Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4035

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
C/08/221701 / KG ZA 18-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onder alle gebleken omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door eiseres genoemde belangen, waarvan zij de spoedeisendheid verre van aangetoond acht, geenszins kunnen opwegen tegen het met doel en functie van de BKR-registratie te dienen belang. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/221701 / KG ZA 18-246

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.G.P. Voragen te Heerlen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WEHKAMP FINANCE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Wehkamp Finance genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met productie 1

  • -

    de brief met productie 2 van [eiseres] van 20 september 2018

  • -

    de akte vermeerdering eis en overlegging producties 3 en 4 van [eiseres] van 21 september 2018

  • -

    de brief met producties van Wehkamp Finance van 21 september 2018

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Wehkamp Finance.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] woont op het [adres] te [plaats] .

2.2.

[eiseres] heeft in de periode 10 april 2015 tot 21 april 2016 roerende zaken besteld bij Wehkamp B.V. en die goederen afgeleverd gekregen.

2.3.

[eiseres] heeft (deel)betalingen verricht voor de geleverde goederen.

2.4.

Blijkens een brief van Stichting Bureau Kredietregistratie (hierna: BKR) aan [eiseres] van 13 april 2018 met bijgevoegde overzichten van kredieten die op naam van [eiseres] in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) geregistreerd staan, is onder meer als “Krediet 3 van 4”, geregistreerd onder de aanduiding Vesting Finance t.b.v. Wehkamp Finance, een Verzendhuis Krediet met contractnummer 1256956959601 voor een bedrag van € 1.980,00, met als ingangsdatum 9 april 2015 en als registratiedatum 19 november 2015. Bij de vermelding Werkelijke einddatum is vermeld: “niet beëindigd”.

De registratie omvat voorts de volgende coderingen met respectievelijk code, omschrijving en ingangsdatum:

A Achterstand 27-09-2016

2 (Restant) vordering geheel opeisbaar 24-10-2016.

2.5.

Bij brief aan [eiseres] van 27 oktober 2016 heeft Vesting Finance Incasso B.V. (hierna Vesting Finance) te Almere-Stad medegedeeld dat Wehkamp Finance B.V. door middel van een akte van cessie haar opeisbare vordering op [eiseres] van € 1.355,88, gezamenlijk met alle rechten heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen aan INVESTING B.V. te Hilversum, welke vennootschap de vordering uit handen heeft gegeven aan Vesting Finance.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - primair om Wehkamp Finance te gebieden de BKR-registratie van [eiseres] door Wehkamp Finance te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en subsidiair om Wehkamp Finance te veroordelen om zo spoedig mogelijk de coderingen A en 2 in het CKI te (doen) verwijderen, eveneens op straffe van een dwangsom, alsmede tot veroordeling in buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.2.

Wehkamp Finance voert verweer tegen de vordering. Preliminair heeft Wehkamp Finance zich op het standpunt gesteld dat zij als verkeerde partij is gedagvaard voor het verwijderen van de BKR-registratie vanwege de cessie van haar vordering aan Vesting Finance, onderdeel van INVESTING B.V., thans genaamd Arrow Global Investments Holdings Benelux.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] betwist het bestaan van een kredietovereenkomst met Wehkamp Finance en ook het bestaan van een vordering van Wehkamp Finance op haar. [eiseres] heeft daartoe betoogd dat de door Wehkamp Finance in geding gebrachte kredietovereenkomst, gedateerd 9 april 2015, niet ondertekend is. Zij heeft betoogd “van niets te weten” wat betreft de kredietovereenkomst. Voor zover een kredietovereenkomst zou moeten worden aangenomen, heeft zij aangevoerd dat zij geen mededeling noch een bevestiging heeft ontvangen van registratie in het CKI (hierna te noemen BKR-registratie). [eiseres] erkent niet de hoogte van het openstaande bedrag.

4.2.

Wehkamp Finance neemt als aanbieder van krediet op grond van artikel 4:32 van de Wet Financieel Toezicht wettelijk verplicht deel aan de BKR-registratie.

4.3.

De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat tussen Wehkamp B.V. en Wehkamp Finance als kredietverlenende partij en [eiseres] als verkrijger van krediet de door Wehkamp Finance overgelegde Overeenkomst voor gespreid betalen (kredietovereenkomst) is overeengekomen, ook al heeft Wehkamp Finance geen ondertekende overeenkomst overgelegd. [eiseres] heeft erkend dat zij bij Wehkamp B.V. goederen heeft besteld, die geleverd heeft gekregen alsmede dat zij deelbetalingen op de door de bestellingen ontstane schuld c.q. het opgebouwde krediet heeft verricht. De voorzieningenrechter acht een en ander ook met de door Wehkamp Finance overgelegde producties voldoende onderbouwd en bevestigd.

Een verdere aanwijzing voor het bestaan van een kredietovereenkomst kan gevonden worden in de aard van de deelbetalingen, die gezien hun omvang tot deels gelijke bedragen, niet de indruk wekken dat zij anders zijn gedaan dan in het kader van een kredietovereenkomst, waar van een afbetalingsregeling anderszins of ander betalingen (bijvoorbeeld op facturen) niets is gesteld noch gebleken.

4.4.

