Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3777

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
218690 KGRK 18-383
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 218690 KGRK 18-383

Beslissing van 10 september 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

verblijvende te FPC [adres] ,

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. H.J. Voors te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

In de strafzaak tegen verzoeker onder parketnummer 08.770351-17 heeft op
24 mei 2018 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, alwaar de mrs. W. Foppen,
H.R. Schimmel en S. Taalman (hierna: de meervoudige strafkamer) zitting hadden.

1.2.

Bij gelegenheid van die behandeling ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker namens verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van de meervoudige kamer gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van 24 mei 2018.

1.3.

De meervoudige strafkamer heeft niet berust in de wraking.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is vervolgens op 30 augustus 2018 in het openbaar behandeld.

1.5.

Bij de mondelinge behandeling is mr. H.J. Voors namens verzoeker verschenen. Eerder was door hem bericht dat zijn cliƫnt niet hierbij aanwezig wilde zijn. Tevens is verschenen mr. M. Zwartjes, officier van justitie. De meervoudige strafkamer heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft - samengevat en voor zover van belang - aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de beslissing van de meervoudige strafkamer om aangeefster [naam] ter zitting te horen, zodanig onbegrijpelijk is dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid bij de rechtbank is ontstaan. Deze vrees is objectief gerechtvaardigd. De officier van justitie heeft zich hier tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek bij aangesloten.

3 Het standpunt van de meervoudige kamer

De meervoudige strafkamer heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen aanleiding ziet om schriftelijk inhoudelijk te reageren op het wrakingsverzoek.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

4.3.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.4.

De klachten van verzoeker zijn gericht tegen de ter zitting - na tussentijdse onderbreking/schorsing en beraadslaging - gegeven beslissing van de meervoudige strafkamer om ter zitting over te gaan tot het horen van de ter zitting aanwezige aangeefster [naam] als getuige. De juistheid van deze beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) mede tegen deze beslissing aan te wenden. Alleen indien die ter zitting gegeven beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de meervoudige strafkamer jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

4.5.

De raadsman van verzoeker heeft aangevoerd dat een confrontatie van de ter terechtzitting verschenen aangeefster met verdachte, zoals deze door de meervoudige strafkamer beoogd was, geen bewijswaarde kan hebben doordat hierbij niet wordt voldaan aan de vereisten die in rechte aan een confrontatie moeten worden gesteld en dat dat de beslissing om aangeefster als getuige ter terechtzitting te horen onbegrijpelijk maakt. De officier van justitie onderschrijft dit standpunt.

4.6.

Hoewel de wrakingskamer verzoeker en de officier van justitie kan volgen in hun twijfels omtrent de waarde van een dergelijk getuigenverhoor en een confrontatie ter zitting, komt de wrakingskamer tot het oordeel dat dit de beslissing van de meervoudige strafkamer om aangeefster [naam] als getuige te horen, niet zodanig onbegrijpelijk maakt dat dit de vrees voor vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd maakt. Het is aan de meervoudige strafkamer om het onderzoek ter terechtzitting te doen zoals het haar goed dunkt, binnen de wettelijke bepalingen die daartoe in het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen. Vervolgens zal zij daarop haar beslissingen over de strafzaak baseren.

4.7.

De meervoudige strafkamer heeft ter zitting op 24 mei 2018 duidelijk gemaakt zich voor een dilemma gesteld te zien, maar in het belang van de waarheidsvinding te hebben besloten aangeefster [naam] te horen. Daarbij heeft de meervoudige strafkamer benadrukt dat zij zich er terdege van bewust is dat verzoeker ter zitting aanwezig is als verdachte en dat hiervan zeer wel mogelijk een stigmatiserend effect kan uitgaan. Daarmee houdt de strafkamer nog genoeg slagen om de arm. De wrakingskamer stelt verder vast dat op voorhand niet duidelijk is wat de uitkomst van het horen van aangeefster zal zijn. Dit zou zowel in het voordeel als in het nadeel van verzoeker kunnen uitpakken. Na het getuigenverhoor is er nog gelegenheid voor het requisitoir en het pleidooi alsmede voor re- en dupliek en er bestaat naar het oordeel van de wrakingskamer geen aanwijzing hoe de meervoudige strafkamer uiteindelijk, in het kader van wet- en regelgeving, over de strafzaak zal beslissen. Het bestaan van een objectiveerbaar gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de meervoudige strafkamer is de wrakingskamer dan ook niet gebleken.

4.8.

Op grond van het voorgaande zal het wrakingsverzoek dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.L.J. Koopmans, A.M. Rikken en F. Koster in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H. van Ham-Kolk en in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.