Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4056

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
C/08/200484/HAZA 17-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bij ten onrechte gelegd beslag. Beoordeling schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton- en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/200484/HAZA 17-171

datum vonnis: 19 september 2018

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken,
in de zaak van:

1 wijlen [eiser] ,

2. [eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder te noemen: [eisers]

,

advocaat: mr. D.P. Kant te Goor,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
V.N.I. Enschede B.V.,

gevestigd te Geesteren (O),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

V.N.I. Vastgoed B.V.,

gevestigd te Geesteren (O),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 2] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats 3] ,

6. [gedaagde 6],

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 7] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

8. [gedaagde 8],

wonende te [woonplaats 4] ,

gedaagden,

advocaat: mr. D.S. Teitler te Nijmegen.

Eiser sub 1 zal verder genoemd worden [eiser] en eisers samen ook [eisers] . Gedaagde sub 1 zal VNI Enschede genoemd worden. Gedaagden zullen samen ook genoemd worden VNI.

1 Het procesverloop

1.1

De volgende gedingstukken zijn gewisseld en de volgende proceshandelingen hebben plaatsgevonden:

  • -

    i) dagvaarding met 127 producties;

  • -

    ii) conclusie van antwoord; waarna

  • -

    iii) de rechtbank op 28 juni 2017 een tussenvonnis heeft gewezen waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    iv) die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt, waaraan

  • -

    v) pleitnotities van mr. Kant en

  • -

    vi) pleitnotities van mrs. Teitler en Sahhar zijn gehecht, terwijl

  • -

    vii) mr. Kant bij brief van 3 januari 2018 aanvullende producties (genummerd 128 tot en met 133) in het geding heeft gebracht en

  • -

    viii) op 16 januari 2018 een akte vermindering van eis heeft genomen.

1.2

De rechtbank heeft vonnis bepaald op heden.

2
2.De feiten

De volgende feiten kunnen, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, en voor zover hier van belang, als vaststaand worden aangenomen.

2.1

Het geschil tussen partijen vindt zijn oorsprong in een huurgeschil met betrekking tot kantoorruimte te Enschede aan de Neptunusstraat 23-25 waarvan VNI Enschede eigenaar was. De schriftelijke huurovereenkomst van 14 maart 2002 vermeldt Xenon Computers vof (verder: Xenon vof) als huurder.

2.2

[eiser] en zijn zoon [A] waren, samen met [B] , de vennoten van Xenon vof.

2.3

In september 2002 hebben [A] en [C] Xenon Webstore B.V. (verder: Xenon BV) opgericht, althans zijn zij aandeelhouders van Xenon BV geworden. [A] en [C] waren tevens (indirect) bestuurder van Xenon BV.

2.4

De onderneming van Xenon vof is voortgezet door Xenon BV. [A] en [C] hebben hieromtrent hun zakelijke relaties, waaronder VNI Enschede, bij brief van 15 oktober 2002 geïnformeerd.

2.5

VNI Enschede heeft op 11 december 2003 conservatoir beslag gelegd op de woning van eisers te [plaats] .

2.6

VNI Enschede is op 23 december 2003 bij de rechtbank Almelo een procedure begonnen tegen [eiser] , [A] en Xenon vof. VNI Enschede eiste onder meer betaling van achterstallige huur. Deze zaak is in eerste instantie geëindigd met een vonnis van de kantonrechter te Enschede van 13 april 2010. De kantonrechter wees de vordering van VNI Enschede toe, dat wil zeggen de achterstallige huur tot 16 september 2005, een bedrag ter zake van boete en een bedrag ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Het Gerechtshof Arnhem heeft in hoger beroep op 2 oktober 2012 geoordeeld dat als gevolg van contract overname Xenon BV en niet Xenon vof in elk geval vanaf 15 oktober 2002 als huurder moet worden aangemerkt. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter van 13 april 2010 vernietigd en de vorderingen van VNI tegen [eiser] afgewezen.