In verband met betalingsachterstand die Wehkamp Finance bij brief van 18 september 2016 aan [eiseres] heeft vastgesteld, heeft zij [eiseres] medegedeeld genoodzaakt te zijn haar betalingsachterstand te melden bij BKR, hetgeen vijf jaar lang een achterstandscodering betekent, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor het aanvragen van een krediet en/of hypotheek. Wehkamp Finance heeft [eiseres] voorts doen weten dat zij de achterstandscodering kan voorkomen door binnen vijf dagen de volledige betaalverplichting te voldoen. Bij brief van 27 september 2016 heeft Wehkamp Finance [eiseres] medegedeeld dat de betalingsachterstand is gemeld bij BKR en heeft zij het totale saldo opgeëist.

4.5.

Nadat Vesting Finance vervolgens in 2016 een aantal aanmaningen aan [eiseres] heeft verstuurd, heeft Vesting Finance zich in 2017 bij herhaling tot [eiseres] gericht met brieven inzake de afbetaling van de bij Wehkamp Finance openstaande schuld. In 2018 zijn opnieuw aanmaningen verstuurd door Vesting Finance. De aanmaningen van zowel 2016 als 2018 hebben in de kop de vermelding “Inzake Wehkamp Finance B.V.”

4.6.

De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat, wat er zij van de cessie aan Investment B.V. van een vordering, tussen [eiseres] en Wehkamp Finance kennelijk onverminderd een rechtsbetrekking is blijven bestaan uit hoofde van de afgesloten kredietovereenkomst, waar Vesting Finance kennelijk ook van uit is gegaan.

Waar gesteld noch gebleken is dat dit anders zou zijn, houdt de voorzieningenrechter het er voor dat Wehkamp Finance onverminderd heeft te gelden als verantwoordelijke voor het aanleveren en beheren van (persoons)gegevens aan BKR ter registratie in het CKI. In verband daarmee is de voorzieningenrechter van oordeel dat Wehkamp Finance terecht door [eiseres] is gedagvaard in deze procedure.

4.7.

Het doel van BKR is het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening. BKR wil consumenten behoeden voor overkreditering en andere financiële problemen (problematische schuldsituaties). Daarnaast levert BKR voor haar zakelijke klanten een bijdrage aan het beperken van de financiële risico’s bij kredietverlening en aan het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude.

4.8.

Bij de vraag of Wehkamp Finance de BKR-registratie van [eiseres] , althans wat haar betreft, moet verwijderen gaat het om een toetsing van het doel van deze registratie aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aldus moet het belang [eiseres] bij de verwijdering van de onderhavige codering worden afgewogen tegen het achterliggende belang van (de handhaving van) haar registratie (met A2 codering).1

4.9.

De voorzieningenrechter acht door [eiseres] onvoldoende onderbouwd weersproken dat Wehkamp Finance uit hoofde van de kredietovereenkomst een vordering op haar zou hebben (tot inmiddels het gestelde bedrag van € 1.602,06 per 23 januari 2018 volgens de meest recente brief van Vesting Finance aan [eiseres] ). De door Wehkamp Finance overgelegde stukken vormen een bevestiging van die vordering. De blote stelling dat zij sommige soorten artikelen niet zou hebben besteld, moet als niet nader onderbouwd worden gepasseerd.

4.10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat Wehkamp Finance bij de hiervoor al onder 4.4 genoemde brief aan [eiseres] vooraankondiging heeft gedaan van de BKR-registratie, onder vermelding dat een achterstandscodering negatieve gevolgen kan hebben bij het aanvragen van een krediet of hypotheek.

Dat [eiseres] deze aankondiging en ook de daarna gevolgde bevestiging van de BKR-registratie niet zou hebben ontvangen, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt, waar genoemde stukken maar ook alle andere correspondentie naar het van meet af aan bekende adres van [eiseres] aan [adres] te [plaats] zijn verzonden en niet is gebleken dat dit niet juist zou zijn.

De stelling dat vanwege de bloot ontkende ontvangst van stukken de BKR-registratie niet had mogen plaatsvinden, moet dan ook van de hand worden gewezen.

4.11.

[eiseres] heeft als spoedeisend belang in kort geding aangevoerd dat zij een nieuwe woning wil kopen en dat zij een nieuwe verzekering voor haar auto moet/wil afsluiten. Zij stelt dat zij dit niet kan doen met de BKR-registratie van Wehkamp Finance op haar naam.

4.12.

Nog ervan afgezien dat de voorzieningenrechter in algemene zin er niet van overtuigd is, gelet op hetgeen Wehkamp Finance daaromtrent ter zitting, door [eiseres] onvoldoende weersproken, heeft aangevoerd, dat het afsluiten van een autoverzekering niet mogelijk zou zijn vanwege een BKR-registratie als die van [eiseres] , stelt zij hieromtrent vast dat [eiseres] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij geen autoverzekering kan afsluiten vanwege de BKR-registratie. Het op dit onderdeel gestelde heel urgent belang acht de voorzieningenrechter daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.13.

Het door [eiseres] gestelde spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening in verband met de wens om met een vriend spoedig een huis te willen kopen, acht de voorzieningenrechter als te vaag aangeduid en niet onderbouwd volstrekt onaannemelijk.

4.14.

Het door [eiseres] gestelde algemeen belang om niet geregistreerd te staan moet worden beschouwd in het licht van de vaste jurisprudentie ter zake van de BKR-registratie.

4.15.

Onder alle gebleken omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door [eiseres] genoemde belangen, waarvan zij de spoedeisendheid verre van aangetoond acht, geenszins kunnen opwegen tegen het met doel en functie van de BKR-registratie te dienen belang. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Wehkamp Finance worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 633,00

Totaal € 1.259,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Wehkamp Finance tot op heden begroot op € 1.259,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2018.

1 (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6060).