Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3812

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
C/08/199154 / HA ZA 17-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:310 e.v. BW en artikel 3:317 lid 1 BW. Niet in rechte is komen vast te staan dat sprake is geweest van een rechtsgeldige tweede stuiting van de aan de orde zijnde vordering. Vordering is verjaard. Vordering op erfgenamen wegens verkeersongeluk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/408
PS-Updates.nl 2018-0831
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/199154 / HA ZA 17-117

Vonnis van 15 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

advocaat: mr. J.F. Schultz te Emmen,

tegen

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN DE HEER [X] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. J. Streefkerk te Voorburg.

De weergave van het procesverloop

1. Het procesverloop laat zich als volgt duiden:

- de op 2 maart 2017 door [eiser] uitgebrachte inleidende dagvaarding;

- de op 19 juli 2017 door de erven [X] in het geding gebrachte conclusie van antwoord;

- de op 22 november 2017 door [eiser] in het geding gebrachte conclusie van repliek;

- de op 28 maart 2018 door de erven [X] in het geding gebrachte conclusie van dupliek;

- de op 25 april 2018 door [eiser] in het geding gebrachte akte;

- de op 9 mei 2018 door de erven [X] in het geding gebrachte akte uitlating producties;

2. Daarna is vonnis gevraagd waarvan de uitspraak - na aanhouding - is bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

3. Op 12 november 2004 heeft het hier aan de orde zijnde zeer ernstige verkeersongeluk plaatsgevonden. De door [X] bestuurde auto is op de verkeerde weghelft terecht gekomen. Daar heeft een frontale botsing plaatsgevonden met de auto, bestuurd door [A] . Als gevolg van dat ongeval heeft [A] zeer zwaar letsel opgelopen. Haar onderste ledematen zijn verbrijzeld. Zij heeft vele medische behandelingen ondergaan en heeft zeer langdurig moeten revalideren. Van het zware letsel is zij niet volledig hersteld. Ook [X] heeft toen ernstig letsel opgelopen.

4. Namens [X] heeft de WAM verzekeraar CV Turien en Co. Assuradeuren de aansprakelijkheid hiervoor erkend.

5. Ten tijde van het ongeval waren [A] en [eiser] partners van elkaar en woonden zij samen, en wel tot enkele jaren voor het uitbrengen van de dagvaarding. Zij hebben gezamenlijk een zoon.

6. [X] is [2015] overleden.

Het standpunt van [eiser]

7. [eiser] vordert in dit geding om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [X] aansprakelijk is voor de als gevolg van het

onderhavige ongeval, door [eiser] gemaakte kosten (lees: geleden schade);

II. te verklaren voor recht dat [X] op grond van artikel 6:107 BW is gehouden de door [eiser] gemaakte kosten (lees: schade), aan [eiser] te vergoeden;

III. [X] te veroordelen om aan [eiser] te betalen het totaal van de als gevolg van het onderhavige ongeval op 12 november 2004 door [eiser] geleden schade, welke schadebedragen en schadeaanduidingen staan vermeld in de inleidende dagvaarding onder “primair” op pagina 25; onder subsidiair op pagina 26, en onder meer subsidiair op pagina 27 van die dagvaarding;

IV. [X] te veroordelen om aan [eiser] te betalen alle eventueel verschuldigde heffingen, inkomstenbelasting en (premies) volksverzekeringen over de totale schadevergoeding;

V. [X] te veroordelen om aan [eiser] te betalen de kosten van rechtsbijstand ad € 14.301,69;

VI. [X] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met eventuele wettelijke rente en nakosten.

8. Daartoe is door [eiser] gesteld dat hij - naast [A] - als gevolg van voornoemd ongeval kosten heeft gemaakt (lees: schade heeft geleden). Zo heeft [eiser] onder meer de verzorging van hun zoon gedurende lange tijd “van [A] overgenomen althans daaraan substantieel bijgedragen”. [zoon] is geboren [1999] en was ten tijde van het ongeval 5 jaren oud. Door die verzorging is hij niet in staat geweest om voldoende aandacht en tijd te besteden aan zijn autobedrijf (eenmanszaak met 1 monteur). Daardoor is financiële schade geleden en heeft hij kosten gemaakt. Deze schade dient ex artikel 6:107 van het burgerlijk wetboek (BW) door [X] vergoed te worden. Verzekeraar Turien is niet bereid gebleken deze schade van [eiser] te voldoen; reden waarom thans de erven [X] daartoe worden aangesproken.

