Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4067

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
205225 HAZA 17-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST) volledig aansprakelijk is voor de medische fouten van één van haar medewerkers waardoor bij een patiënt blijvend letsel aan de pink is ontstaan. De rechtbank veroordeelt het MST tot betaling van in totaal zo'n 74.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0436
PS-Updates.nl 2018-0883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 205225 HAZA 17-336

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. M.J.E.C. Camps, advocaat te Enschede,

tegen

stichting STICHTING MEDISCH SPECTRUM TWENTE,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij, hierna te noemen het MST,

gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 maart 2018;

- het proces-verbaal van de comparitie, gehouden op 19 juli 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het MST voor de door [eiser] , als gevolg van het handelen van [medewerker MST] , geleden en te lijden schade aansprakelijk is. Anders dan tijdens de comparitie namens het MST meermaals naar voren is gebracht, staat de omstandigheid dat de deskundige (Willems) niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen waaruit de kunstfout van [medewerker MST] bestaat aan aansprakelijkheid niet in de weg. De deskundige heeft drie mogelijke oorzaken voor het ontstane letsel genoemd, te weten dat [medewerker MST] - ten onrechte - in de pees heeft geprikt, dan wel een verkeerde dosering vloeistof heeft gebruikt, of een combinatie van beide. In alle drie die opties is er, aldus de deskundige, sprake van een niet lege-artis uitgevoerde behandeling, oftewel van een kunstfout. Dat levert een toerekenbare tekortkoming op, waarvoor het MST aansprakelijk is. De rechtbank handhaaft dat oordeel.

2.2.

Uitgaande van die aansprakelijkheid dient het causaal verband tussen het tekortschieten van [medewerker MST] en de daaruit voortvloeiende beperkingen van [eiser] te worden vastgesteld.

Om de omvang van het causaal verband vast te stellen moet worden uitgegaan van het verschil in het te verwachten resultaat bij een geslaagde behandeling (in dit geval de naaldaponeurotomie) en de huidige medische eindtoestand. Dat een andere behandeling had moeten worden uitgevoerd omdat naaldaponeurotomie überhaupt niet uitgevoerd had mogen worden is niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld of gebleken. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [medewerker MST] onvoldoende voorlichting over de (on)mogelijk-heden heeft gegeven, zoals namens [eiser] is bepleit, kan dat niet tot de conclusie leiden dat de naaldaponeurotomie niet had mogen worden toegepast. Daarmee is voor de causaliteit het hiervoor genoemde verschil in resultaat bepalend.

2.3.

Een adequaat uitgevoerde naaldaponeurotomie, waarbij het opgetreden peesletsel niet was ontstaan, zou blijkens het rapport van de deskundige (antwoord op vraag 4a) hebben geleid tot ‘een geringe tot geen extensiebeperking in de vijfde straal’ (de pink). In het antwoord op vraag 4b voegt de deskundige daar aan toe dat in de praktijk nogal eens een extensietekort blijft bestaan van 20 (graden, toevoeging rechtbank), hetgeen zou leiden tot een invaliditeit van 0 tot 2%.

De mate van invaliditeit is - anders dan namens het MST tijdens de comparitie is betoogd - niet bepalend voor de vraag welke beperkingen [eiser] ondervindt van de functiebeperking van de pink van zijn dominante hand. De pink is na een zevental operaties in december 2017 uiteindelijk met een pin vastgezet in een licht gebogen stand.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de mate van de beperkingen en daaruit voortvloeiende schade benoeming van deskundigen, een verzekeringsgeneeskundige en aansluitend een arbeidsdeskundige, niet noodzakelijk is. De rechtbank zal de schade van [eiser] , uitgaande van de door hem ondergane ingrepen en de daaraan destijds verbonden beperkingen, alsmede uitgaande van de huidige eindtoestand vaststellen, althans naar redelijkheid begroten.

2.4.

[eiser] heeft ter zake van de navolgende posten, over de periode tot en met eind december 2016, schadevergoeding gevorderd.

- Reiskosten:

Nu het MST deze post ter zitting heeft erkend, zal de vordering ten bedrage van € 250,- worden toegewezen.