2.7

Daarnaast zijn procedures gevoerd waarbij [A] en VNI Enschede betrokken zijn geweest, procedures die ook betrekking hadden op de huur van het kantoorpand te Enschede.

2.8

In januari 2004 heeft VNI Enschede een kort geding procedure aangespannen bij de rechtbank Almelo strekkende tot veroordeling van [eiser] , [A] en Xenon vof tot betaling van onder meer achterstallige huurpenningen. De vorderingen van VNI Enschede zijn in die zaak zowel in eerste instantie (vonnis van 30 januari 2004) als in hoger beroep (arrest van 6 juli 2004) op hoofdpunten toegewezen.

2.9

Alle procedures zijn intussen geëindigd en de betreffende vonnissen, voor zover geen hoger beroep was ingesteld, dan wel arresten zijn in kracht van gewijsde gegaan.

2.10

Xenon BV is op 4 december 2003 in staat van faillissement verklaard.

2.11

Van 1 maart 2005 tot 23 juli 2007 was op eisers de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) van toepassing. Mr J.A.D.M. Daniëls was hun bewindvoerder.

2.12

[eiser] is [2017] overleden. [eiser] en [eiseres] waren in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.13

VNI Enschede heeft op 17 november 2004 het faillissement van [eiser] aangevraagd. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het hof heeft die afwijzing bij beschikking van 21 februari 2005 bekrachtigd. Eisers hebben echter later, toen een nieuwe faillissementsaanvraag dreigde, aanleiding gevonden de schuldsaneringsregeling aan te vragen (zie rechtsoverweging 2.10).

2.14

VNI Vastgoed BV is aandeelhouder en bestuurder van VNI Enschede. [X] en [X] zijn via hun holdings indirect aandeelhouder van VNI Enschede en van die vennootschap (indirect) bestuurder. [gedaagde 8] is via gedaagde sub 7 indirect aandeelhouder van VNI Enschede.

3 De vordering

3.1

Eisers vragen (door de rechtbank hierna kort samengevat) de rechtbank, na vermindering van eis bij de hiervoor onder 1.1. (viii) genoemde akte, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan eisers te betalen:

  1. de door eisers gemaakte advocaatkosten ten bedrage van € 30.705,70, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

  2. de proceskosten van € 6.224,18 van de wederpartijen waarin [eiser] is veroordeeld in vonnissen van 30 januari 2004, 6 oktober 2008 en 13 april 2010, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

  3. een bedrag van € 26.769,50 inzake een door VNI Enschede op 23 augustus 2003 geïnde, door [eiser] gestelde, bankgarantie met de wettelijke rente vanaf de inningsdatum;

  4. een bedrag van € 3.099,44 en een bedrag van € 18.154,40 betreffende respectievelijk kosten tijdens de WSNP periode en extra salaris bewindvoerder, met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2007, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

  5. een bedrag van € 6.091,95 als schadevergoeding voor het afkopen door de bewindvoerder van een door [eiser] bij Nationale Nederlanden afgesloten levensverzekering met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding;

  6. een (deel van) het bedrag van € 46.036,- inzake door ING bij eisers in rekening gebrachte kosten in verband met de voorgenomen executoriale verkoop van hun woning, met de wettelijke rente daarover;

  7. een (deel van) een bedrag van € 11.771,72 zijnde door eisers aan ING betaalde proceskosten, met de wettelijke rente daarover;

  8. een bedrag van € 5.000,-- aan smartengeld, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

  9. de kosten van de procedure, inclusief de kosten van € 347,87 ter zake van een door eisers op 22 februari 2017 gelegd conservatoir beslag ten laste van gedaagde sub 6.

4 De standpunten van partijen

[eiseres]

Eisers stellen -kort gezegd en voor zover ten deze van belang- het volgende.

4.1

Eisers stellen in algemene zin dat VNI Enschede gedurende een groot aantal jaren jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot het huurgeschil en dat de andere gedaagden een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het meermaals schenden van zorgvuldigheidsnormen jegens hen.

