Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3961

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
7219024 \ CV EXPL 18-3131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt dat een Grieks restaurant in Holten ontruimd moet worden omdat de huurder al ruim 65.000 euro aan huurbetalingen achterloopt. Dat bedrag moet hij dan ook betalen aan de verhuurder, samen met een voorschot op de huur die in de toekomst nog betaald moet worden en de proceskosten.

De huurder hoeft nu niet het resterende bedrag van de huurkoopovereenkomst te betalen, dat zal in een bodemprocedure aan de orde moeten komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 7219024 \ CV EXPL 18-3131

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 2] ,

eisende partij, hierna te noemen [eisers] ,

gemachtigde: mr. A.J. ter Wee te Meppel,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. A. aan het Rot te Almelo.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1.

de namens [eisers] betekende dagvaarding van 27 september 2018, waarbij [eisers] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [gedaagde] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen, met een akte overlegging producties.

1.2.

[gedaagde] heeft ter voorbereiding van de mondelinge behandeling de producties 1 t/m 6 in het geding gebracht, [eisers] de aanvullende productie 11.

1.3.

De vordering is behandeld ter zitting van 5 oktober 2018.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

1.4.

Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun gemachtigden, die daarbij gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het navolgende tussen partijen vast.

2.2.

Eiseres sub 2, mevrouw [eiser 2] , is eigenaresse van het onroerend goed, gelegen aan het adres [adres] te Holten. [eisers] exploiteerde aldaar tot april 2016 het [restaurant 1] .

2.3.

[eisers] heeft (kort gezegd) de exploitatie van [restaurant 1] verkocht aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft een eenmanszaak genaamd [restaurant 2] en het uittreksel uit het handelsregister vermeldt bij deze onderneming als activiteiten “het verrichten van voorbereidende rechtshandelingen om te komen tot exploitatie van een Grieks restaurant (tevens afhaal/bezorg) op het adres [adres] Holten”.

2.4.

Bij huurkoopovereenkomst van 6 april 2016 heeft [eisers] aan [gedaagde] verkocht:

- de exploitatie van [restaurant 1] , gevestigd [adres] Holten;

- de aldaar aanwezige inventaris volgens op te maken inventarislijst;

- de handelsnaam en goodwill van de onderhavige onderneming;

- de huurrechten van het pand waarin de onderhavige onderneming is gevestigd en waartoe separaat een huurovereenkomst is opgemaakt en wordt ondertekend;

een en ander voor de som van € 14.500,00.

Artikel 7 van deze overeenkomst bepaalt:

“De betaling van voornoemde koopprijs en al het verdere aan verkoper verschuldigde zal als volgt geschieden:

- een aanbetaling van € 3.000,00 bij het ondertekenen van deze huurkoopovereenkomst;

- een tweede betaling ter grootte van € 1.500,00 op de dag van de terbeschikkingstelling;

- de resterende koopsom, groot € 10.000,00 zal betaald worden in 10 maandelijkse termijnen van elk € 1.000,00, ingaande 1 juni 2016.

De eerste termijn, groot € 1.000,00 zal betaald worden voor of op 1 juli 2016 en vervolgens iedere maand eenzelfde bedrag. Na ontvangst van de laatste termijnbetaling vindt automatisch de juridische levering plaats”.

2.5.

Tussen artikel 32 en artikel 33 van de huurkoopovereenkomst is handmatig een bepaling toegevoegd. Deze luidt:

Toevoeging: alle (betalings)verplichtingen, buiten de (aan)betalingen om, gaan van start op het moment dat alle vergunningen verstrekt zijn, mitsdien het niet of later verkrijgen van de vergunning te wijten is aan de huurkoopnemer, c.q. huurder”. Het woord “mitsdien” dient volgens partijen te worden gelezen als “tenzij”.

Verder is bovenaan de eerste pagina van de overeenkomst nog handmatig toegevoegd:

“Koopbetaling: 1e aanbetaling € 3.000,-

2e aanbetaling € 1.500,-

is betaald € 4.500,-

Verder maandelijks € 1.000,- v.a. 1 juli 2016, mits vergunning is verleend”.

2.6.

