Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4006

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
C/08/217996 / KG ZA 18-147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontbinding maatschap zijnde verloskundigenpraktijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/217996 / KG ZA 18-147

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.H. Broeksema te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 mei 2018 met 11 producties

  • -

    de brief van [gedaagde] van 20 juni 2018 met 14 producties

  • -

    het faxbericht van [eiseres] van 21 juni 2018 met productie 12 t/m 19

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 21 juni 2018 met productie 15 t/m 18

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 juni 2018

  • -

    de pleitnotities van [eiseres]

  • -

    de pleitnotities van [gedaagde]

  • -

    de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg

  • -

    het faxbericht van [eiseres] van 29 augustus 2018

  • -

    het faxbericht van [gedaagde] van 29 augustus 2018

  • -

    het faxbericht van [eiseres] van 30 augustus 2018 met productie 20 t/m 22

  • -

    de e-mail van de griffier van 31 augustus 2018

  • -

    de akte tevens houdende een wijziging van eis tevens akte overlegging producties van [eiseres]

  • -

    de akte na mondelinge behandeling van [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte van [eiseres]

  • -

    de antwoordakte na mondelinge behandeling van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

In 2015 heeft [eiseres] een praktijk voor verloskunde opgezet onder de naam “Verloskundigenpraktijk de Geboorte”.

2.2.

Op 11 april 2017 hebben partijen een overeenkomst van praktijkassociatie gesloten uit hoofde waarvan zij met ingang van 1 maart 2017 een maatschap als bedoeld in artikel 7A:1655 e.v. BW voor onbepaalde tijd zijn aangegaan met als doel het voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een verloskundigenpraktijk te Heino, Zwolle, Raalte, Wijhe, Olst, Lierderholthuis, Laag Zuthem, Windesheim en omgeving (hierna: de overeenkomst). Artikel 3 van de overeenkomst, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

3. Partij B [gedaagde] , toevoeging voorzieningenrechter] voldoet aan partij A [ [eiseres] , toevoeging voorzieningenrechter] een bedrag van € ….. (…... euro). Dit bedrag betreft 3/7 deel van de openstaande debiteuren op 1 maart 2017 en de helft van de kosten die partij A voor de opstart van de praktijk heeft voldaan. De specificatie van de kosten is als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd. Genoemd bedrag zal door partij B aan partij A uiterlijk op ….. worden voldaan. Bij betaling door partij B na …… is partij B aan partij A een rentevergoeding verschuldigd van …% op jaarbasis over de periode van …… tot het moment van feitelijke betaling.

7. Alle baten en lasten, voortvloeiend uit handelen en nalaten door partij A, verricht vóór de aanvangsdatum van de maatschap, worden buiten de onderhavige maatschap gehouden, met uitzondering van baten en lasten voortvloeiend uit prenatale zorg met betrekking tot de per de ingangsdatum van de maatschap in behandeling zijnde, maar nog niet bevallen cliënten.

2.3.

Tussen partijen hebben zich meerdere geschillen voorgedaan waardoor de onderlinge verhoudingen ernstig zijn verstoord.

2.4.

Op 1 april 2018 heeft [gedaagde] de maatschap “Birth, verloskundigenpraktijk” opgericht, waarvan zij, [gedaagde] en [X] de maten zijn.

2.5.

Op 6 juni 2018 heeft [eiseres] bij de Kamer van Koophandel laten registreren dat de onderneming van partijen met ingang van 1 juni 2018 is voortgezet door Verloskundigenpraktijk de Geboorte, ingeschreven onder KvK-nummer 71818154, zijnde de voormalige eenmanszaak van [eiseres] .

2.6.

Nadat [eiseres] dit kort geding aanhangig had gemaakt, heeft [gedaagde] op haar beurt bij inleidende dagvaarding van 20 juni 2018 onder meer gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande maatschap zal ontbinden, een deskundige zal benoemen ten behoeve van de vereffening van de maatschap, (primair) [eiseres] zal gebieden haar praktijkdeel schriftelijk aan [gedaagde] ter overname aan te bieden tegen een door de rechtbank te benoemen deskundige te bepalen overnamesom en voor recht zal verklaren dat de tekortkomingen aan de zijde van [eiseres] grond opleveren voor ontbinding van de maatschap en [eiseres] zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagde] heeft geleden c.q. zal lijden doordat ontbinding van de maatschap plaatsvindt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer / rolnummer: C/08/219747 HA ZA 18-299.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na eisvermeerdering – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

( a) [gedaagde] zal verbieden om met onmiddellijke ingang de praktijkruimte van maatschap de Geboorte, gevestigd op de locaties [adres 1] en [adres 2] , te betreden;