9. De door [eiser] gevorderde schade laat zich als volgt rubriceren in totaalbedragen (met detaillering per na te noemen item in de producties 6 tot en met 11 bij de dagvaarding):

- a. reiskosten wegens verblijf van [A] in ziekenhuis en revalidatiecentrum:

€ 12.938,36;

- b. reistijd wegens verblijf van [A] in ziekenhuis en revalidatiecentrum:

€ 47.090.96;

- c. kosten van verzorging en begeleiding (inclusief oppas) van [zoon] :

€ 36.063,75;

- d. kosten van vervoer van en naar school van [zoon] : € 9.408,-;

- e. schade betreffende verzorging, begeleiding, waarneming belangen etc. van [A] tijdens verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentrum: € 1.057,42;

- f. kosten van verzorging en begeleiding van [A] tijdens de weekenden (gedurende de periode dat zij tijdens haar verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentrum, in het weekend naar huis mocht: € 8.643,60;

- g. kosten van medische behandelingen van [zoon] : € 552,50;

- h. gederfde winkelhuur: € 13.200,-;

- i. overige kosten: € 1.602,09;

Het standpunt van de erven [X]

10. De erven [X] hebben geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde onder aanvoering van het volgende:

- de van 2004 daterende vordering is na stuiting op 19 oktober 2009 verjaard op 19 oktober 2014. Het exploot van betekening (zie bijlage 2 bij de conclusie van antwoord) is immers eerst betekend op 10 november 2014. Van een rechtsgeldige volgende stuiting is aldus geen sprake geweest;

- in artikel 3 van de gesloten vaststellingsovereenkomst heeft de ex-partner van [eiser] , [A] , kwijting verleend, welke kwijting ook geldt voor “de verplaatste schade van artikel 6:107 BW (zie conclusie van antwoord onder 4.1.0). [A] was bevoegd om zelf die “107-kosten” te vorderen en was dus ook bevoegd om daarvoor kwijting te verlenen (zie alinea 3.4. CvA). In dat artikel 3 van die vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat [A] niets meer te vorderen heeft van de verzekeraar dan wel de veroorzaker van de schade “en wie het verder zou mogen aangaan”;

- artikel 6:107 lid 1 Burgerlijk Wetboek stelt voor een vordering als deze de eis dat het moet gaan om kosten die een derde ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt, en dat het kosten moet betreffen die de gekwetste had kunnen vorderen van de aansprakelijke partij, indien de gekwetste die kosten zelf zou hebben gemaakt. De kosten/schade die [eiser] thans vordert voldoen niet aan die vereisten, omdat die niet zijn gemaakt ten behoeve van [A] , maar ten behoeve van [zoon] . Ook vordert [eiser] eigen (vermogens)schade.

- de letselschade van [A] is afgewikkeld, wat heeft geresulteerd in de vaststellingsovereenkomst van 4 februari/4 maart 2014 (zie bijlage 3 bij de conclusie van antwoord). In artikel 3 van die overeenkomst is vastgelegd dat [A] algehele en finale kwijting verleent voor haar schade, “materieel, immaterieel en ideëel, bekend en onbekend”. Ook is aldus afgesproken dat [A] niets meer te vorderen heeft van de verzekeraar dan wel de “veroorzaker” van de schade “en wie het verder zou mogen aangaan”. Er is geen voorbehoud opgenomen met betrekking tot een eventuele aanspraak van een derde op de voet van artikel 6:107 lid 1 BW. Een en ander maakt dat de door [A] verleende finale kwijting ook betrekking heeft op de verplaatste schade van artikel 107 BW; onder “en wie het verder zou mogen aangaan” vallen ook de erven van [X] ;

- het elftal door [eiser] opgevoerde schadeposten leent zich (ook) niet voor toewijzing om reden zoals per post in de conclusie van antwoord is verwoord onder 5.1. tot en met 6.11.