4.2

Meer in het bijzonder stellen eisers dat VNI Enschede ten onrechte beslag (zie rechtsoverweging 2.12) op hun woning heeft gelegd. Door het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 2 oktober 2012 is immers komen vast te staan dat op het moment van beslaglegging [eiser] geen schuld aan VNI Enschede had.

4.3

Voorts, aldus eisers, heeft VNI Enschede het doen voorkomen, met name jegens de hypotheekhouders, dat sprake was van een executoriaal beslag en hebben de andere gedaagden dat laten gebeuren. Als gevolg daarvan is door de hypotheekhouders met de executoriale verkoop van de woning een aanvang gemaakt.

4.4

Volgens eisers heeft VNI Enschede een verkeerde voorstelling van zaken gecommuniceerd inzake het kort geding vonnis van 30 januari 2004 van de rechtbank Almelo, in het bijzonder door het te doen voorkomen alsof [eiser] een veel hoger bedrag verschuldigd was dan de rechter had toegewezen.

4.5

Eisers stellen voorts dat VNI Enschede heeft miskend dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd op 25 februari 2004, de dag waarop de ontruiming plaatsvond, en dat VNI Enschede ten onrechte lange tijd heeft volgehouden dat de huurovereenkomst was geëindigd op een ander, later, tijdstip, door beëindiging van rechtswege dan wel door opzegging door de curator van Xenon BV, dan wel door opzegging door de bewindvoerder. Mede hierdoor – zo begrijpt de rechtbank eisers – is ook verwarring ontstaan over de grondslag en de omvang van enig door [eiser] te betalen bedrag, namelijk ten titel van achterstallige huur of schadevergoeding.

4.6

De opstelling van VNI Enschede in de verschillende procedures, die erop neerkwam dat VNI Enschede, tegen beter weten in, volhield dat [eiser] haar debiteur was uit hoofde van de huurovereenkomst, heeft er volgens eisers ook toe geleid dat in de zomer van 2004 onderhandelingen over een minnelijk akkoord zijn mislukt, zulks terwijl [eiser] in die onderhandelingen volstrekt redelijke voorstellen heeft gedaan. Volgens eisers wisten ook de (indirect) bestuurders van VNI Enschede uiteraard dat [eiser] niets met de huurovereenkomst te maken had.

4.7

VNI Enschede heeft jegens eisers onrechtmatig gehandeld door (zie rechtsoverweging 2.13) zijn faillissement aan te vragen, terwijl, aldus eisers, VNI Enschede toen ook beseft moet hebben dat [eiser] niet (meer) betrokken was bij (het afsluiten van) de huurovereenkomst. Daarnaast heeft VNI Enschede in het verzoekschrift strekkende tot zijn faillietverklaring een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de omvang van haar vordering.

4.8

Eisers stellen voorts dat VNI Enschede ook een veel te hoge vordering in de schuldsanering heeft ingediend en op ongeoorloofde wijze druk heeft uitgeoefend op de bewindvoerder om die te hoge vordering voorlopig te verifiëren, welke te hoge vordering als gevolg hiervan uiteindelijk ook door de rechter-commissaris definitief is geverifieerd.

4.9

Ten onrechte, aldus eisers, heeft VNI Enschede het ertoe geleid dat de executoriale verkoop van hun woning in gang werd gezet. VNI Enschede wist immers, althans had, evenals haar bestuurders, moeten weten dat het vonnis van 13 april 2010 uit hoofde waarvan de executieverkoop zou plaatsvinden berustte op een juridische en feitelijke misslag. Dit laatste is, stellen eisers, ook vastgesteld in het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 2 oktober 2012.

4.10

Ten onrechte heeft VNI Enschede gebruik gemaakt van de naar het oordeel van eisers ernstige juridische misslag van de kantonrechter in het vonnis van 13 april 2010 door in het incidenteel hoger beroep daartegen een verkeerde voorstelling van zaken te geven.