( b) [gedaagde] zal verbieden om met onmiddellijke ingang patiënten die zich hebben aangemeld bij maatschap de Geboorte dan wel zakelijke relaties van de maatschap, telefonisch, per e-mail, per post of door middel van een persoonlijk contact of welke wijze dan ook te benaderen;

( c) [gedaagde] zal verbieden om bedragen van de maatschapsrekening over te schrijven naar zichzelf of naar derden;

( d) [gedaagde] zal gebieden om onmiddellijk na dit vonnis het echoapparaat aan [eiseres] af te staan en dit niet te vernielen;

( e) aan de veroordelingen onder (a), (b), (c) en (d) een dwangsom zal verbinden van

€ 500,00 voor iedere dag en voor iedere keer dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in strijd handelt met deze verboden en dit gebod, althans zodanige maatregelen zal nemen die er voor zorgen dat [gedaagde] daadwerkelijk de praktijk niet meer betreedt, zich onthoudt van contact met relaties van de maatschap en het echoapparaat afgeeft aan [eiseres] welke de voorzieningenrechter geraden acht;

( f) [gedaagde] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het door haar opgenomen bedrag van € 4.000,00 terug te betalen op de bankrekening van de maatschap;

( g) [gedaagde] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis bij wijze van voorschot op de schadevergoeding wegens het onrechtmatige handelen van [gedaagde] en in verband met de afwikkeling van de maatschap aan [eiseres] een bedrag te voldoen van

€ 10.000,00, althans een zodanig bedrag dat de voorzieningenrechter in goede rechtspraak juist acht;

( h) [gedaagde] zal verbieden om de door haar gestarte verloskundigenpraktijk voort te zetten en zal gebieden om deze praktijk binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden;

( i) [gedaagde] zal gebieden om de volledige administratie alsmede alle door haar in deze praktijk ontvangen gelden van verzekeraars en cliënten aan [eiseres] – dan wel indien dit niet juist is aan de maatschap – af te geven op het adres van de maatschap aan de [adres 1] ;

( j) [gedaagde] zal gebieden om alle door haar in haar nieuwe opgestarte verloskundigenpraktijk ontvangen gelden aan [eiseres] – dan wel indien dit niet juist is aan de maatschap – af te geven;

( k) aan de veroordelingen onder (h), (i) en (j) een dwangsom te verbinden van € 25.000,00 voor iedere dag en voor iedere keer dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in strijd handelt met deze veroordelingen;

( l) [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan [gedaagde] betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de aard van het gevorderde reeds volgt dat [eiseres] in ieder geval bij de vorderingen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1 sub (a), (b), (d) (h), (i) en (j), voldoende spoedeisend belang heeft.

4.2.

De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat [gedaagde] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van praktijkassociatie dan wel dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Daartoe voert [eiseres] aan dat [gedaagde] (1) weigert de door haar aan [eiseres] te betalen vergoeding voor haar inbreng in de maatschap als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de overeenkomst te voldoen, (2) zonder enige vorm van overleg vanaf de maatschapsrekening een bedrag van € 4.000,00 aan zichzelf heeft overgemaakt, (3) bewust de maatschap ernstig heeft beschadigd door onjuiste en onvolledige berichtgeving aan cliënten, (4) zonder enige vorm van overleg de contactgegevens met de verzekeraars heeft gewijzigd, (5) feitelijk in strijd met de belangen van de maatschap heeft gehandeld door het echoapparaat mee te nemen, (6) zonder overleg de huurovereenkomsten van de praktijkruimten heeft opgezegd en de nog te betalen huur gedurende de resterende looptijd heeft betaald en (7) haar werk niet naar behoren heeft gedaan. [gedaagde] betwist dit alles. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Betreding praktijkruimten maatschap

4.3.

Ten aanzien van de door [gedaagde] eenzijdig opgezegde huur van de praktijkruimten van de maatschap heeft [eiseres] bij akte van 14 september 2018 (randnummer 28) aangevoerd dat de verhuurder naar aanleiding daarvan contact met haar heeft gezocht en dat de opzegging ongedaan is gemaakt, terwijl [gedaagde] bij antwoordakte na mondelinge behandeling (randnummer 38) zich op het standpunt stelt dat beide locaties aan de [adres 1] en [adres 2] niet meer worden gehuurd door de maatschap. Indien en voor zover de maatschap nog praktijkruimte huurt, betoogt [gedaagde] dat zij als maat gerechtigd is om die ruimte te betreden, maar “dat zij in de huidige situatie niet van zins is om zich in de buurt van [eiseres] te begeven en derhalve in de buurt te komen van de praktijkruimte die voorheen aan de maatschap toebehoorde en waarin [eiseres] thans haar eenmanszaak uitoefent” (zie randnummer 36 van de pleitnotities van [gedaagde] ). Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] , nadat zij de huur had opgezegd, zich nog in de praktijkruimte van de maatschap heeft begeven. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] onvoldoende recht en belang heeft bij het gevorderde verbod tot betreding van de praktijkruimte van de maatschap, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

Contact met patiënten en zakelijke relaties van de maatschap

4.4.

