Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3858

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
C/08/216023 / HA ZA 18-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grafrecht op het graf van een overleden baby. Het grafrecht heeft alle kenmerken van een beperkt zakelijk recht en heeft ook vermogensrechtelijke aspecten. Het grafrecht dat op naam van vader was gesteld maakte volgens de rechtbank onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap tussen vader en moeder. Vader en moeder hebben het grafrecht niet verdeeld, zodat het een overgeslagen goed is in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW. De rechtbank gaat over tot de gevorderde verdeling van het onverdeelde grafrecht en kent het toe aan moeder. De dochter, die het grafrecht als erfgenaam van vader op haar naam heeft doen schrijven door de gemeente, wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking om het grafrecht over schrijven op naam van moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/26
ERF-Updates.nl 2018-0203
Jurisprudentie Erfrecht 2018/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/216023 / HA ZA 18-156

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [eiseres],

wonende te [plaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bisschop te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en moeder enerzijds en [gedaagde] anderzijds genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 mei 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 augustus 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Moeder is gehuwd geweest met de heer [A] (hierna: vader). Uit het huwelijk van vader en moeder zijn drie kinderen geboren: [kind] (hierna: [kind] , [geboortedatum 1] ), [gedaagde] ( [geboortedatum 2] ) en [eiser] ( [geboortedatum 3] ). [kind] is op 4 mei 1975 overleden. Zij is in [plaats 3] begraven.

2.2.

Het grafrecht op het graf van [kind] (hierna: het grafrecht) is bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 3] van 6 mei 1975 toegekend aan vader.

2.3.

Het huwelijk tussen vader en moeder is ontbonden door echtscheiding op 29 juli 1983 te [plaats 3] . Aan vader zijn - kort gezegd - toegedeeld: roerende zaken, rechten en verplichtingen uit een levensverzekering en het recht van erfpacht van een perceel grond met de op die grond gestichte opstallen. Aan moeder zijn de inboedelgoederen toegedeeld. Tevens is in bedoelde akte het volgende finale kwijtingsbeding opgenomen:

(…) De comparanten (…) verklaarden vervolgens:

- dat de deelgenoten vorenstaande scheiding hebben tot stand gebracht, dat zij terzake van deze scheiding en deling nu niets meer van elkander te vorderen hebben en dat zij elkander mitsdien uit dien hoofde volledig kwiteren en déchargeren, zonder enig voorbehoud, (…)

2.4.

Op 29 juni 2015 is vader overleden. Vader was ten tijde van het overlijden ongehuwd en had geen geregistreerd partnerschap. [gedaagde] en [eiser] zijn de wettelijke erfgenamen van vader en hebben de nalatenschap allebei zuiver aanvaard.

2.5.

Bij besluit van 8 februari 2017 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 4] (hierna: het college) is op basis van een verzoek van [gedaagde] het grafrecht overgeschreven op naam van [gedaagde] . In bedoeld besluit staan de volgende voorwaarden voor het grafrecht vermeld:

1. In bovenstaande grafruimte mogen ten hoogste twee overledenen worden begraven. Het bijzetten van vier urnen of het verstrooien van de as van vier overledenen wordt toegestaan.

2. Dit grafbewijs geeft niet het recht tot het plaatsen van gedenktekenen of het stichten van een grafkelder. Daarvoor moet afzonderlijk een vergunning voor worden aangevraagd.

3. Het dagelijks onderhoud van de begraafplaats geschiedt door en voor rekening van de gemeente, hieronder is niet inbegrepen het herstellen van gebroken of anderszins beschadigde gedenktekenen.

4. De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen (…)

2.6.

De nalatenschap van vader is bij akte van verdeling op 12 juni 2017 verdeeld. Er is een finaal kwijtingsbeding opgenomen in de akte:

KWIJTING

Tenslotte verklaart de verschenen persoon (…) dat de verdeling aldus tot ieders volkomen genoegen tot stand is gebracht, dat ieder der deelgenoten het hem of haar toekomende heeft ontvangen en dat de deelgenoten elkander en de gevolmachtigden ter zake van deze verdeling en de afwikkeling van de nalatenschap volledige kwijting en décharge verlenen. (…)

2.7.