4.11

Eisers stellen dat als direct gevolg van het hiervoor kort geschetste optreden van VNI Enschede zij aanzienlijke materiële en immateriële schade hebben geleden. Zou VNI Enschede fatsoenlijk gehandeld hebben dan waren zij niet in de schuldsaneringsregeling terecht gekomen en hadden zij onder meer niet de kosten moeten maken die daarmee voor hen gemoeid waren, waaronder met name de ongunstige afkoop van een levensverzekering en de aanzienlijke bedragen die zij aan ING verschuldigd werden in verband met de dreigende executoriale verkoop van haar woning.

4.12

Volgens eisers is het “logisch” dat van al hetgeen zij VNI Enschede verwijten de aandeelhouders, tevens (behalve [gedaagde 8] ) (indirect) bestuurders van VNI Enschede, op de hoogte waren en dat zij daarbij instrumenteel waren.

4.13

Met betrekking tot [gedaagde 8] en diens holding stellen eisers dat het ook voor hem vanzelf spreekt dat hij als aandeelhouder volledig van alles op de hoogte was.

4.14

Eisers stellen dat zij VNI Enschede en de andere gedaagden schriftelijk (onder andere bij brief van 29 juli 2006 en in een (uiteindelijk niet aangebrachte, althans niet doorgezette) dagvaarding van 3 september 2009) hebben gewaarschuwd voor de naar hun oordeel gemaakte misslagen in rechterlijke uitspraken (onder andere een kort geding vonnis van 30 januari 2004), maar dat VNI Enschede niettemin heeft volhard in haar opstelling dat [eiser] een aanzienlijke schuld aan haar had uit hoofde van het huurgeschil.

4.15

Alle (indirect) bestuurders hadden volgens eisers kunnen of moeten weten dat uiteindelijk de uitkomst van de procedures voor [eiser] gunstig zou zijn, hetgeen ook is uitgekomen. Niet alleen VNI Enschede maar ook de bestuurders hebben derhalve jegens eisers bewust onrechtmatig gehandeld.

VNI

Gedaagden stellen – kort gezegd en voor zover ten deze van belang – het volgende.

4.16

Gedaagden stellen voorop dat alle (rechts)handelingen die eisers gedaagden verwijten zijn verricht door VNI Enschede en dat de andere gedaagden daarmee niets van doen hebben, laat staan dat zij voor de door eisers gestelde schade hoofdelijk aansprakelijk zijn.

4.17

VNI Enschede stelt dat het vonnis in kort geding van 30 januari 2004, waarin [eiser] werd veroordeeld tot betaling aan haar van € 72.903,51 in verband met het huurgeschil, uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en op 6 juli 2004 werd bekrachtigd en gezag van gewijsde heeft gekregen, zodat zij gerechtigd was tot executie daarvan over te gaan.

4.18

VNI Enschede stelt dat ook de beschikking waarmee [eiser] failliet werd verklaard en de beschikking van 30 maart 2007 waarin de vorderingen van VNI Enschede geverifieerd zijn beide gezag van gewijsde hebben gekregen.

4.19

De door eisers gevorderde advocaatkosten zijn volgens gedaagden niet toewijsbaar nu die al onderwerp van geschil zijn geweest in procedures waarin daarover een oordeel is gegeven dat gezag van gewijsde heeft gekregen.

4.20

De gevorderde proceskosten zijn volgens gedaagden niet toewijsbaar omdat deze in het arrest van 2 oktober 2012 reeds aan eisers zijn toegewezen (en door VNI Enschede betaald).

4.21

Gedaagden betwisten dat zij op 26 augustus 2003 ten onrechte de bankgarantie van [eiser] hebben geïnd. Deze strekte tot zekerheid voor de nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het doet er volgens gedaagden niet toe of dezelfde huurovereenkomst door contract overneming overgaat op een andere partij.

4.22

Ten aanzien van de gevorderde WSNP kosten stellen gedaagden onder meer dat eisers zelf hebben gekozen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat de afkoopsom voor de levensverzekering voor [eiser] een bedrag heeft opgeleverd, dus hem verrijkt heeft, en dat voor het overige beslissingen van de bewindvoerder en de rechter-commissaris aan gedaagden niet zijn toe te rekenen.