[eiseres] betoogt dat [gedaagde] zonder overleg en toestemming op 15 mei 2018 aan de cliënten van de maatschap heeft meegedeeld dat de maatschap heeft besloten om de samenwerking te beëindigen waardoor [gedaagde] doelbewust de zakelijke belangen van de door partijen gedreven maatschap heeft beschadigd. Volgens [eiseres] was het belang van [gedaagde] hierbij puur gelegen in het overnemen van zoveel mogelijk cliënten van de maatschap.

4.5.

Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] voldoende gemotiveerd toegelicht dat zij vanuit het oogpunt van schadebeperking met de hiervoor bedoelde – in haar ogen volkomen neutrale – mededeling aan de cliënten van de maatschap, gelet op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), in het primaire belang van de maatschap bij het verlenen van goede zorg heeft gehandeld, dat zij nadien de voormalige cliënten van de maatschap als zodanig niet meer heeft benaderd of nog zal benaderen en dat dit in het kader van de verdere afwikkeling van de maatschap ook niet nodig is.

Ten aanzien van het gevorderde verbod om zakelijke relaties van de maatschap op wat voor manier dan ook te benaderen, heeft [gedaagde] erop gewezen dat sommige relaties van de maatschap, ook relaties van haar huidige verloskundigenpraktijk zijn, zoals een internet- en telefonieprovider, het elektriciteitsbedrijf, het ziekenhuis, etc. Gelet hierop is de voorzieningenrechter met [gedaagde] voorshands van oordeel dat [eiseres] geen gerechtvaardigd belang heeft bij een ongeclausuleerd verbod op contacten tussen [gedaagde] en dit soort partijen. Een en ander betekent dat het in rechtsoverweging 3.1 sub (b) gevorderde verbod niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Maatschapsrekening

4.6.

Teneinde beweerdelijke onrechtmatige opnames van [eiseres] van de maatschapsrekening te voorkomen, heeft [gedaagde] de Rabobank verzocht deze rekening om te zetten naar een en/en-rekening waardoor betaalopdrachten uitsluitend met toestemming van beide partijen kunnen worden verricht. Nu de Rabobank dit verzoek bij e-mail van

9 juni 2018 heeft gehonoreerd (productie 9 van [gedaagde] ), ziet de voorzieningenrechter niet in welk belang [eiseres] nog heeft om daarnaast [gedaagde] te verbieden om bedragen van de maatschapsrekening over te schrijven naar zichzelf of derden, zoals door [eiseres] is gevorderd. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

Echoapparaat

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] het echoapparaat voor de aanvang van de maatschap door middel van financial lease heeft aangeschaft en dat [eiseres] dit apparaat in de maatschap heeft ingebracht. [gedaagde] heeft het echoapparaat feitelijk onder zich genomen en volgens haar bij een derde opgeslagen, “in afwachting van de algehele verdeling van het maatschapsvermogen dan wel het treffen van een afzonderlijke regeling met betrekking tot het echoapparaat” (randnummer 28 van de antwoordakte na mondelinge behandeling).

Ingevolge artikel 3 lid 2 van de overeenkomst is ieder der partijen bij het aangaan van de maatschap voor een gelijk deel gerechtigd tot de totale praktijk, hieronder mede begrepen roerende zaken, zoals inventaris, instrumentarium, computer enz.

Gelet hierop heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat [eiseres] geen beter recht dan [gedaagde] heeft om het echoapparaat onder zich te houden. Mede gelet op de verklaring van beide partijen dat zij door hun conflict over het gebruiksrecht van het echoapparaat van de maatschap ten behoeve van hun eigen verloskundigenpraktijk een ander echoapparaat hebben gehuurd ( [eiseres] ) dan wel aangeschaft ( [gedaagde] ), ziet de voorzieningenrechter thans – in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure – geen aanleiding om de gevorderde afgifte van het echoapparaat toe te wijzen.

Opname van € 4.000,00

4.8.