Op dit moment is er geen vergoeding (meer) verschuldigd aan de gemeente Steenwijkerland voor het (behoud van het) grafrecht. Tevens zullen de graven op de betreffende begraafplaats niet meer geruimd worden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] en moeder vorderen samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

tot verdeling van de gemeenschap die moeder met [eiser] en [gedaagde] heeft over te gaan en [gedaagde] te veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag haar medewerking te verlenen om binnen veertien dagen na dit vonnis het grafrecht over te dragen aan moeder en daartoe alle benodigde formaliteiten te verrichten;

subsidiair, voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat moeder geen aandeel meer toekomt in het grafrecht:

[gedaagde] te veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag haar medewerking te verlenen om binnen veertien dagen na dit vonnis het grafrecht over te dragen aan moeder en daartoe alle benodigde formaliteiten te verrichten;

Primair en subsidiair:

Zodanige maatregelen te nemen die in goede justitie redelijk worden geacht en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van hun vordering stellen [eiser] en moeder - kort samengevat - dat het grafrecht op het graf van [kind] onderdeel was van de huwelijksgemeenschap van goederen tussen vader en moeder. Het grafrecht is onverdeeld gelaten bij de verdeling van de gemeenschap tussen vader en moeder ten tijde van de scheiding, zodat [eiser] en moeder op grond van artikel 3:179 lid 2 BW alsnog verdeling vorderen. Moeder stelt zich op het standpunt dat zij het grootste belang heeft bij toekenning van het grafrecht. [eiser] sluit zich bij dat standpunt aan. Indien mocht blijken dat moeder geen aandeel (meer) heeft in het grafrecht, stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij als erfgenaam van vader tezamen met [gedaagde] rechthebbende is van het grafrecht. [gedaagde] heeft volgens [eiser] misbruik van omstandigheden gemaakt door het grafrecht zonder dat daarover consensus bestond op haar naam te stellen en heeft daarmee onrechtmatig gehandeld. Voorts is volgens [eiser] sprake van dwaling.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat het grafrecht geen onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap. Mocht dit wel het geval zijn, dan wijst [gedaagde] erop dat vader en moeder ter zake van de verdeling een finaal kwijtingsbeding hebben opgenomen in de akte. Er valt volgens [gedaagde] niets meer te verdelen, omdat het college het grafrecht op haar naam heeft overgeschreven. Slechts één persoon kan het recht krijgen en deze moet tot een beperkte kring van nabestaanden behoren. Moeder valt niet onder die beperkte kring van nabestaanden van vader. Bij een verdeling zou het grafrecht aan [gedaagde] moeten worden toegedeeld, nu het grafrecht op haar naam staat en zij haar vader de belofte heeft gedaan om het graf te blijven verzorgen. Bovendien is de nalatenschap van vader inmiddels verdeeld en ook in dat kader is finale kwijting verleend. Van misbruik van omstandigheden of dwaling is geen sprake en daarvoor is onvoldoende gesteld.

4 De beoordeling

Grafrecht

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag aan wie het grafrecht op het graf van de overleden baby [kind] moet worden toegekend. De vraag die de rechtbank ten eerste moet beantwoorden, is wat een grafrecht inhoudt. Een grafrecht is een door - in dit geval - het college toegekend recht om voor een bepaalde tijd ten hoogste twee overledenen te doen begraven in de betreffende grafruimte en tot een maximum van vier urnen te doen bijplaatsen. De rechthebbende is geen eigenaar van het graf, maar heeft zeggenschap over wie in het graf wordt begraven en begraven gehouden. Tevens kan de rechthebbende van het grafrecht vergunning vragen bij het college voor het plaatsen, verwijderen of herstellen van een grafmonument. Naar het oordeel van de rechtbank bezit het grafrecht daarmee alle kenmerken van een beperkt zakelijk recht (zie bijvoorbeeld Rb Zwolle, 15 september 1999, Prg. 2000, 5393 en de conclusie van A-G mr. Biegman-Hartogh bij HR 25 oktober 1985 NJ 1986, 308). Dat grafrecht heeft ook vermogensrechtelijke aspecten, omdat er nog een overledene kan worden begraven en tot een maximum van vier urnen kunnen worden bijgeplaatst. Daar staan geen verdere kosten voor het grafrecht tegenover, terwijl het graf niet meer zal worden geruimd.

4.2.

Het vorenstaande impliceert dat het grafrecht - dat op naam van vader was gesteld - onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap (het samenstel van goederen en schulden) tussen vader en moeder. Het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 januari 2007 (ECLI:NL:RBZLY:2007:BA5076) waar [gedaagde] naar verwijst ziet op een andere situatie, namelijk de situatie dat het grafrecht vanaf het eerste moment op naam van de dochter van de overledene (moeder) stond. In die zaak vorderde de weduwnaar (vader) een verklaring voor recht dat hij de enige rechthebbende was van het grafrecht, maar dat grafrecht maakte geen onderdeel uit van een (nog te verdelen) gemeenschappelijk vermogen zoals in de onderhavige zaak.

Verdeling huwelijksgemeenschap

4.3.