4.23

Ook door ING bij [eiser] in rekening gebrachte kosten in verband met de executieveiling zijn niet aan gedaagden toe te rekenen.

4.24

Voor toekenning van vergoeding van immateriële schade is volgens gedaagden geen aanleiding en eisers stellen wat dat betreft volgens gedaagden ook te weinig.

4.25

Gedaagden doen beroep op verjaring. De vorderingen zijn, aldus gedaagden, gebaseerd op gebeurtenissen die ruim tien jaar geleden hebben plaatsgevonden. Gedaagden betwisten dat sprake is geweest van stuitingshandelingen, met name dat zij stuitingsbrieven hebben ontvangen.

4.26

VNI Enschede stelt dat er voor haar tot het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 2 oktober 2012 geen enkele aanleiding was haar vorderingen op [eiser] niet op te eisen, nu tot dat moment haar vorderingen in achtereenvolgende procedures steeds waren toegewezen.

4.27

Het leggen van conservatoir beslag op de woning van [eiseres] op 11 december 2003 was niet onrechtmatig. Het beslag was niet lichtvaardig omdat immers de vorderingen van VNI Enschede in eerste instantie waren toegewezen en het beslag werd ook niet gelegd voor een te hoog bedrag.

4.28

VNI Enschede handelde niet onrechtmatig louter door maatregelen te nemen met het doel haar opeisbare vorderingen te incasseren.

4.29

VNI Enschede betwist in procedures stellingen te hebben betrokken of mededelingen te hebben gedaan die neerkomen op een misleidende voorstelling van zaken, bijvoorbeeld omtrent de (datum van) beëindiging van de huurovereenkomst. Bovendien is over die vermeende onjuiste stellingnames al geoordeeld en beslist in uitspraken die inmiddels gezag van gewijsde hadden gekregen.

4.30

Het instellen van een vordering voor een te hoog bedrag, zoals eisers VNI Enschede verwijten, is op zich niet onrechtmatig en ook het niet aanvaarden van een voorstel tot een minnelijke regeling is dat niet.

4.31

Gedaagden 2 tot en met 8 stellen dat er tussen hen en eisers geen rechtsverhouding bestaat of bestaan heeft en dat geen van hen als (indirect) bestuurder of (indirect) aandeelhouder een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden voor het handelen van VNI Enschede vis à vis eisers. Zij menen integendeel juist en in het belang van de vennootschap VNI Enschede gehandeld te hebben door het nodige te doen om vorderingen van debiteuren van de vennootschap te incasseren.

4.32

Van bestuurdersaansprakelijkheid (zou de aansprakelijkheid van VNI Enschede in rechte komen vast te staan) is geen sprake met betrekking tot de gedaagden 2 tot en met 8. Eisers stellen daartoe onvoldoende.

4.33

[gedaagde 8] is geen bestuurder, alleen indirect (via gedaagde sub 7) aandeelhouder.

4.34

Met betrekking tot de gedaagden 2 tot en met 6 geldt dat aan hen niet een persoonlijk ernstig verwijt te maken valt in de zin dat zij VNI Enschede jegens eisers onrechtmatig hebben doen handelen. Zij hebben juist en op goede gronden gehandeld in het belang van VNI Enschede zoals zij dat zagen en mochten zien. Zij hadden allen gegronde redenen om aan te nemen dat VNI Enschede wel een rechtsgeldige vordering op eisers had.

4.35

Volgens gedaagden kunnen overigens de vorderingen tegen gedaagden sub 2 tot en met 8 pas aan de orde komen indien zou komen vast te staan dat eisers een vordering hebben op VNI Enschede voor welke vordering VNI Enschede geen verhaal biedt, waardoor eisers alsdan benadeeld zijn. En bovendien moet dan vast staan dat ieder van de gedaagden 2 tot met 8 een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden.

5 De beoordeling

5.1

De rechtbank zal eerst het verjaringsverweer behandelen.

