Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3814

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
C/08/208907 / HA ZA 17-469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heroverweging bevoegdheid rechtbank. Rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van een deel van de vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/208907 / HA ZA 17-469

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KBA BEHEER B.V.,

statutair gevestigd te Wierden en kantoorhoudende te Almelo,

eisende partij, hierna te noemen KBA,

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , respectievelijk vereffenaar,

advocaat: mr. K.J. Coenen te Enschede.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 februari 2018,

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde] van 18 april 2018 met één productie,

  • -

    de conclusie van repliek van KBA van 30 mei 2018 met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde] van 11 juli 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak bij vervroeging is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[2016] is te [plaats 1] overleden de heer [X] , geboren [1972] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: erflater), laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats 2] , aan de [adres] .

2.2.

Blijkens de verklaring van erfrecht van notaris Poppinghaus van 4 november 2016 is [gedaagde] de enige erfgename van erflater en heeft zij de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.3.

In de nalatenschap van erflater valt de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] , kadastraal bekend als sectie [xxxx] (hierna: de woning).

2.4.

KBA heeft op 25 oktober 2016 verlof gevraagd voor beslaglegging op de woning, het enige vermogensbestanddeel van erflater. Het verlof is op 26 oktober 2016 verleend en op 28 oktober 2016 gelegd en op 1 november 2016 betekend.

2.5.

De rechtbank Overijssel heeft op 16 augustus 2017 eindvonnis gewezen in de zaak met zaaknummer C/08/194796 / HA ZA 16-521 tussen KBA en [A] in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater, waarbij zij heeft geoordeeld dat KBA niet in haar vorderingen jegens [A] kan worden ontvangen.

2.6.

KBA heeft vervolgens op 5 september 2017 opnieuw verlof gevraagd en verkregen voor conservatoir beslag op de woning. Het beslag is diezelfde dag aan [gedaagde] betekend.

2.7.

De woning is verkocht aan een derde. Op de derdengeldenrekening van de notaris staat een bedrag van € 46.860,88 geparkeerd.

3 Het geschil

De vordering

3.1.

KBA vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te bevelen om over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater conform vererving vervolgens de wet binnen vier weken na betekening van het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] nalatig mocht zijn aan deze veroordeling te voldoen, zulks met benoeming van een onzijdig persoon volgens de wet in het geval [gedaagde] medewerking aan deze verdeling weigert, dan wel - subsidiair - de verdeling van de nalatenschap van erflater ex artikel 3:180 jo. 3:185 Burgerlijk Wetboek (BW) vast te stellen conform vererving volgens de wet, althans een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank redelijk en billijk acht;

II. voor recht te verklaren dat KBA een vordering heeft op de nalatenschap van erflater voor een bedrag van € 152.775,43, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% op jaarbasis over de hoofdsom van € 125.000,-- vanaf 4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag, voor zover mogelijk in het kader van de vereffening van de benificiair aanvaarde nalatenschap van erflater, uit die nalatenschap zal dienen te worden voldaan aan KBA en derhalve [gedaagde] te veroordelen om aan KBA te voldoen het bedrag van € 152.775,43, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de contractuele rente ter hoogte van 5% per jaar over de hoofdsom van € 125.000,-- vanaf 4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van het beslag op het woonhuis van erflater, te begroten volgens het gebruikelijke tarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt tot een bedrag van € 199,-- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.1.1.

KBA legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 21 mei 2014 met erflater een geldleenovereenkomst heeft gesloten, welke overeenkomst op 4 juni 2014 op schrift is gesteld en ondertekend. KBA heeft conform de geldleenovereenkomst aan erflater een lening van € 125.000,-- verstrekt tegen 5% rente per jaar, welke bedrag in onderling overleg in delen en op afroep aan CosMAC Enschede B.V. ter beschikking zou worden gesteld. Op 22 mei 2014 heeft KBA aan CosMAC Enschede B.V. overgeboekt een bedrag van € 25.000,--, op 28 mei 2014 een bedrag van € 25.000,--, op 4 juni 2014 een bedrag van € 50.000,--, en op 3 juli 2014 een bedrag van € 35.000,--, in totaal (dus) een bedrag van € 135.000,--. KBA stelt dat tot op heden geen enkele aflossing van het geleende heeft plaatsgevonden. Omdat [X] is overleden, is het door hem verschuldigde totaalbedrag aan KBA van € 152.775,43 conform artikel 7 van de geldleenovereenkomst terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar door KBA.

3.1.2.