Eveneens op 6 april 2016 hebben partijen een huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van art. 7: 290 BW gesloten, waarop de door [eisers] overgelegde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte van toepassing zijn.

Deze huurovereenkomst bepaalt in artikel 4.1 het volgende:

“De huurprijs van het gehuurde bedraagt op de ingangsdatum op maandbasis € 2.250,- te splitsen in € 1.500,- excl. BTW voor het bedrijfsgedeelte en € 500,- geen BTW voor de bovenwoning. Overeengekomen is tevens dat de huur voor het eerste jaar, derhalve tot en met 31 maart 2017 zal bedragen € 1.500,- excl. BTW voor het bedrijfsgedeelte, resp. € 500,- geen BTW voor de bovenwoning. Voor het tweede jaar € 1.575,- excl. BTW voor het bedrijfsgedeelte en € 550,- geen BTW voor de bovenwoning. Voor het derde jaar geldt een huurprijs van € 1.650,- excl. BTW voor het bedrijfsgedeelte en € 600,- voor de bovenwoning. Na verlenging van de huur voor de daarop volgende jaren zal de huur worden berekend als geldend in het derde huurjaar.”

Verder bepaalt artikel 10.1:

“de verhuurder zal met zijn/haar gezin per overnamedatum op 6 april 2016 de gelegenheid krijgen tot het vinden van een vervangende woonruimte gedurende een periode van minimaal 2 maanden met een maximum van 4 maanden”.

2.7.

[eisers] hebben kort daarna andere woonruimte gevonden en op 22 april 2016 hebben partijen een akte van levering opgemaakt en ondertekend. In de akte zijn onder meer de meterstanden van nutsvoorzieningen opgenomen en de akte bevat de volgende bijzondere bepalingen:

* Aanvang van de huurbetaling wordt 22 juni 2016.

* De 50% van de borg wordt gestort per 22 juni 2016.

* 6 wokbranders met bijbehorende pannen blijven in bezit van de verkoper.

2.8.

[gedaagde] heeft op 14 juni 2016 de voor de exploitatie van zijn restaurant vereiste vergunningen aangevraagd. Na een advies (en later een aanvullend advies) van het Landelijk Bureau Bibob heeft de burgemeester van de gemeente Rijssen-Holten bij besluit van 9 januari 2018 de door [gedaagde] ingediende aanvraag voor een Drank- en Horeca vergunning en een exploitatievergunning afgewezen. Naar het oordeel van het Landelijk Bureau Bibob was er sprake van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten, en/of, strafbare feiten te plegen ( [gedaagde] is in 2011 betrokken geweest bij hennepteelt, waarvoor hij in 2014 is veroordeeld).

2.9.

Op 13 april 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Zwolle, een door [gedaagde] ingediend verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen in die zin dat het besluit van de burgemeester van Rijssen-Holten van januari 2018 met onmiddellijke ingang wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar van [gedaagde] , voor zover het de sluiting van het afhaalgedeelte van het pand aan de [adres] in Holten betreft.

2.10.

Op 9 augustus 2018 heeft de gemeente Rijssen-Holten in de beslissing op bezwaar besloten dat de weigeringen van de exploitatievergunning en de Drank- en Horeca vergunning in stand blijven. De motivering van het bestreden besluit is wel aangepast. Op 16 augustus 2018 is pro forma beroep aangetekend tegen de beslissing op bezwaar en inmiddels zijn de gronden daarvoor ook aangevoerd. Verder is op 29 augustus 2018 een voorlopige voorziening aangevraagd hangende het beroep. Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 27 september 2018 behandeld door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Zwolle. De beslissing van de voorzieningenrechter volgt binnenkort.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert, na wijziging/vermeerdering van eis:

A.

[gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na datum van het vonnis aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 10.000,00 te verhogen met de wettelijke handelsrente over elk van de bedragen van € 1.000,00 die gezamenlijk de hoofdsom vormen, cumulatief, en wel over de eerste € 1.000,00 vanaf 1 augustus 2016, over de tweede € 1.000,00 vanaf 1 september 2016 en zo verder, alles tot de dag der algehele betaling.

B.