5.2

De volgens eisers door VNI Enschede gepleegde onrechtmatige handelingen als gevolg waarvan eisers stellen schade te hebben geleden hebben geruime tijd geleden plaats gevonden. Zo is het conservatoire beslag gelegd in 2003, is het faillissement aangevraagd in november 2004 en dateren de gestelde onrechtmatige handelingen met betrekking tot de schuldsaneringsregeling uit de periode 2005/2007.

5.3

De dagvaardingen in deze zaak zijn uitgebracht op 30 maart en 3 april 2017.

5.4

Uit de dagvaarding en uit de (in totaal 133) producties blijkt dat eisers van het begin af aan consistent en onvermoeibaar het standpunt hebben ingenomen dat niet [eiser] (als vennoot van Xenon vof) maar Xenon BV huurder was van de aan VNI Enschede toebehorende kantoorruimte en dat hij jegens VNI Enschede geen betalingsverplichting had. Op zijn minst blijkt hieruit dat gedaagden konden weten dat [eiser] het er niet bij liet zitten.

5.5

Eisers stellen dat zij in aanvulling op de in de vorige rechtsoverweging bedoelde correspondentie ook, met name op 31 januari 2009 en 23 januari 2014, ter stuiting van de verjaring formele stuitingsbrieven gericht aan alle gedaagden hebben verzonden. Zij hebben een aantal daarvan (producties 123,129, 130, 131, 132, 133) alsmede enveloppen (productie 124) waarop is aangetekend dat de bestemmeling de ontvangst heeft “geweigerd” in het geding gebracht. Ter comparitie hebben eisers aan de rechter de originelen van die enveloppen getoond.

5.6

Gedaagden stellen dat zij de stuitingsbrieven niet hebben ontvangen.

5.7

De rechtbank overweegt dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de verjaring stuitende brieven daadwerkelijk hebben verstuurd en dat deze bij gedaagden zijn bezorgd, acht de ontkenning daarvan door eisers niet geloofwaardig en gaat mitsdien aan het verjaringsverweer voorbij.

5.8

Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of VNI Enschede jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door conservatoire en executiemaatregelen te nemen en met executiemaatregelen te dreigen op grond van gerechtelijke uitspraken, in het bijzonder een kort geding vonnis van 30 januari 2004, bevestigd door de appelrechter op 6 juli 2004, en het vonnis van de kantonrechter van 13 april 2010, zulks in het licht van het feit dat het Gerechtshof Arnhem bij arrest van 2 oktober 2012 het laatstgenoemde vonnis van de kantonrechter heeft vernietigd.

5.9

Eisers stellen als gevolg daarvan schade, met name bestaande in door hen gemaakte kosten, te hebben geleden en dat die schade is veroorzaakt door de handelingen van VNI Enschede.

5.10

De rechtbank overweegt dat, naar onweersproken door VNI Enschede is gesteld, de bedragen in hoofdsom tot betaling waartoe [eiser] is veroordeeld door eisers niet zijn voldaan, zodat VNI Enschede geen terugbetalingsverplichting heeft. Eisers vorderen ook geen terugbetaling.

5.11

De rechtbank overweegt dat de eventuele aansprakelijkheid van (indirecte) bestuurders niet eerder aan de orde is dan nadat is geoordeeld over de aansprakelijkheid van VNI Enschede. De handelingen waarvan eisers stellen dat die onrechtmatig zijn (het leggen van beslagen, het treffen van executiemaatregelen en het innemen van stellingen in de diverse procedures) zijn immers zonder uitzondering verricht door VNI Enschede.

5.12

Het hoofdgeschil betreft de vordering van VNI Enschede tegen [eiser] , [A] en Xenon vof tot betaling van achterstallige huur. VNI Enschede heeft in die zaak op 23 december 2003 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Enschede. Daaraan voorafgaand heeft VNI Enschede op 11 december 2003 conservatoir beslag gelegd op de woning van eisers te [plaats] . De kantonrechter heeft in de bodemprocedure de vordering van VNI Enschede bij vonnis van 13 april 2010 toegewezen. Dit vonnis is door het Gerechtshof Arnhem bij arrest van 2 oktober 2010 (zie rechtsoverweging 5.8) vernietigd.