[eiseres] stelt verder dat [gedaagde] zonder overleg op 30 april 2018 een bedrag van

€ 4.000,00 aan de maatschap heeft onttrokken en dat zij daarmee in strijd heeft gehandeld met (artikel 7 lid 5 van) de overeenkomst. Daartegen voert [gedaagde] – onder verwijzing naar de brief van haar advocaat van 26 april 2018 (productie 12 bij dagvaarding in de bodemzaak) – als verweer dat aan haar een bedrag van € 4.769,55 te weinig is uitgekeerd en dat zij na verrekening met het aan [eiseres] verschuldigde inkoopbedrag nog recht heeft op een bedrag van € 2.739,36.

4.9.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.10.

Nu [eiseres] heeft erkend dat zij op haar beurt in mei en juni 2018 gelden van de maatschap tot een bedrag van ruim € 10.000,00 ten opzichte van [gedaagde] heeft “veiliggesteld”, zullen de door partijen aan de maatschap onttrokken gelden in het kader van gemelde vereffening van de maatschap in de bodemprocedure moeten worden betrokken, zoals [eiseres] ook zelf heeft voorgesteld. Voor zover [eiseres] betoogt dat de door haar onttrokken gelden ingevolge artikel 3 lid 7 van de overeenkomst aan haar toekomen, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze gelden betrekking hebben op baten, voortvloeiend uit haar handelen, verricht vóór de aanvangsdatum van de maatschap.

Mede gelet op de in de rechtspraak ontwikkelde strenge toetsingsmaatstaf voor toewijzing van een geldvordering in kort geding, leidt dit ertoe dat de gevorderde terugbetaling van het bedrag van € 4.000,00 voor afwijzing gereed ligt.

Schadevergoeding

4.11.

[eiseres] vordert voorts bij wijze van voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 10.000,00 wegens het onrechtmatig handelen van [gedaagde] (verlies van een groot deel van de cliëntenportefeuille) en in verband met de afwikkeling van de maatschap.

4.12.

Reeds vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van de schade die [eiseres] kennelijk in privé stelt te hebben geleden ten gevolge van het beweerdelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens de maatschap van partijen, dient het gevorderde voorschot op de schadevergoeding te worden afgewezen.

Maatschap “Birth, verloskundigenpraktijk”

4.13.

Ter onderbouwing van de aanvullend ingestelde vorderingen – zie rechtsoverweging 3.1 sub (h), (i) en (j) – betoogt [eiseres] dat het enkele doel van [gedaagde] is: “over de rug van de voormalige eenmanszaak van [eiseres] een eigen praktijk opbouwen en daarbij toe-eigenen wat niet van haar is (cliënten, echoapparaat, geld)” en “stiekem achter de rug van [eiseres] om (…) een eigen bedrijf had op gestart” (randnummers 32 en 33 van de akte tevens houdende een wijziging van eis van [eiseres] ).

4.14.

Met [gedaagde] stelt de voorzieningenrechter vast dat [eiseres] in de Kamer van Koophandel op 6 juni 2018 heeft laten registreren dat de onderneming van partijen met ingang van 1 juni 2018 is voortgezet door Verloskundigenpraktijk de Geboorte, zijnde de vroegere eenmanszaak van [eiseres] . Gelet hierop heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat er geen enkele grond is op basis waarvan het – vooruitlopend op de vereffening en verdeling van het maatschapsvermogen – uitsluitend aan [eiseres] zou zijn toegestaan om een praktijk als verloskundige te voeren. Ook heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat [eiseres] niet heeft toegelicht op grond waarvan de andere maten in de maatschap “Birth, verloskundigenpraktijk” gehouden zouden zijn een uitspraak in deze procedure tegen zich te laten gelden, nu die andere maten en/of maatschap “Birth, verloskundigenpraktijk” niet door [eiseres] in rechte zijn betrokken. Reeds om deze redenen dienen de hiervoor bedoelde aanvullende vorderingen te worden afgewezen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat [gedaagde] ten aanzien van de gevorderde afgifte van de volledige administratie van maatschap “Birth, verloskundigenpraktijk” eveneens terecht erop heeft gewezen dat toewijzing van die vordering in strijd zou komen met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en met de op haar rustende geheimhoudingsplicht ex artikel 7:457 BW.

4.15.

In aanmerking genomen dat de in rechtsoverweging 2.6 bedoelde bodemzaak thans voor beraad comparitie van partijen staat, komt de voorzieningenrechter al met al tot de slotsom dat alle vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 895,00

  • -

    salaris advocaat € 1.632,00 (€ 816,00 + 2 x ½ x € 816,00)

Totaal € 2.527,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.527,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.