Primair:

[gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis het onroerend goed, aan het adres [adres] Holten, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte van alle sleutels en verder toebehoren alsmede geheel te beschikking van eiseres sub 2 te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo 444 Rv bepaalde;

Subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de verplichtingen uit de huurovereenkomst en de Algemene Bepalingen correct en tijdig na te komen, waaronder doch niet uitsluitend, de huurpenningen op de afgesproken wijze, dat wil zeggen voor of op de eerste dag van iedere maand aan eiseres sub 2 te voldoen, bij gebreke waarvan [gedaagde] aan eiseres sub 2 een dwangsom van € 1.000,00 per dag is verschuldigd met een maximum van € 50.000,00.

Zowel primair als subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen om aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 65.883,00 aan huurachterstand tot en met de maand september 2018, alles vanaf 1 juni 2016 te vermeerderen met de direct opeisbare boete(rente) van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand;

[gedaagde] te veroordelen om aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 2.596,50 voor iedere maand of een gedeelte daarvan, na de maand september 2018 tot en met de daadwerkelijke en algehele ontruiming, althans tot en met de einddatum van de lopende huurovereenkomst, telkens bij vooruitbetaling en uiterlijk voor of op de eerste dag van iedere maand te voldoen;

[gedaagde] te veroordelen om aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 9.882,45 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover indien betaling van de buitengerechtelijke kosten niet binnen acht dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt.

C.

[gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] te betalen de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, voor een bedrag van € 157,00 dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt voor een bedrag van € 239,00 en met bepaling dat indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan daarover wettelijke handelsrente verschuldigd is.

3.2.

[eisers] hebben het volgende hiertoe aangevoerd, kort samengevat.

[gedaagde] is de gevorderde bedragen uit hoofde van de huurkoopovereenkomst en de huurovereenkomst verschuldigd. De aanbetaling vermeld in de huurkoopovereenkomst is voldaan en [gedaagde] zou het restant van € 10.000,00 voldoen in 10 maandelijks termijnen van € 1.000,00, vanaf 1 juli 2016. Die afbetalingen zijn ten onrechte niet verricht. [gedaagde] is verder gelet op de akte van levering d.d. 22 april 2016 vanaf 22 juni 2016 huurpenningen verschuldigd. [gedaagde] heeft echter geen huur betaald. Inmiddels bedraagt de huurachterstand, berekend tot en met september 2018, een bedrag van € 65.883,00, zoals gespecificeerd in de dagvaarding. Gelet op de hoogte van de huurachterstand is er sprake van een spoedeisend belang en de huurachterstand is een tekortkoming van zodanig gewicht dat de bodemrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal overgaan, zodat de ontruiming vast als voorlopige voorziening kan worden toegewezen.

3.3.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Hij verweert zich, kort weergegeven, als volgt. Volgens [gedaagde] leent de kwestie zich niet voor behandeling in kort geding. Het spoedeisend belang ontbreekt en er zijn tal van punten ten aanzien waarvan partijen van mening verschillen. [gedaagde] heeft bij overname van het restaurant uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld dat hij, behoudens het voldoen van de aanbetalingen, geen enkele betalingsverplichting jegens [eisers] zou hebben, tot het moment dat alle benodigde vergunningen door de gemeente Rijssen-Holten aan [gedaagde] zouden zijn verleend. Zonder exploitatie waren er geen inkomsten om de betalingen te kunnen verrichten.

[eisers] hebben met deze voorwaarde ingestemd.

[gedaagde] is voortvarend te werk gegaan om de benodigde vergunningen te krijgen. Helaas heeft de gemeente geweigerd [gedaagde] de gevraagde vergunningen te verlenen. [gedaagde] is het hier niet mee eens en is inmiddels in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar van de gemeente en er loopt nog een voorlopige voorzieningsprocedure.