Vader en moeder hebben het grafrecht in de notariële akte van verdeling van 22 september 1983 niet verdeeld. De verdeelde goederen zijn in r.o. 2.3 geciteerd en hebben geen betrekking op het grafrecht. Het finale kwijtingsbeding ziet op de in die akte verdeelde goederen en schulden en niet op goederen die daarin niet genoemd zijn, gelet op de bewoordingen “dat de deelgenoten vorenstaande scheiding hebben tot stand gebracht, dat zij terzake van deze scheiding en deling nu niets meer van elkaar te vorderen hebben” (cursief rechtbank). Het grafrecht maakte geen onderdeel uit van de verdeelde goederen, zodat het grafrecht niet valt onder het finale kwijtingsbeding. Het grafrecht moet daarom worden aangemerkt als een overgeslagen goed in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW. Moeder vordert thans verdeling van het onverdeelde grafrecht en de rechtbank zal daartoe overgaan.

4.4.

Moeder is voor de onverdeelde helft gerechtigd tot het grafrecht. De andere onverdeelde helft komt toe aan [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk als erfgenamen van vader. Bij de verdeling moet ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW naar billijkheid rekening gehouden worden met de belangen van partijen. De rechtbank is van oordeel dat van de drie deelgenoten het grafrecht voor moeder de meest bijzondere waarde heeft. Zij heeft [kind] gedragen en haar na slechts enkele maanden verloren, wat een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest. [eiser] en [gedaagde] waren ten tijde van het overlijden van [kind] nog niet geboren. De rechtbank zal het grafrecht daarom aan moeder toekennen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de belofte waarop [gedaagde] zich beroept - namelijk de belofte aan vader dat zij voor het graf zal zorgen - nog steeds gestand kan worden gedaan, omdat zij ook zonder de beschikking te hebben over het grafrecht het graf van [kind] kan bezoeken en onderhouden. Voorts heeft moeder ter zitting verklaard dat zij de grafsteen - vanwege de in haar ogen slechte staat ervan - wenst te vervangen door een nieuwe grafsteen, zodat het graf van [kind] ook op die manier behouden zal blijven.

4.5.

Het vorenstaande betekent dat de primaire vordering van [eiser] en moeder zal worden toegewezen, namelijk in die zin dat het grafrecht aan moeder moet worden toegedeeld en dat [gedaagde] haar medewerking zal moeten verlenen om het grafrecht over te schrijven op naam van moeder. De rechtbank sluit aan bij de bewoordingen van artikel 29 lid 1 van de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen Steenwijkerland 2009 (hierna: de beheer verordening). In dat artikel staat vermeld dat het grafrecht op aanvraag van de rechthebbende kan worden overgeschreven ten name van de echtgenoot dan wel een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad. Van “overdragen”, zoals gevorderd door [eiser] en moeder, is geen sprake. Het college neemt een besluit op de aanvraag van de rechthebbende en met dat besluit wordt het grafrecht dan op naam van de voorgestelde persoon gezet.

4.6.

[gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat moeder niet tot de kring van rechthebbenden zou behoren zoals genoemd in artikel 29 lid 1 van de beheer verordening en dat het college het grafrecht om die reden niet op naam van moeder zou willen overschrijven. Die redenering kan de rechtbank niet volgen. [gedaagde] is op dit moment de rechthebbende aan wie het grafrecht is verleend (zie artikel 1 van de beheer verordening voor de begripsomschrijving van rechthebbende) en moeder is haar bloedverwant in de eerste graad. [gedaagde] dient dan ook op grond van artikel 29 lid 1 van de beheer verordening een aanvraag bij het college te doen tot overschrijving van het grafrecht op naam van moeder. Er bestaat geen aanleiding voor de rechtbank om gelet op de bewoordingen van artikel 29 lid 1 van de beheer verordening op voorhand te concluderen dat het college aan een dergelijk verzoek niet zou voldoen, integendeel.

Dwangsom en proceskosten

4.7.

De veroordeling om een aanvraag te doen bij het college om het grafrecht te doen overschrijven op naam van moeder is een inspanningsverplichting die rust op [gedaagde] en daaraan zal de rechtbank zoals gevorderd een dwangsom verbinden. Anders dan [gedaagde] betoogt, voorziet de rechtbank hierin geen executieproblemen, omdat [gedaagde] op eenvoudige wijze moet kunnen aantonen of zij een dergelijk verzoek aan het college heeft gedaan binnen de gestelde termijn. Wel zal de rechtbank aan de dwangsom een maximumbedrag verbinden van € 15.000,00. De termijn waarbinnen [gedaagde] de aanvraag moet doen zal de rechtbank stellen op dertig dagen na dit vonnis. Voorts dient [gedaagde] alle benodigde formaliteiten te verrichten die de gemeente Steenwijkerland in het kader van de aanvraag van haar verlangt.

4.8.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

deelt het grafrecht op het graf van [kind] toe aan moeder,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] haar medewerking te verlenen om binnen 30 dagen na dit vonnis het grafrecht op het graf van [kind] over te laten schrijven op naam van moeder, in die zin dat zij daartoe een aanvraag doet bij het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Steenwijkerland, en in dat kader alle benodigde formaliteiten te verrichten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan moeder een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.1

1 type: coll: