Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:403

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
AK_17_ 2209
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan de voorwaarden voor huisbezoek. Geen informed consent. Afwijzing aanvraag wegens gebleven onduidelijkheid over financiële situatie; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2209

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder,

gemachtigde: J. ten Cate.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door J.P. Hageman.

Overwegingen

1. Eiseres is een alleenstaande vrouw die eerder van 13 maart 2003 tot en met

31 december 2015 een bijstandsuitkering ontving. Deze uitkering is met ingang van

1 januari 2016 beëindigd (en over eerdere periodes ingetrokken en teruggevorderd),

omdat het recht op uitkering volgens verweerder niet langer kon worden vastgesteld.

Op 5 januari 2017 heeft eiseres zich, na eerdere afgewezen aanvragen, opnieuw gemeld

voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Hierop

heeft verweerder een onderzoek verricht, in welk kader diverse gegevens bij eiseres zijn opgevraagd en er een huisbezoek is afgelegd. De bevindingen van het onderzoek hebben verweerder tot de conclusie geleid dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt,

dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, waarna de besluitvorming heeft plaatsgevonden zoals die hierboven onder ‘Procesverloop’ is uiteengezet.

2. Eiseres voert – samengevat – aan dat uit het dossier niet blijkt dat zij een informed consent formulier heeft ondertekend. Niet blijkt dat zij expliciet toestemming heeft gegeven voor het huisbezoek. Nu het huisbezoek niet conform de geldende rechtspraak en de vereisten van artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden heeft plaatsgevonden, moet het binnentreden van de woning als onrechtmatig worden aangemerkt. Daarmee is sprake van een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze schending kan naar haar aard niet meer hersteld worden. Volgens eiseres moet het bewijs dat als gevolg van de schending van artikel 8 EVRM is verkregen uitgesloten worden. Eiseres wordt sinds

1 maart 2016 in haar primaire levensbehoeften voorzien door haar kinderen en de voedselbank. Haar kinderen hebben inmiddels te kennen gegeven haar financieel niet meer te zullen ondersteunen,

zodat ze er alleen voor staat. De kinderen van eiseres hebben haar een geldlening met terugbetalingsverplichting verstrekt. Deze geldlening kan worden aangemerkt als een schuld.

Daar komt bij de schuld van eiseres aan de gemeente als gevolg van de eerdere intrekking en terugvordering van haar uitkering ten bedrage van € 93.998,97.

Verweerder ziet geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Volgens verweerder heeft eiseres tot op heden niet inzichtelijk gemaakt hoe zij in de bestreden periode in haar levensonderhoud heeft voorzien. De door eiseres overgelegde bankafschriften en informatie van derden geven hierin volgens verweerder geen dan wel onvoldoende duidelijkheid.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandig-heden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op

zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

3.2

Het gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. De beoordeling daarvan door de bestuursrechter betreft de periode die loopt van de datum van de melding tot en met de datum van het afwijzingsbesluit, in dit geval dus de periode van 5 januari 2017 tot 1 mei 2017.

3.3

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie, zodat duidelijk wordt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en jegens verweerder aanspraak kan maken

op bijstand. In dat kader dient de aanvrager – in het bijzonder na een eerdere intrekking –

de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven.

Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

3.4

Met betrekking tot het huisbezoek wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2017,

ECLI:NL:CRVB:2017:4208). Volgens deze rechtspraak is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van informed consent. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. De bewijslast ten aanzien van het informed consent bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

In dit geval hebben de betreffende medewerkers geen formulier huisbezoek gehanteerd en bevindt zich in het dossier enkel een niet ondertekend en niet op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van het huisbezoek waarin is vermeld dat eiseres informed consent heeft gegeven. Verweerder is er hiermee niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ter zake van het binnentreden voor het bij eiseres afgelegde huisbezoek voldaan is aan de eis van informed consent zoals hierboven omschreven. Dit betekent dat in dit geval sprake is geweest van een inbreuk op het huisrecht van eiseres als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Gelet hierop zal de rechtbank de uit het huisbezoek voortvloeiende bewijs niet betrekken in de beoordeling.

3.5

De rechtbank stelt op grond van de overige stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat de vaste lasten van eiseres tussen partijen geen discussiepunt zijn; niet in geschil is dat eiseres toeslagen ontvangt waarmee zij deze lasten deels kan voldoen en dat zij voor het overige financieel ondersteund wordt door haar dochters.

Eiseres heeft echter onvoldoende duidelijk gemaakt hoe zij op het moment van de aanvraag en in de periode daaraan voorafgaand verder in haar levensonderhoud (boodschappen, verzorgings- en schoonmaakartikelen en kleding) heeft voorzien. Net als in de uitspraken van deze rechtbank van 29 december 2017 (zaaknummers Awb 16/3113 en Awb 17/508) met betrekking tot eerdere aanvragen, is de rechtbank ook nu van oordeel dat er veel vragen blijven over de financiële situatie van eiseres. Niet is uitgesloten dat een ander voor eiseres in de periode in geding haar kosten voor levensonderhoud heeft voldaan. In het midden is ook nu gebleven hoe en in welke mate eiseres – naast de bijdrage in haar vaste lasten – is gesteund door haar dochters. Eiseres heeft daarover, ook nadat haar daarom is verzocht, in objectief verifieerbare zin onvoldoende duidelijkheid verschaft en is er niet in geslaagd aan te tonen dat zij bijstandbehoevend is. De overgelegde verklaring van de voedselbank is niet toereikend.

De omstandigheid dat eiseres een schuld heeft als gevolg van een eerdere terugvordering doet aan het bovenstaande niet af.

Nu eiseres onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft, kan niet worden vastgesteld of zij recht op bijstand had. Verweerder heeft de aanvraag om uitkering van 5 januari 2017 dan ook terecht afgewezen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.D. Moeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.