval niet aangemerkt als een dienstongeval.

Bij brief van 15 juni 2016 heeft verzoekster verweerder aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade

Bij brief van 12 oktober 2016 heeft verweerder die aansprakelijkheid afgewezen.

2. Met het onderhavige verzoek van 15 februari 2018 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Verzoekster stelt dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 6:181, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) en/of artikel 7:658 van het BW, dan wel op grond van overeenkomstige toepassing, aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Zij stelt dat haar klachten zijn veroorzaakt door de val en zeer waarschijnlijk niet meer geheel zullen verdwijnen. Verzoekster stelt dat zij door de val het hiervoor onder 1 genoemde letsel heeft en gedurende één jaar aan beide polsen last heeft gehad van posttraumatische dystrofie. Zij stelt dat er sprake is van blijvend letsel en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Zij verzoekt verweerder te veroordelen in de tot 1 februari 2018 berekende schade, van € 18.212,--. Verzoekster stelt dat de schade bestaat uit het moeten inschakelen van huishoudelijke hulp € 9.215,00

het verlies aan ‘zelfwerkzaamheid’/tuinonderhoud € 1.556,10

gemaakte ziektekosten € 1.967,94

reiskosten € 177,36

overige kosten (o.a. kleding, telefoon, extra stookkosten) € 5.296,00

Totaal € 18.212,40

Daarnaast wijst verzoekster er op verlies aan verdienvermogen te hebben, dat de kosten voor huishoudelijk hulp doorlopend zijn en dat zij nog geen bedrag voor smartengeld heeft opgenomen in deze opsomming.

3. Verweerder stelt dat van risicoaansprakelijkheid geen sprake kan zijn, dat voldaan is aan de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW omdat die plicht niet zo ver gaat dat elk denkbaar risico moet worden uitgebannen. Van hem kan niet worden verwacht dat hij zijn personeel waarschuwt voor geringe gevaren als gevolg van algemeen gebruikelijke objecten, zoals een op de grond liggende hondenriem of hond. Verweerder stelt dat het ongeval het ge- volg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en kon plaatsvinden.

4.1

Ingevolge artikel 8:88, aanhef en onder d, Awb, in samenhang met artikel 8:2, eerste lid onder a, ten eerste, Awb en artikel 8:89, eerste lid, Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over de vergoeding van schade aan een ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet, als die schade is ontstaan in de relatie tussen de ambtenaar en het overheidslichaam.

De bestuursrechter zoekt in de beoordeling aansluiting bij de artikelen 6:95 en verder van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij ligt het in beginsel op de weg van de persoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit, aannemelijk te maken dat die schade er is en dat die schade moet worden toegerekend aan het gebrek dat aan het onrechtmatige besluit kleeft.

De rechtbank zal beoordelen of de grondslag van eventuele vergoeding van de schade ten gevolge van het haar op 5 juni 2015 overkomen ongeval is gelegen in de aansprakelijkheid voor het gebruik van dieren in de uitoefening van een bedrijf als bedoeld in artikel 6:181, eerste lid, en artikel 6:179 van het BW dan wel in schending van de zorgplicht en of de schade voor toewijzing in aanmerking komt.

4.2

In artikel 6:179 van het BW is bepaald dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

In artikel 6:181, eerste lid, van het BW is voorts, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de in de artikelen 6:179 bedoelde dieren worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, de aansprakelijkheid uit de artikel 179 dan rust op degene die dit bedrijf uitoefent.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat (in ieder geval een deel van) de schade is ontstaan door een ongeval tijdens werktijd en dat verzoekster vooralsnog aantoonbare schade heeft geleden en deels nog lijdt. Evenmin is in geschil dat het doorzoeken van cellen met een drugshond tot de weliswaar niet dagelijkse, maar wel gebruikelijke gang van zaken bij de PI behoort en dat de cellen daarna door een PIW-er worden gecontroleerd.

Voor aansprakelijkheid van de werkgever op grond van de hiervoor genoemde artikelen staat evenwel de vraag centraal of het dier het ongeluk heeft veroorzaakt.

De rechtbank stelt op grond van de afgelegde verklaringen vast dat het onduidelijk is of eiseres, komend vanuit cel D21, over de drugshond, dan wel diens hondenriem is uitgegleden/gevallen, maar dat in ieder geval niet aannemelijk is dat de hond al voor die val spontaan in beweging is gekomen of op gesprongen als gevolg waarvan verzoekster door de voort slepende riem of de hond zelf ten val kwam. Dat is alleen door verzoekster zelf verklaard. De overige getuigen hebben, voor zover zij het hebben kunnen waarnemen, verklaard dat de hond op de grond lag. Voor zover de hond al op zou zijn gesprongen is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand ligt dat de beweging van de hond een reactie was op de actie van verzoekster en niet de val heeft oorzaak.

Van aansprakelijkheid op grond van het bepaalde in artikel 6:181, eerste lid van het BW, is dan ook geen sprake.

4.3

Met betrekking tot de zorgplicht overweegt de rechtbank dat het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106) tegenover de ambtenaar een zorgplicht heeft. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

Van de zijde van verzoekster is aangegeven dat de werkgever instructies had moeten opstellen met betrekking tot het gebruik van de drugshond (mede) gericht op de veiligheid van het personeel. Verweerder kent een protocol ten aanzien van de “landelijke inzet drugshonden” maar daarin zijn dergelijke instructies niet opgenomen.

De rechtbank volgt verzoekster niet in haar betoog. De zorgplicht strekt niet tot het uitbannen van elk denkbaar risico, maar tot het treffen van maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs kunnen worden gevergd van de werkgever om de veiligheid van de ambtenaar te waarborgen. Van verweerder mag niet worden verwacht dat hij waarschuwt voor geringe en/of alledaagse gevaren als gevolg van algemeen gebruikelijke objecten, zoals de aanwezigheid van een hond waarover kan worden gestruikeld. De aanwezigheid van een drugshond is op zich niet zodanig gevaar zettend is dat verweerder op voorhand tot in detail instructies had moeten opstellen, bijvoorbeeld over de plek waar een hond in ruste zou moeten staan of liggen teneinde te voorkomen dat er over wordt gestruikeld.

Het beroep op de zorgplicht kan derhalve niet slagen.

4.4

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van verzoekster ten gevolge van het haar op 5 juni 2015 overkomen ongeval. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding zal afwijzen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. W.M.B. Elferink, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

griffier buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.