- Huishoudelijke hulp:

[eiser] heeft een bedrag gevorderd van € 1.440,-, uitgaande van 24 weken volledige uitval thuis, gebaseerd op 4 uur per à € 15,- per uur. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat hij, net als zijn echtgenote die eveneens buitenshuis werkt, voor zijn uitval een relevante bijdrage leverde aan de taken in huis, waarvan hij de omvang daarvan schat op ca. 4 uur per week. [eiser] heeft er op gewezen dat zijn gehandicapte zoon het nodige extra huishoudelijke werk oplevert omdat hij zelf niets opruimt. Het MST betwist dat [eiser] voor zijn uitval thuis huishoudelijke klussen verrichtte. Dat algemeen geformuleerde verweer wordt, gelet op de realistisch te noemen inschatting door [eiser] , als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Ook deze vordering ligt voor toewijzing gereed.

- Extra telefoonkosten.

Nu het MST deze post ter zitting heeft erkend, zal de vordering ten bedrage van € 100,- worden toegewezen.

- Kosten tuinman

[eiser] heeft, onderbouwd met nota's, over de jaren 2012 tot en met 2016 een bedrag gevorderd van in totaal € 4.543,50. Het MST heeft de hoogte van deze vordering betwist en meent dat slechts een eenmalig bedrag van ca. € 1.000,- tot € 1.500,- voor vergoeding in aanmerking komt.

De tuin van [eiser] is ongeveer 200 m2 groot. De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiser] die voor een belangrijk deel zelf onderhield, doch acht het gelet op én zijn levensstandaard én het gegeven dat zijn gehandicapte zoon al een extra belasting met zich brengt, evenzeer aannemelijk dat [eiser] ook wel eens een tuinman inschakelde. De rechtbank begroot de schade over de jaren 2012 tot en met 2016 in redelijkheid op een bedrag van € 750,- per jaar, derhalve in totaal € 3.750,-. Hetgeen ter zake meer wordt gevorderd, wordt afgewezen.

Op de vanaf 2017 gevorderde kosten voor tuinonderhoud wordt hieronder nader ingegaan.

- Kosten tennisbaan.

Nu het MST deze post ter zitting heeft erkend, zal de vordering ten bedrage van € 1.710,00 worden toegewezen.

- Computer onderhoud zoon

[eiser] vordert vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken voor computerhulp ten behoeve van zijn gehandicapte zoon ten bedrage van € 1.187,50 over de periode t/m 2014. [eiser] heeft betalingsbewijzen in het geding gebracht. Het MST heeft betwist gehouden te zijn om deze kosten te vergoeden omdat het hier geen schade van [eiser] , maar schade van zijn zoon betreft. Voorts betwist het MST het causaal verband. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze schadepost in dit specifieke geval wel als schade geleden door [eiser] te worden beschouwd, nu het hier werkzaamheden ten behoeve van zijn gehandicapte zoon betreft, die [eiser] altijd zelf voor hem deed, nu niet kon doen en waarvan [eiser] de kosten ook daadwerkelijk voor zijn zoon heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de zoon van [eiser] een eigen inkomen heeft waaruit hij dergelijke kosten voldoet/kan voldoen.

De algemene geformuleerde betwisting dat het causaal verband ontbreekt wordt verworpen, nu [eiser] voldoende heeft toegelicht waarom hij in de periode waarop dit deel van de vordering betrekking heeft genoemde werkzaamheden niet voor zijn zoon kon verrichten. Het gevorderde bedrag ad € 1.187,50 zal worden toegewezen.

- Arbeidsvermogensverlies

[eiser] vordert de gemiste managementfee tot 1 januari 2014. Hij zou na de verkoop van zijn bedrijf daar, via zijn management-BV, nog tot 1 januari 2014 werkzaamheden verrichten waarvoor zijn management-BV een fee ontving van € 11.900,- per maand (randnummer 74 e.v. dagvaarding). [eiser] ontving zijn loon vanuit de management-BV. Daarin vond ook pensioenopbouw plaats, hoe is niet gespecificeerd.