KBA stelt verder dat erflater op zijn beurt op 21 mei 2014 een geldleen-overeenkomst heeft gesloten met CosMAC Enschede B.V., welke op 4 juni 2014 op schrift is gesteld en ondertekend, waarbij [gedaagde] een lening van € 125.000,-- heeft verstrekt aan CosMAC Enschede B.V. tegen een rente van 5% per jaar. CosMAX Enschede B.V. zou conform artikel 3 het totale bedrag van € 125.000,-- in 100 maandelijkse termijnen van € 1.250,-- voldoen per ultimo van de maand, voor het eerst op 30 september 2014. Daarnaast is er op 4 juni 2014 een pandakte getekend tussen CosMAC Enschede B.V. en erflater, waarbij CosMAC Enschede B.V. de aanwezige en toekomstige winkelinrichting, bedrijfsinventaris, overige materiële vaste activa, vorderingen behorende tot de ondernemingen en handelsvoorraden in tweede pand heeft gegeven aan erflater.

Het verweer

3.2.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van KBA in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van KBA met opheffing van het gelegde beslag en veroordeling van KNA in de proceskosten.

3.2.1.

[gedaagde] voert allereerst als verweer aan dat KBA de onjuiste partij heeft gedagvaard. [gedaagde] is in privé in rechte betrokken en niet in haar wettelijke hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [X] . Om die reden is het Amtsgericht Gronau, gevestigd te Gronau, Westfalen, Duitsland, exclusief bevoegd in dit geding te beslissen en niet de rechtbank Overijssel. Dat de vordering daadwerkelijk [gedaagde] in privé betreft, volgt expliciet uit het petitum van de dagvaarding. In het lichaam van de dagvaarding is weliswaar een betoog gehouden over geldleningen die KBA zou hebben verstrekt aan de erflater, maar het daar niet op aansluitende petitum vermeldt als vordering dat [gedaagde] zal worden bevolen om op straffe van een dwangsom handelingen te gaan verrichten, alsmede om de benoeming van een onzijdig persoon in het geval [gedaagde] haar medewerking zou weigeren. Daarnaast is een veroordeling gevorderd van [gedaagde] in privé in de kosten van het geding. Dit zijn vorderingen waarbij de normale competentieregels in acht genomen behoren te worden en waarbij de rechter in de woonplaats van de gedaagde, in casu [gedaagde] , als exclusief bevoegde rechter geldt. [gedaagde] in privé is dan ook gedagvaard voor een rechter die onbevoegd is aangaande deze zaken die de in Duitsland woonachtige [gedaagde] in privé treffen.

3.2.2.

[gedaagde] betwist dat met erflater een geldleenovereenkomst is gesloten. De overeenkomst, door KBA overgelegd als productie 2 bij dagvaarding, is door KBA niet eenduidig opgesteld. De overeenkomst is enerzijds door de heer [B] namens KBA ondertekend en anderzijds door de heer [X] namens "leningnemer" CosMAC Enschede B.V. Echter erflater wordt zelf ook "leningnemer" genoemd, maar hij heeft de overeenkomst slechts ondertekend namens CosMAC Enschede B.V., en niet door hem in privé. Bij gebreke van de rechtens vereiste ondertekening en goedschrift door erflater bindt de overeenkomst erflater niet in privé, en om die reden dus (ook) niet de nalatenschap en ook niet [gedaagde] .

3.2.3.

[gedaagde] betwist verder dat door KBA daadwerkelijk bedragen zijn uitgeleend aan erflater. In de overeenkomst is opgenomen dat KBA een krediet verstrekt dat in gedeelten en "op afroep" zal kunnen worden aangesproken teneinde dat geld aan te wenden voor de financieringsbehoefte van CosMAC Enschede B.V. De heer [B] heeft in deze BV middellijk een meerderheidsaandelenbezit. Niet is gebleken van 'afroep' en van betalingen die hebben plaats gevonden 'op afroep'. Volgens [gedaagde] gold het door de onderneming van de heer [B] verstrekte krediet 'op afroep' in fiscale zin als een zakelijke lening met alle lucratieve fiscale faciliteiten van dien voor zijn administratiekantoor.

3.2.4.

Uit de overeenkomst blijkt verder dat de leninggever geen bedragen naar erflater zal overmaken en dat de leninggever samen met het door leninggever in de (als leningnemer onder het contract vermelde) onderneming CosMAC Enschede B.V. te investeren aandeel rechtstreeks in een gezamenlijk bedrag zal overmaken naar CosMAC Enschede B.V. Om die reden zijn de door KBA aangetoonde betalingen geen gelden die enkel ten behoeve van de erflater zijn gedaan. Alle 'voor de erflater' gedane betalingen zijn immers op grond van de overeenkomst expliciet tenminste voor de helft voor leninggever zelf gedaan. Dit betekent dat het totaalbedrag van € 135.000,00 voor tenminste de helft ten behoeve van KBA zelf aan CosMAC Enschede B.V. is voldaan en dat derhalve de vordering op erflater, quod non, niet € 135.000,- betreft, maar € 67.500,-. Daar komt bij dat KBA (c.q. de heer [B] ) en erflater meerdere CosMAC ondernemingen hebben, waarvan een aantal in staat van faillissement verkeren. Uit de overeenkomst blijkt niet dat, wanneer door KBA aan CosMAC Enschede B.V. of aan andere CosMAC onderneming een bedrag wordt betaald met het woord 'lening' in de omschrijving bij de overboeking, het desbetreffende geldbedrag dan aangemerkt wordt als geheel of gedeeltelijk ten last van erflater komend.

