Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3878

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
08-730176-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 33-jarige man tot een gevangenisstraf van 70 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor diefstal, vernieling en bedreiging. Daarnaast moet de man een bedrag aan schadevergoeding betalen van 279 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-730176-18 (P)

Datum vonnis: 16 oktober 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

2 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: tuinstoelen van de [vereniging] heeft gestolen;

feit 2: een muur van de verhoorkamer van de politie heeft beschadigd;

feit 3: [slachtoffer] heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 10 mei 2018 in de gemeente Oldenzaalvanaf een

tennisterrein aan de [adres 2] één of meer tuinstoelen, in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan

[vereniging] heeft weggenomen met het oogmerk om het

zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op of omstreeks 10 mei 2018 in de gemeente Borne opzettelijk en

wederrechtelijk een muur van een verhoorkamer, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale politie, eenheid

Oost-Nederland, district Twente toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

3

hij op of omstreeks 11 mei 2018 in de gemeente Borne [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling en/of met brandstichting, door tijdens een verhoor tegen [naam 1]

en/of [naam 2] , beiden hoofdagent bij de Nationale politie,

Eenheid Oost-Nederland dreigend de woorden te uiten: "Wacht maar af, ik krijg

hem ( [slachtoffer] ) nog wel te pakken, ik weet waar zijn auto geparkeerd staat

in de buurt van het politiebureau in Oldenzaal, laat hem de auto maar ergens

anders neerzetten, of hij merkt het wel" en/of "of moet ik zijn gezin gaan

lastig vallen, ik weet alles van hem en/of "ik steek zijn wagen wel een keer

in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke

dreigende woorden door die [naam 1] en/of [naam 2] aan die [slachtoffer] zijn

medegedeeld;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een muur van de verhoorkamer zou beschadigen toen hij welbewust een beker met koffie omsloeg in de richting van de muur.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij een leeg koffiebekertje omsloeg. In dat geval was er geen aanmerkelijke kans dat de muur van de verhoorkamer beschadigd zou worden. Ook van de onder 3 tenlastegelegde uitlating ‘of moet ik zijn gezin gaan lastig vallen, ik weet alles van hem’ moet verdachte worden vrijgesproken, nu dit geen bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplevert. Ten aanzien van het overige tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] namens de [vereniging] ’, pagina’s 3 tot en met 8;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 oktober 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

Ten aanzien van feit 2

Bewijsmiddelen

Door [naam 4] is aangifte van vernieling gedaan van een verhoorkamer van de Politie Nederland (de rechtbank begrijpt: de Nationale Politie, eenheid Oost-Nederland, district Twente) van het arrestantencomplex in Borne op 10 mei 2018.2 [naam 4] heeft in zijn aangifte verklaard dat verdachte zijn beker gevuld met koffie richting een politiemedewerker heeft gegooid/geslagen. Daardoor raakte de muur van de verhoorkamer besmeurd met koffievlekken. Dit was niet schoon te maken.

Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij een koffie beker van tafel heeft gegooid.3

Bewijsoverwegingen

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er door zijn handelen koffie op de muur van de verhoorkamer terecht zou komen, waardoor deze muur beschadigd zou worden. Daarvan is ook sprake in het geval verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling was dat hij een leeggedronken koffiebekertje omsloeg. Ook in dat geval zou er een aanmerkelijke kans hebben bestaan dat een kleine hoeveelheid achtergebleven koffie op de muur terecht zou komen, waardoor die muur beschadigd zou kunnen worden. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Het onder 2 tenlastegelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde uitlatingen ‘wacht maar af, ik krijg hem ( [slachtoffer] ) nog wel te pakken, ik weet waar zijn auto geparkeerd staat in de buurt van het politiebureau in Oldenzaal, laat hem de auto maar ergens anders neerzetten, of hij merkt het wel’ en ‘of moet ik zijn gezin gaan lastig vallen, ik weet alles van hem’, nu deze uitlatingen geen bedreigingen zijn met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling of met brandstichting, zoals verdachte is tenlastegelegd.