[gedaagde] is gelet op de afspraak in de huurkoopovereenkomst geen enkele betaling aan [eisers] verschuldigd. De bepaling in de huurkoopovereenkomst wijst er op dat de afspraak ook geldt voor de huurovereenkomst (“de huurkoopnemer c.q. de huurder”) en ook art. 11 wijst er op dat de huurovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de huurkoopovereenkomst. Bovenaan de huurkoopovereenkomst is handgeschreven vermeld dat de verdere maandelijkse betalingen van € 1.000,00 vanaf 1 juli 2016 in gaan “mits vergunning is verleend”. [eisers] hebben ook pas op 5 mei 2017 facturen (gebundeld) gestuurd terwijl er vóór 5 mei 2017 nimmer een factuur van [eisers] is ontvangen.

Ook speelt tussen partijen een geschil over gebreken aan het gehuurde, voor wiens rekening bepaalde gebreken dienen te worden hersteld.

De zaak is gelet op de meningsverschillen/verschillen in uitleg van de overeenkomst niet geschikt voor behandeling in kort geding; een en ander dient in een bodemprocedure te worden uitgezocht.

Ook de hoogte van de vordering wordt betwist en [gedaagde] doet zo nodig een beroep op opschorting dan wel verrekening. De vordering wegens buitengerechtelijke kosten dient te worden afgewezen aangezien niet wordt voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets en de eventueel gemaakte kosten vallen onder een eventuele proceskostenbeslissing. Ook de dwangsom dient te worden afgewezen dan wel gematigd, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter overweegt het volgende. Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de aard van de vordering (hoofdzakelijk ontruiming wegens een grote huurachterstand) en het daaromtrent door [eisers] gestelde ( [gedaagde] gebruikt het gehuurde al ruim twee jaar zonder te betalen terwijl [eisers] wel hypothecaire betalingsverplichtingen ten aanzien van het gehuurde hebben), aanwezig. [eisers] hebben al lang gewacht en van hen kan thans niet gevergd worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.

4.2.

De kantonrechter overweegt dat de vorderingen van [eisers] strekken tot betaling van geldsommen en tot ontruiming van het gehuurde, vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst. Voor toewijzing van geldsommen in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. De maatstaf voor toewijzing van de gevorderde ontruiming is dat die vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij die beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de na de gedane aanbetaling verschuldigde (tien) maandelijkse termijnen van € 1.000,00, voortvloeiende uit de huurkoopovereenkomst. Volgens [eisers] zou de eerste termijn betaald moeten worden vóór of op 1 juli 2016 en zo verder € 1.000,00 per maand. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat de betalingsverplichtingen pas zouden ingaan als de door hem benodigde vergunningen zouden zijn verstrekt, en deze zijn nog niet verstrekt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter moet deze vordering van [eisers] worden afgewezen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , ondersteund door de in overweging 2.5. vermelde handgeschreven aanvullingen op de huurkoopovereenkomst (“mits vergunning is verleend” en “alle (betalings)verplichtingen (…) gaan van start op het moment dat alle vergunningen verstrekt zijn”) haalt de vordering van [eisers] niet de hierboven vermelde vereiste hoge mate van aannemelijkheid voor toewijzing van geldsommen in kort geding.

4.4.

Dat is naar het oordeel van de kantonrechter anders voor de gevorderde huurpenningen. [eisers] heeft ter zitting gesteld dat de bedoeling was om [gedaagde] een redelijke termijn van een paar maanden te gunnen om de vergunningen voor elkaar te krijgen. Verder was op 6 april 2016 afgesproken dat [eisers] enige maanden de tijd zouden krijgen om andere woonruimte te zoeken. [eisers] hebben die andere woonruimte na korte tijd gevonden. Op 22 april 2016 hebben partijen vervolgens de akte van oplevering opgemaakt waarin onder meer expliciet is opgenomen dat de aanvang van de huurbetaling 22 juni 2016 wordt (de oplevering van de bovenwoning heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016).