3.2.5.

Uit de vier bankafschriften kan niet worden herleid of, en zo ja, hoeveel, erflater eventueel aan KBA verschuldigd was. De vier bankafschriften die gevolgd worden door jarenlange financiële transacties tussen de diverse betrokkenen, zijn derhalve geen bewijs van het (nog) bestaan van een geldschuld van erflater.

3.2.6.

KBA is als enige zelfstandig bevoegd bestuurder van de gefailleerde vennootschap CosMAC Enschede B.V., jegens de nalatenschap aansprakelijk voor terugbetaling van de door KBA gestelde door erflater aan CosMAC Enschede B.V. verstrekte lening. Dat betekent dat in geval van verrekening, het door KBA te vorderen bedrag aangevuld zal moeten worden door KBA tot het bedrag van € 125.000,- dat volgens KBA door erflater is geleend aan CosMAC Enschede B.V. zijnde een vennootschap van KBA.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft acht geslagen op de onderliggende stukken en zal zich allereerst buigen over het verzoek van [gedaagde] (reeds) gedaan ter comparitie van partijen om de beslissing van rechtbank omtrent haar bevoegdheid te heroverwegen. Het verweer van [gedaagde] is door de rechtbank aangemerkt als een incident en de rechtbank heeft klaarblijkelijk om die reden KBA in de gelegenheid gesteld om een conclusie van antwoord in het incident te nemen. KBA heeft vervolgens ook een conclusie van antwoord in het incident genomen en tevens een akte wijziging partijaanduiding ingediend. De rechtbank heeft zich vervolgens in haar tussenvonnis van 14 februari 2018 bevoegd verklaard om over de zaak te oordelen en te beslissen.

4.2.

[gedaagde] heeft ter comparitie aangevoerd in het verweer dat zij ten onrechte in privé is gedagvaard en niet als wettelijk vereffenaar van de nalatenschap, te volharden. Het verweer dat de verkeerde partij is gedagvaard wordt ten principale gevoerd en niet als exceptief verweer bij incidentele conclusie. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte dit principale verweer als incidenteel verweer heeft aangemerkt, alsmede dat de rechtbank ten onrechte aan KBA de mogelijkheid heeft geboden om een conclusie van antwoord in incident in te dienen, derhalve een tweede schriftelijke ronde waarop [gedaagde] niet meer heeft mogen reageren. [gedaagde] heeft in haar akte na comparitie van partijen gesteld onredelijk te zijn benadeeld of te zijn geschaad in haar verdediging vanwege het feit dat zij niet in de gelegenheid is gesteld tot wederhoor.

4.3.

KBA heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de rechtbank de juiste beslissing heeft genomen in haar tussenvonnis van 14 februari 2018. KBA heeft betwist [gedaagde] in privé te hebben gedagvaard en gesteld dat de vordering is ingesteld tegen [gedaagde] als wettelijk aangewezen vereffenaar. Volgens KBA staat dat niet met zoveel woorden letterlijk op de eerste pagina van de dagvaarding vermeld maar blijkt overduidelijk uit het fundamentum petendi en het petitum dat [gedaagde] niet pro se is gedagvaard maar in haar hoedanigheid van vereffenaar. De vorderingen zien op de afwikkeling van het afgescheiden vermogen van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater en niet op het privé-vermogen van [gedaagde] . KBA is van mening dat, nu onomstotelijk vaststaat dat de vereffenaar alleen gerechtigd is om als vereffenaar op te treden in de nalatenschap van erflater, de dagvaarding correct is betekend.

4.4.

De rechtbank zal naar aanleiding van de standpunten van partijen haar beslissing deels heroverwegen, omdat zij te voorbarig een beslissing heeft genomen over haar bevoegdheid in onderhavige zaak. Vast staat dat op het voorblad van de dagvaarding [gedaagde] staat genoemd en niet [gedaagde] in haar hoedanigheid van vereffenaar. KBA heeft gesteld dat de vorderingen in de dagvaarding blijkens de formuleringen duidelijk zijn ingesteld tegen [gedaagde] in haar hoedanigheid van vereffenaar. De rechtbank zal haar bevoegdheid dan ook bepalen aan de hand van de ingestelde vorderingen van KBA.