5.13

Degene die een beslag legt handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien dat ten onrechte is gelegd. De beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd is aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Dit is vaste rechtspraak (zie onder meer: HR 13.1.1995 ECLI:NL.HR:1995:ZC1608).

5.14

De situatie als in de vorige rechtsoverweging beschreven doet zich hier voor: het door VNI Enschede op 11 december 2003 gelegde beslag is blijkens het arrest van 2 oktober 2012, waarmee de bodemprocedure is beëindigd, en welk arrest gezag van gewijsde heeft gekregen, gelegd voor een niet bestaande vordering en daarmee op zich onrechtmatig.

5.15

Geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die dit anders maken. Bij het leggen van het conservatoire beslag en bij het later leggen van een executoriaal beslag naar aanleiding van het kort geding vonnis van 30 januari 2004 handelde VNI Enschede op eigen risico. Dit is een risicoaansprakelijkheid waarbij niet relevant is of VNI Enschede al dan niet op verdedigbare gronden van het bestaan van haar vorderingsrecht overtuigd was.

5.16

Het voorgaande brengt met zich mee dat VNI Enschede jegens eisers aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig beslag.

5.17

Andere handelingen van VNI Enschede die eisers onrechtmatig achten (zie rechtsoverwegingen 4.3/4.10) hangen alle in meer of mindere mate samen met of zijn het gevolg van het onrechtmatig beslag en kunnen individueel onbesproken blijven.

5.18

Eisers vorderen in de eerste plaats “advocaatkosten” ten bedrage van € 30.705,70. Dit zijn, blijkens de door eisers in het geding gebrachte bescheiden voor een bedrag van

€ 28.477,28 de kosten van eisers eigen raadslieden in verband met de bodemprocedure en de kosten van rechtsbijstand gemaakt in verband met de faillissementsaanvraag

(€ 2.228,42) welke kosten niet (bijvoorbeeld op basis van een veroordeling in de proceskosten) al door VNI Enschede zijn betaald. De rechtbank overweegt dat de kosten in verband met de bodemprocedure te maken hadden met het onrechtmatige beslag en dus voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt ook voor de kosten in verband met het afwenden van het faillissement. De vordering op [eiser] die VNI Enschede in haar faillissementsaanvraag had vermeld, en tot zekerheid waarvan het beslag was gelegd, bleek immers later niet te bestaan. De rechtbank zal daarom alle gevorderde advocaatkosten toewijzen.

5.19

De gevorderde “proceskosten” betrekking hebbende op het vonnis van 13 april 2010 zijn niet toewijsbaar. Het Hof heeft die kosten al bij eindarrest van 2 oktober 2012 aan eisers toegewezen. Dit geldt niet voor de proceskosten uit hoofde van de vonnissen van 30 januari 2004 (pro rata € 1.129,51) en van 6 oktober 2008 (€ 781.--) (welke laatste procedure betrekking had op een poging tot opheffing van het conservatoir beslag). Dat deel van de proceskosten, samen dus ten bedrage van € 1.910,51, komt voor vergoeding in aanmerking.

5.20

De door VNI Enschede op 26 augustus 2003, dus voor het leggen van het conservatoir beslag, geïnde bankgarantie diende tot zekerheid voor de verhuurder voor de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Dat later geoordeeld is dat de huurovereenkomst door contract overneming op een andere partij is overgegaan, betekent niet dat VNI Enschede door die bankgarantie toen te incasseren onrechtmatig heeft gehandeld.

5.21

Het feit dat eisers zich genoodzaakt zagen de relatieve bescherming van de schuldsaneringsregeling aan te vragen was geen eigen vrije keus, maar werd, zo komt naar voren uit de feiten in deze zaak, ingegeven door de noodsituatie waarin zij waren geraakt. Die noodsituatie vond in wezen haar oorsprong in het onrechtmatig beslag zodat daarmee een voldoende oorzakelijk verband is gegeven tussen dat onrechtmatige beslag en de kosten die eisers in verband met de WSNP hebben moeten maken. De rechtbank zal die kosten, welke niet, althans niet voldoende gemotiveerd zijn betwist, toewijzen met de wettelijke rente als gevorderd.