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij de akte van levering, met daarin de bijzondere bepaling “* Aanvang van de huurbetaling wordt 22 juni 2016” heeft ondertekend. Hij heeft ter zitting gesteld dat hij dacht slechts te tekenen voor de juiste meterstanden, maar dat verweer zal worden verworpen. De akte van oplevering is qua uiterlijk een zakelijk stuk waar meer verklaringen in staan dan een verklaring van partijen over wat de meterstanden van de nutsvoorzieningen waren.
Gelet op deze door [gedaagde] ondertekende akte van oplevering heeft [eisers] het bestaan en de omvang van de huurvordering in hoge mate aannemelijk gemaakt. Indien de in de huurkoopovereenkomst opgenomen clausule al geacht moet worden ook betrekking te hebben op de betaling van huur voortvloeiend uit de huurovereenkomst, komt aan de akte van levering doorslaggevende betekenis toe, nu deze is door partijen is opgemaakt nà de huurkoopovereenkomst en expliciet (nader) invulling geeft aan het moment waarop de betaling van de huur ingaat. De vordering zal bij wijze van voorschot worden toegewezen, inclusief de gevorderde toekomstige huurpenningen.

4.5.

De huurachterstand per september 2018 van € 65.883,00 is een tekortkoming van zodanig gewicht dat de bodemrechter zeer waarschijnlijk op grond hiervan de huurovereenkomst zal ontbinden en de ontruiming van het gehuurde zal toewijzen. De kantonrechter zal de ontruiming als voorlopige voorziening toewijzen nu van [eisers] ook niet kan worden verwacht een bodemprocedure af te wachten.

4.6.

De kantonrechter laat het geschil over gebreken aan het gehuurde in het kader van deze procedure voor wat het is. [gedaagde] heeft onvoldoende het bestaan en de omvang van de gebreken aannemelijk gemaakt terwijl [eisers] gemotiveerd heeft betwist dat [gedaagde] iets van hen heeft te vorderen wegens gebreken aan het gehuurde ( [gedaagde] heeft in de akte van oplevering kort gezegd verklaard dat er geen gebreken zijn) en daarbij heeft [eisers] ook gesteld dat opschorting en verrekening contractueel zijn uitgesloten.

4.7.

De vordering van [eisers] zal als volgt worden toegewezen. De toekomstige huurpenningen zullen in het kader van deze procedure bij wijze van voorschot worden toegewezen tot de ontruiming. De buitengerechtelijke kosten zullen beperkt worden toegewezen. Contractueel overeengekomen vergoedingen voor buitengerechtelijke kosten worden doorgaans (in kantonzaken) gematigd tot de tarieven opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Toegewezen zal worden als voorschot een bedrag van € 1.433,00. Over deze schadepost is slechts wettelijke rente toewijsbaar.

4.8.

[gedaagde] dient, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten te dragen. De gevorderde nakosten zullen conform de landelijke aanbeveling worden begroot op het tarief van een half punt gemachtigdesalaris, met een maximum van

€ 100,00. Gelet op het gemachtigdesalaris in deze zaak, van € 200,00 per punt, zal worden toegewezen € 100,00. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (en de nakosten) is pas verschuldigd vanaf datum verzuim. De kantonrechter zal een termijn van 14 dagen bepalen voor betaling van deze kosten en beslissen dat de wettelijke rente over deze kosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

5 De beslissing in kort geding

I. Veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het onroerend goed, aan het adres [adres] Holten, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte van alle sleutels en verder toebehoren alsmede geheel ter vrij beschikking van eiseres sub 2 te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo 444 Rv. bepaalde.

II. Veroordeelt [gedaagde] om aan eiseres sub 2 te betalen bij wijze van voorschot een bedrag van € 65.883,00 aan huurachterstand tot en met de maand september 2018, vanaf 1 juni 2016 te vermeerderen met de direct opeisbare boete(rente) van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.

III. Veroordeelt [gedaagde] om aan eiseres sub 2 te betalen bij wijze van voorschot een bedrag van € 2.596,50 voor iedere maand of een gedeelte daarvan, na de maand september 2018 tot en met de daadwerkelijke en algehele ontruiming, telkens bij vooruitbetaling en uiterlijk voor of op de eerste dag van iedere maand te voldoen.

IV. Veroordeelt [gedaagde] om aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van

€ 1.433,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien betaling van de buitengerechtelijke kosten niet binnen acht dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt.

V. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op € 578,91, waaronder € 400,00 wegens het salaris van de gemachtigde. Begroot de nakosten op € 100,00. Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten (en de nakosten) vanaf de veertiende dag na heden tot de dag van volledige betaling.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2018.