4.5.

De vordering onder I heeft betrekking op de vereffening van de nalatenschap van erflater. Deze vordering kan niet anders dan alleen betrekking hebben op [gedaagde] in haar wettelijke hoedanigheid van vereffenaar. [gedaagde] dient hier als vereffenaar op te treden. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van KBA dat zij op grond van artikel 4 van de Europese Erfrecht Verordening, Verordening (EU) Nr. 650/2012 (hierna: ErfVo) in samenhang met artikel 9 sub c Rv bevoegd is om over deze vordering te oordelen en te beslissen, omdat erflater in [woonplaats 2] , zijnde zijn laatste gewone verblijfplaats, is overleden.

Daar komt bij dat in artikel 21 lid 1 ErfVo is bepaald dat de vereffening en de afwikkeling dient plaats te vinden volgens het recht van het land waar de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats had. In onderhavige zaak is dus het Nederlandse recht van toepassing. Het is om die reden dan ook niet redelijk voor KBA om omtrent deze vordering in Duitsland te procederen.

4.6.

Ten aanzien van de vordering onder II ligt dat deels anders. Het eerste gedeelte van vordering onder II, te weten de verklaring voor recht dat KBA een vordering heeft op de nalatenschap van erflater voor een bedrag van € 152.775,43 en dat een bedrag, voor zover mogelijk in het kader van de vereffening van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater, uit die nalatenschap zal dienen ter worden voldaan aan KBA, heeft betrekking op de vereffening en de afwikkeling van de nalatenschap van erflater, en dus geldt hetzelfde als voor de vordering onder I. De rechtbank acht zich dan ook ten aanzien van dit deel bevoegd. Echter voor het tweede gedeelte van de vordering ziet de rechtbank dat anders. KBA vordert namelijk [gedaagde] te veroordelen om aan KBA te voldoen het bedrag van

€ 152.775,43, te vermeerderen met de contractuele rente. De rechtbank kan dit niet anders opvatten dan dat deze veroordeling persoonlijk is bedoeld en dit laat zich niet repareren door een akte wijziging partijaanduiding. De rechtbank zal zich dan ook ten aanzien van dit gedeelte van de vordering onbevoegd verklaren. Ditzelfde geldt voor de vordering onder III, waar door KBA wordt gevorderd om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

4.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij bevoegd is ten aanzien van de vordering onder I en het eerste gedeelte van de vordering onder II.

4.8.

KBA heeft ter comparitie bepleit behoefte te hebben aan inzicht over de financiële staat van de nalatenschap om te beoordelen of van haar zijde wordt doorgeprocedeerd. [gedaagde] heeft naar aanleiding hiervan een financieel overzicht in het geding gebracht, waarin de kosten van de vereffening van de nalatenschap niet zijn gespecificeerd. KBA heeft uitgebreid verweer gevoerd tegen de inhoud van het financieel overzicht en heeft naar aanleiding daarvan besloten om door te procederen. De rechtbank zal niet in gaan op deze discussie tussen partijen, omdat deze geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige geschil. Partijen hebben weliswaar reeds gerepliceerd en gedupliceerd, maar de rechtbank is van oordeel dat dit betrekking had op de reeds hiervoor genoemde bevoegdheidsdiscussie. Om voldoende hoor en wederhoor toe te passen, zal de rechtbank partijen nog eenmaal in de gelegenheid stellen om indachtig na te melden uitkomst van het bevoegdheidsgeschil op elkaars standpunten in de dagvaarding en conclusie van antwoord te reageren. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van woensdag 3 oktober 2018 voor het nemen van een akte aan de zijde van KBA. Vervolgens wordt [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een antwoordakte te nemen.

4.9.

De rechtbank houdt elke verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

heroverweegt haar beslissing in het vonnis van 14 februari 2018 en verklaart zich onbevoegd voor zover KBA het volgende heeft gevorderd:

- “ [gedaagde] te veroordelen om aan KBA te voldoen het bedrag van

€ 152.775,43, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de contractuele rente ter hoogte van 5% per jaar over de hoofdsom van € 125.000,-- vanaf 4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van het beslag op het woonhuis van [X] , te begroten volgens het gebruikelijke tarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van

€ 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt tot een bedrag van

€ 199,-- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening",

5.2.

verklaart zich ten aan zien van de overige vorderingen bevoegd om daarop te beslissen en verwijst de zaak in zoverre naar de rolzitting van deze rechtbank en vestiging van woensdag 3 oktober 2018 voor het nemen van een akte aan de zijde van KBA,

5.3.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

22 augustus 2018.