5.22

Dit geldt mutatis mutando ook voor de schade door eisers geleden als gevolg van de voortijdige afkoop van de levensverzekering tot het gestelde, door VNI Enschede niet betwiste, bedrag van € 6.091,95.

5.23

Eisers vorderen voorts een “deel van” de kosten in verband met de voorgenomen executoriale verkoop van de woning door hen aan ING betaald en van door hen aan ING betaalde proceskosten. De rechtbank overweegt dat het verband tussen die kostenposten en het als onrechtmatig aangemerkte beslag te ver verwijderd is en dat die kosten dus niet, ook niet gedeeltelijk, aan handelen van VNI Enschede kunnen worden toegerekend, zodat dit onderdeel van de vorderingen zal worden afgewezen.

5.24

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat op zich begrijpelijk is dat eisers als gevolg van het beslag en de procedures die zij als gevolg daarvan hebben gevoerd, een onzekere en vervelende periode hebben moeten doormaken. Eisers zijn er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig onder het optreden van VNI Enschede hebben geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als aantasting van de persoon van eisers die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Dit deel van de vordering zal dus worden afgewezen.

5.25

Dat geldt tenslotte ook voor de beslagkosten gemoeid met het conservatoire beslag ten laste van gedaagde sub 6. Er is geen oorzakelijk verband vast te stellen tussen die kosten en het onrechtmatig beslag op de woning van eisers. Deze vordering van [eisers] maakt in feite onderdeel uit van de proceskosten. Nu de vordering jegens gedaagde sub 6 wordt afgewezen, komen de beslagkosten niet voor vergoeding in aanmerking.

5.26

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat VNI aansprakelijk is voor een aantal van de door eisers gevorderde schadeposten zodat (zie rechtsoverweging 5.11) onderzocht moet worden of sprake is van enige aansprakelijkheid van de andere gedaagden.

5.27

De grondslag van die aansprakelijkheid, zoals door eisers gesteld, is bestuurdersaansprakelijkheid voor wat betreft gedaagden sub 2 tot en met sub 6. Wil daarvan sprake zijn, dan dient te worden gesteld en aannemelijk te worden gemaakt dat de betrokken gedaagden een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank overweegt dat eisers daartoe niet voldoende hebben gesteld. Zij stellen alleen dat gedaagden sub 2 tot en met sub 6 (indirect) bestuurder zijn en dat zij als zodanig van het handelen van VNI Enschede op de hoogte moeten zijn geweest. De rechtbank acht dat onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt.

5.28

Ook ten aanzien van [gedaagde 8] en zijn holding hebben eisers onvoldoende feitelijke omstandigheden gesteld op grond waarvan aangenomen kan worden dat deze partijen jegens eisers onrechtmatig hebben gehandeld.

5.29

Om deze redenen zullen de vorderingen tegen gedaagden sub 2 tot en met sub 8 worden afgewezen.

5.30

VNI Enschede zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6 De beslissing

de rechtbank:

I veroordeelt VNI Enschede tot betaling aan eiseres sub 2 van:

1. advocaatkosten tot een bedrag van € 30.705,70;

2. proceskosten tot een bedrag van € 1.905,51;

3. de door eisers gemaakte WSNP kosten ten bedrage van € 21.253,84, met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2007;

4. een bedrag van € 6.091,95 in verband met het afkopen van de levensverzekering bij Nationale Nederlanden met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;

II veroordeelt VNI Enschede in de kosten van het geding aan de zijde van eisers, tot op heden begroot op € 78,-- (griffierecht), € 97,31, € 204,16 (dagvaardingskosten) en € 2.685,-- voor de kosten van de advocaat van eisers (2,5 punten, tarief IV);

III verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

IV wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.M. van den Wall Bake en op 19 september 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.