Over het bedrag dat [eiser] tot 1 oktober 2012 (privé) heeft ontvangen overweegt de rechtbank als volgt. In de dagvaarding staat dat [eiser] tot 1 oktober 2012 € 11.900,- per maand aan fee heeft gehad, terwijl [eiser] tijdens de comparitie van partijen desgevraagd heeft verteld dat hij aan inkomen € 8.000,- bruto per maand ontving tot 1 oktober 2012 en vanaf die datum een bedrag van € 5.000,- bruto per maand. Nu ‘fee’ gebruikelijk het tarief betreft dat een management-BV bij een opdrachtgever in rekening brengt en de betreffende werknemer vervolgens loon vanuit zijn management-BV ontvangt, begrijpt de rechtbank de stelling aldus dat de fee die werd betaald aan de management-BV € 11.900,- bedroeg en [eiser] aan loon aanvankelijk € 8.000,- en vanaf 1 oktober 2012 € 5.000,- ontving. Daarvan uitgaande berekend de rechtbank de schade ter zake van arbeidsvermogensverlies van [eiser] als volgt.

Met ingang van 1 oktober 2012 is de overeenkomst van opdracht beëindigd vanwege de frequente en langdurige uitval van [eiser] als gevolg van het letsel aan zijn pink. Zijn management-BV heeft sindsdien geen fee meer ontvangen en [eiser] een lager loon, de genoemde € 5.000,-. [eiser] heeft bij dagvaarding (wederom randnummer 74) zijn schade begroot op 15 maal € 11.900,-, doch een bedrag van € 85.377,- gevorderd. De omvang van de schade is op verzoek van [eiser] door NRL te Den Haag begroot op € 85.377,-.

Het MST heeft de verschuldigdheid van deze schadepost betwist nu niet [eiser] maar zijn vennootschap deze schade lijdt, [eiser] zelf een beëindigingsovereenkomst heeft gesloten en hij zijn werkzaamheden deels had kunnen uitvoeren.

[eiser] heeft ter zitting toegelicht dat het uitvoeren van zijn werkzaamheden in het kader van de overeenkomst van opdracht, omdat hij daarvoor veel met de auto op pad moest en veel computerwerk te doen had, niet realistisch was en er voor zijn voormalige bedrijf, de opdrachtgever, geen of te weinig perspectief in voortzetting van de relatie zat. Om die reden heeft hij met beëindiging ingestemd.

Dat [eiser] met de beëindiging van de overeenkomst van opdracht heeft ingestemd staat aan toekenning van schadevergoeding niet in de weg. Wel zal bij bepaling van de hoogte daarvan rekening moeten worden gehouden met enige restverdiencapaciteit, zoals door het MST bepleit.

In deze procedure gaat het om de schade van [eiser] , niet om schade van zijn management-BV. Nu [eiser] in plaats van € 8.000,- bruto per maand over de periode van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2014 aan salaris € 5.000,- bruto per maand ontving, begroot de rechtbank zijn inkomensschade op vijftien maanden maal € 3.000,-, derhalve € 45.000,- bruto. Dat de restverdiencapaciteit van [eiser] een bedrag van € 5.000,- per maand te boven gaat is niet aannemelijk.

Het toe te wijzen bedrag is lager dan het door het NRL berekende bedrag. Het NRL heeft de schade begroot op € 85.377,-. De rechtbank mist bij die berekening een toelichting waaruit blijkt welke uitgangspunten zijn gehanteerd en waarom. Zo is niet duidelijk welke schade nu precies is berekend, de inkomensschade van [eiser] en/of de schade van de management-BV en/of schade van [eiser] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. De berekening is voor de rechtbank daarom niet bruikbaar.

Het door de rechtbank berekende bedrag van € 45.000,- bruto zal worden toegewezen, hetgeen meer is gevorderd wordt afgewezen.

2.5.

[eiser] heeft ter zake van de kosten tuinonderhoud ook schadevergoeding gevorderd over de jaren na 2016, als ‘pm’ post. Nu een medische eindtoestand is bereikt ziet de rechtbank geen reden de begroting daarvan aan te houden. De rechtbank zal de schade naar redelijkheid begroten en overweegt daartoe het volgende.

Het MST heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en daartoe - ter comparitie - betoogd zich niet te kunnen voorstellen dat iemand met een functionele invaliditeit van 3% niet meer in de tuin kan werken. De mate van invaliditeit zegt evenwel niets over de concrete beperkingen en de hoogte van de daaruit voortvloeiende schade. [eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen toegelicht waarom hij een groot deel van de tuinwerkzaamheden niet kan verrichten. De rechtbank acht die toelichting afdoende.