De beoordeling van het bij wijze van verweer gedane beroep op verjaring

11. Door de erven [X] is bij wijze van verweer aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard aangezien tussen de stuiting van de oorspronkelijke verjaringstermijn van die vordering op 19 oktober 2009 en 10 november 2014 (datum deurwaardersexploot; zie bijlage 2 bij de conclusie van antwoord) een langere periode is gelegen dan de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaren (artikel 3:310 lid 1 BW), waarbinnen geen tweede rechtsgeldige stuiting heeft plaatsgevonden.

12. Door [eiser] is in reactie op het door de erven gedane beroep op verjaring gesteld dat de verjaringstermijn van zijn hier aan de orde zijnde vordering op [X] rechtsgeldig is gestuit door de brief van 23 november 2012 van de (voormalig) raadsman van [eiser] aan “Bureau [Y] ” (bijlage 22 bij de conclusie van repliek), waarvan een kopie is gezonden aan Turien & Co, opdrachtgeefster van Bureau [Y] en verzekeraar van [X] . Naar zeggen van [eiser] was dat Bureau [Y] op dat moment de juridisch gemachtigde van [X] . Bij brief van 27 november 2012 (bijlage 26 bij de conclusie van repliek), heeft “Bureau [Y] “ schriftelijk gereageerd op die brief van 23 november 2012.

13. De rechtbank is van oordeel dat op de veronderstelde vordering van [eiser] op [X] - niet zijnde een vordering vallend onder de werking van de WAM - (dus) het bepaalde in de artikelen 3:310 e.v. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Op basis van de daar geformuleerde maatstaven moet worden beoordeeld of die brief van 23 november 2012 een tweede rechtsgeldige stuiting van de hier aan de orde zijnde reeds eerder – te weten op 19 oktober 2009 - door stuiting met vijf jaren verlengde verjaringstermijn van de (vermeende) vordering van [eiser] heeft teweeg gebracht.

14. Door de erven [X] is gemotiveerd betwist dat de inhoud daarvan onder de aandacht van erflater is gebracht dan wel dat erflater daarvan kennis had behoren te nemen. In dit verband is tevens gemotiveerd weersproken dat de geadresseerde van deze brief op of omstreeks 23 november 2012 als gemachtigde van erflater had te gelden. Dit ook omdat Bureau [Y] optrad en eerder had opgetreden als gemachtigde voor (alleen) de WAM verzekeraar CV Turien en Co. Assuradeuren, en (dus) niet (ook) voor erflater [X] zelf.

15. Door [eiser] is deze stellingname vervolgens niet (meer) inhoudelijk betwist, zodat voor juist moet worden gehouden dat “Bureau [Y] “ op 23 november 2012 en ook later geen (tot de ontvangst van stukken waaronder een stuitingsbrief bevoegde) gemachtigde van erflater [X] was. Ook zijn door [eiser] niet alsnog adequate feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [X] desondanks wel weet heeft gekregen c.q. had behoren te krijgen van de inhoud van die niet aan [X] gerichte brief van 23 oktober 2012. Er is hier dan ook geen reden om [eiser] nog te belasten met het bewijs dat [X] (tijdig) kennis heeft genomen/moet hebben genomen van de inhoud van die brief van 23 november 2012.

16. Voorts verdient hier overweging dat die brief van 23 november 2012 duidelijk “slechts” gericht is geweest op het verkrijgen van (nadere) informatie of en in hoeverre destijds bij de afwikkeling van de schade door de verzekeraar met mevrouw [A] , ook nog enige (mogelijke) schadeposten van [eiser] zelf zijn afgewikkeld door die verzekeraar. Gevraagd wordt in zoverre om een specificatie van “die bedragen en een overzicht van die betalingen” aan [eiser] . Aldus is deze brief in hoofdzaak uitdrukkelijk bedoeld om informatie te vergaren, kennelijk met het doel om op basis daarvan alsnog (opnieuw?) af te wegen of [eiser] nog rechten kan doen gelden op de vergoeding van meer en andere schade. Uit de inhoud van die brief blijkt niet van wie [eiser] denkt meer en andere schade te kunnen afdwingen. Juist omdat de brief alleen is gericht aan de gemachtigde van genoemde WAM verzekeraar. Niet wordt in die brief erflater [X] genoemd als degene van wie [eiser] alsnog schade vergoed wenst te krijgen. De in die brief opgenomen slotopmerking dat namens cliënt – [eiser] – alle ”rechten en weren” worden voorbehouden, is dan ook niet te relateren aan erflater [X] maar veeleer aan het adres van voornoemde verzekeraar. Kennelijk werd met die brief beoogd om ten behoeve van [eiser] meer en andere schade vergoed te krijgen van juist die verzekeraar.