De rechtbank komt overigens wel tot bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit (overigens) heeft bekend en door of namens hem in zoverre geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pagina’s 13 en 14;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 1] en [naam 2] over de uitlatingen van verdachte, pagina 21;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 oktober 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij op 10 mei 2018 in de gemeente Oldenzaal vanaf een tennisterrein aan de [adres 2] tuinstoelen, die geheel toebehoorden aan de [vereniging] heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op 10 mei 2018 in de gemeente Borne opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een verhoorkamer, die geheel aan de Nationale politie, eenheid Oost-Nederland, district Twente toebehoorde, heeft beschadigd;

3

hij op 11 mei 2018 in de gemeente Borne [slachtoffer] heeft bedreigd met brandstichting, door tijdens een verhoor tegen [naam 1] en [naam 2] , beiden hoofdagent bij de Nationale politie, Eenheid Oost-Nederland dreigend de woorden te uiten: "ik steek zijn wagen wel een keer in de fik", welke dreigende woorden door die [naam 1] en [naam 2] aan die [slachtoffer] zijn medegedeeld.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285, 310 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: diefstal;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 3

met misdrijf: bedreiging met brandstichting.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) op te leggen, overeenkomstig het advies van de reclassering, zonder tussentijdse toets.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat een ISD-maatregel geldt als ultimum remedium en dat verdachte de laatste kans die hem is geboden met het Housing First-traject heeft gegrepen. Momenteel gaat het goed met verdachte, zoals zijn begeleidster tijdens de zitting ook heeft bevestigd. Verdachte heeft werk, is niet meer verslaafd en is bezig wat van zijn leven te maken. In plaats van een ISD-maatregel dient aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan zijn voorarrest te worden opgelegd, en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Tot slot dient bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr, aldus de raadsvouw.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, vernieling en bedreiging. Hij heeft hiermee schade, overlast, ergernis en angst veroorzaakt bij de benadeelden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 12 september 2018, opgesteld door [naam 5] . Daarin wordt geadviseerd tot het opleggen van de ISD-maatregel, omdat verdachte veelvuldig behandeling en begeleiding is aangeboden zonder dat dit tot resultaat heeft geleid. Verdachte heeft te weinig gedragsverandering laten zien en blijft delicten plegen. Het advies tot het opleggen van een ISD-maatregel is ter zitting herhaald door reclasseringsmedewerker [naam 6] , die als deskundige is gehoord.

Ter terechtzitting is eveneens [naam 7] als getuige gehoord, namens Housing First, de begeleidster van verdachte. Zij heeft onder meer verklaard dat verdachte voldoet aan de eisen van Housing First en dat zij op basis van de loonstroken van verdachte kan bevestigen dat hij fulltime werkt. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van een e-mailbericht van de partner van verdachte van 1 oktober 2018. Zij geeft hierin te kennen dat verdachte sinds de (recente) geboorte van hun derde kind is veranderd. Hij gaat fulltime naar zijn werk, is een liefdevolle vader, draagt bij aan het onderhouden van het gezin en gebruikt geen drugs meer. Ook geeft zij te kennen dat zij er bij het opleggen van een ISD-maatregel alleen voor komt te staan, hun dochter weer een extra klap te voortduren krijgt en verdachte zijn huis en begeleiding zal kwijtraken.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte reeds meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zoals blijkt uit het uittreksel van zijn justitiële documentatie van 31 augustus 2018. Ook heeft de rechtbank op voet van artikel 63 Sr rekening gehouden met een eerdere veroordeling van verdachte op 13 juni 2018.

De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m Sr aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Ook overweegt de rechtbank dat een ISD-maatregel geldt als ultimum remedium in het sanctierecht. Hoewel in de onderhavige zaak sprake is van zeer vervelende feiten en verdachte meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake is van een situatie die het opleggen van de ISD-maatregel eist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het er gelet op het voorgaande op lijkt dat verdachte is gestart met een positieve invulling van zijn leven. De rechtbank wil hem een laatste kans bieden deze lijn voort te zetten. Dat betekent dat de rechtbank het reclasseringsadvies niet zal volgen en zal afwijken van de vordering van de officier van justitie.

Wel zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf. De rechtbank heeft daarbij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken als uitgangspunt genomen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen passend en geboden, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De politie Oost-Nederland heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 279,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit betreft materiële schade, bestaande uit de kosten voor het schilderen van de muur.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd de vordering volledig toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr toe te passen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering betwist en zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 2 tenlastegelegde feit, dient de rechtbank het gevorderde bedrag daarom te matigen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge het onder 2 bewezen verklaarde feit.

De benadeelde partij heeft zijn schade onderbouwd met een factuur voor het schilderen van een wand met koffievlekken. Daaruit blijkt dat het bedrag dat de benadeelde partij vordert overeenkomt met het bedrag van deze factuur, en derhalve met de schade die de benadeelde partij heeft geleden. Deze schade is ontstaan door toedoen van verdachte.

De rechtbank acht de schadepost dan ook voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiele schade (een bedrag van € 279,10) daarom toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf: diefstal;

feit 2, het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 3, met misdrijf: bedreiging met brandstichting;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 (zeventig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 49 (negenenveertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de Politie Oost-Nederland van een bedrag van € 279,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 279,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 11 mei 2018, pagina’s 9 en 10.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte van 12 mei 2018, pagina 37.