Gelet op de eindtoestand van de pink moet [eiser] wel in staat geacht te worden wat kleine klusjes in de tuin te doen, maar het grote werk, alsook schoffelen en vegen lijkt gelet op de toelichting van [eiser] niet realistisch. Daarnaast moet er ook rekening mee worden gehouden dat met het klimmen der jaren vaker een tuinman wordt ingeschakeld en dat, gelet op de aandoening die [eiser] heeft, ook op een later moment verdere beperkingen kunnen optreden die tot inzet van een tuinman zouden leiden.

Voorts speelt de levensstandaard van [eiser] , die zodanig is dat inschakeling van een tuinman niet ongebruikelijk is, bij de begroting mee.

Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank het begroten van de post 'kosten tuinman' tot het 75-ste levensjaar niet reëel. De rechtbank begroot deze in redelijkheid op een bedrag van € 500,- per jaar tot het 65-ste levensjaar.

Dat komt, berekend over zeven jaar, neer op een bedrag van € 3.500,-. Nu de periode waarover de vordering wordt toegewezen relatief kort is, ziet de rechtbank geen aanleiding tot kapitalisatie over te gaan.

2.6.

Het MST heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde smartengeld van € 15.000,-. De rechtbank zal indachtig het gegeven dat [eiser] in totaal zeven maal is geopereerd aan zijn pink, de door hem ondervonden beperkingen en de uiteindelijk blijvende functionele beperkingen aan smartengeld een bedrag van € 5.000,- toekennen. Het MST zal tot betaling daarvan worden veroordeeld.

2.7.

In totaal zal de rechtbank ter zake van de hiervoor vermelde schadeposten het MST veroordelen tot betaling van een bedrag van € 61.937,50. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar zoals gevorderd, nu de ingangsdatum door het MST niet is betwist.

2.8.

Diverse posten

De vordering ter zake van de kosten van de deskundige, welke kosten dienden ter vaststelling van de omvang van de schade, ligt eveneens voor toewijzing gereed. Het MST zal veroordeeld worden tot betaling van het gevorderde bedrag van € 3.499,32. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de verschillende vervaldata van de facturen.

De vordering ter zake van de kosten van de medisch adviseur van de gemachtigde van [eiser] ten bedrage van € 907,50 zijn toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de vervaldatum van de factuur.

De kosten van het NRL ten bedrage van € 1.887,60 zullen, nu zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, de aan het rapport ten grondslag gelegde uitgangspunten onvoldoende helder zijn en het rapport niet bruikbaar is, als nodeloos gemaakt worden afgewezen.

[eiser] vordert kosten rechtsbijstand, tot aan de dagvaarding begroot op € 10.773,84. Het MST heeft voor wat betreft de hoogte van de vordering verweer gevoerd. De rechtbank zal, nu de buitengerechtelijke werkzaamheden vooral hebben bestaan uit het inschakelen van deskundigen en verzending van een onevenredige grote hoeveelheid e-mails, deze kosten begroten op een bedrag van € 5.500,-. Dat bedrag zal, tot dagvaarding, worden toegewezen.

Nu niet gesteld of gebleken is dat [eiser] deze kosten reeds heeft voldaan en, zo ja wanneer, zal de wettelijke rente hierover worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, te weten 20 juli 2017.

2.9.

De gevorderde belastinggarantie, waartegen het MST geen, althans geen voldoende onderbouwd verweer heeft gevoerd, ligt voor toewijzing gereed.

2.10.

Het MST zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 103,10 aan explootkosten, € 1.545,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris van zijn advocaat (3 punten x tarief IV).

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat het MST jegens [eiser] volledig aansprakelijk is voor de medische kunstfouten van drs. [medewerker MST] bij de naaldaponeurotomie en dat als gevolg van die medische kunstfouten blijvend letsel is ontstaan;

3.2.

veroordeelt het MST om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van:

- € 61.937,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- € 3.499,32 ter zake van de deskundige, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen;

- € 907,50 ter zake kosten medisch adviseur, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur;

- € 5.500,- ter zake van kosten rechtsbijstand voor dagvaarding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2017;

3.3.

bepaalt dat het MST een belastinggarantie zal verstrekken aan [eiser] over de aan [eiser] uitgekeerde schade;

3.4.

veroordeelt het MST in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.648,10 ter zake van verschotten en € 3.222,- ter zake van salaris van zijn advocaat;

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.W. de Groot, A.M.S. Kuipers en K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken door mr. K.J. Haarhuis op 19 september 2018.