17. Aldus beschouwd voldoet die brief tussen [eiser] en erflater [X] ook niet inhoudelijk aan de eisen die gesteld mogen worden aan een stuitingsbrief. Immers staat daarin niet vermeld dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming door erflater [X] voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). De brief houdt geen waarschuwing in aan het adres van erflater [X] dat hij ook na het verstrijken van de (dus reeds eerder verlengde) verjaringstermijn rekening moet blijven houden met de mogelijkheid van het bestaan van deze vordering van [eiser] op erflater [X] . De context van die brief noopt - zoals hiervoor is uiteengezet - niet tot een andere voor [eiser] gunstige lezing van die brief.

18. De aldus gevraagde informatie wordt de advocaat van [eiser] door Bureau [Y] verschaft bij brief van 27 november 2012 (bijlage 26 bij de conclusie van repliek). Die brief is onmiskenbaar (zie voorlaatste alinea) alleen geschreven namens de WAM verzekeraar CV Turien en Co. Assuradeuren en niet (ook) namens erflater [X] . Uit die brief blijkt ook niet dat over een en ander door Bureau [Y] of door die verzekeraar nog contact is opgenomen met erflater [X] .

19. Deze brief van 27 november 2012 bevat voorts ook nog de hier relevante opmerking “Er zijn met uw cliënt geen afspraken gemaakt”, waarmee enkel wordt bedoeld dat door en namens genoemde verzekeraar geen afspraken zijn gemaakt met [eiser] . Ook hier is geen link te leggen met erflater [X] , laat staan dat met hem iets is afgesproken – en daarmee stuitingshandelingen – zijn verricht.

20. Dezelfde redenering moet worden gevolgd bij de (kennelijk in bijlage bij die brief van 27 november 2012 gevoegde) brieven van 8 mei en 24 mei 2012 van de (toenmalige) advocaat van [eiser] aan de advocaat van mevrouw [A] (zie bijlagen 24 en 25 van de conclusie van repliek). Ook hier geldt dat gesteld noch gebleken is dat de inhoud daarvan bedoeld was (ook) onder de aandacht van erflater [X] te brengen dan wel dat erflater [X] van de inhoud daarvan kennis heeft moeten nemen. Ook hier worden geen daartoe strekkende feiten gesteld zodat bewijslevering daarvan niet aan de orde kan zijn, ook niet ambtshalve.

21. De conclusie moet dan ook zijn dat niet in rechte is komen vast te staan dat sprake is geweest van een rechtsgeldige tweede stuiting van de hier aan de orde zijnde (vermeende) vordering van [eiser] op erflater [X] . Dit betekent dat deze vordering is verjaard, en dat daarom in na te melden zin moet worden beslist. Aan de beoordeling van de overige geschilpunten wordt dus niet toegekomen.

22. [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die aan de zijde van de erven [X] in dit geding zijn gevallen.

Rechtdoende:

De rechtbank:

Wijst af het door [eiser] gevorderde.

Veroordeelt [eiser] tot betaling binnen veertien dagen na datum van dit vonnis aan de erven [X] van de aan die zijde in dit geding gevallen kosten, welke kosten in totaal moeten worden begroot op € 5.943,50, te weten het totaal van € 1.545,- aan griffierecht en

€ 4.398,50 voor salaris van de advocaat (zijnde 2,5 punten a € 1.707,- te vermeerderen met het na-salaris van € 131,- ), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag van

€ 5.943,50 per de datum van het verstrijken van voormelde termijn van veertien dagen.

Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

15 augustus 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.