Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3737

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
AWB 17/1981
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3712, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ter plekke sprake is van een zorgboerderij als bedoeld in de begripsbepalingen van het vigerende bestemmingsplan; beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1981

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

Als belanghebbende heeft aan het geding deel genomen: [naam] te Bornerbroek.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2017, verzonden op 27 maart 2017, (het primaire besluit) heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zorgappartementen op het perceel Bolscher Landen 27 in Bornerbroek.

Bij besluit van 31 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Op 30 januari 2018 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en vastgesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn onderzoekplicht en het bestreden besluit daarmee een daadkrachtige motivering ontbeert. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.

Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en bij brief van 28 februari 2018 een nadere onderbouwing gegeven voor het bestreden besluit. Bij brief van 29 maart 2018 hebben eisers daarop gereageerd. Bij emailbericht van 14 juni 2018 heeft belanghebbende gereageerd.

Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet althans onvoldoende heeft onderzocht of en in hoeverre ten tijde van het bestreden besluit ter plekke sprake was van een agrarisch bedrijf en of en in hoeverre mensen met een zorg- of hulpvraag in (een deel van) het agrarisch bedrijf een dagbesteding zullen hebben of meewerken.

  2. De rechtbank stelt voorop dat de tussenuitspraak, die op 30 januari 2018 is gedaan, eindbeslissingen bevat. De rechtbank dient bij het doen van einduitspraak uit te gaan van hetgeen waarover reeds in de tussenuitspraak is geoordeeld. Bij deze einduitspraak zal de rechtbank een oordeel geven over de vraag of verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek op adequate wijze heeft hersteld.

3. Ingevolge het ter plekke geldende bestemmingsplan wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Onder zorgboerderij wordt verstaan: een (deel van een) agrarisch bedrijf waar mensen met een zorg- of hulpvraag een dagbesteding hebben of meewerken, waarbij tevens de mogelijkheid voor nachtverblijf wordt geboden.

4. Bij brief van 28 februari 2018 heeft verweerder een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende en zijn echtgenote vennoten zijn van de vennootschap onder firma Wim Zeggers Agro, die zich bezighoudt met dienstverlening voor het fokken en houden van dieren en akkerbouw. Uit de overgelegde stallijsten 2009, 2010, 2012, 2013 en 2018 en de Gecombineerde opgave 2017 blijkt dat er bij belanghebbende sprake is van het houden van runderen ten behoeve van vleesproductie variërend in aantal van 32 tot 78 en van 12,91 hectare grond bestaande uit grasland en bouwlanden (maïs en snijmaïs). Uit de overgelegde stukken blijkt dat belanghebbende ook paarden, pony’s, cavia’s en konijnen houdt.

In de brief van 28 februari 2018 heeft verweerder toegelicht of en in hoeverre de bewoners van de zorgboerderij in het agrarisch bedrijf een dagbesteding zullen hebben of meewerken.

Verweerder stelt dat de zorgbehoevenden bij deze zorgboerderij de buiten(activiteiten) kunnen meebeleven en kunnen mee uitvoeren. Activiteiten bestaan uit het contact maken onderling en met de aanwezige dieren, het voeren en verzorgen daarvan maar ook het opkweken van gewassen. Onder begeleiding is het meebeleven vanaf machines (tractoren e.d.) ook mogelijk in het agrarisch bedrijf. En dit alles in een prettige, rustige omgeving. Wat van belang blijkt voor de zorgbehoevende is zingeving, contacten leggen en grenzen stellen.

Het meedoen op de boerderij geeft een gevoel van bijdragen aan de samenleving, een wezenlijk onderdeel daarvan uit te maken. Het verzorgen van dieren en planten is daarin een concrete activiteit. Paardencoaching is onder andere goed voor de hulpbehoevenden om grenzen te (durven) stellen en contacten te maken. Dit contact kan gelegen zijn in het mens-dier contact of juist in contacten tussen hulpbehoevenden onderling. Spelenderwijs leert de zorgbehoevende tijdens het meewerken of de dagbesteding zijn of haar gedrag ook beter te duiden. Volgens verweerder is het meedoen en meewerken op de boerderij daarmee een wezenlijk onderdeel van de toegepaste zorg binnen de zorgboerderij.

Verweerder heeft daarbij een verslag overgelegd van een orthopedagoog/ gedragswetenschapper van Praktijk Dapper te Bornerbroek over de zorgboerderij van belanghebbende, alsmede een geanonimiseerd behandelplan van een bewoner van de zorgboerderij.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de brief van 28 februari 2018 en de daarbij overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ter plekke sprake is van een zorgboerderij als bedoeld in de begripsbepalingen van het vigerende bestemmingsplan en dat daarnaar voldoende onderzoek is verricht.

Dat, zoals eisers stellen, uit het agrarisch bedrijf onvoldoende inkomsten zouden worden gegenereerd en de verhouding tussen zorginstelling en agrarisch bedrijf totaal scheef zou zijn, maakt niet dat niet wordt voldaan aan de definitie zorgboerderij. De begripsomschrijving in het bestemmingsplan stelt geen eisen aan de omvang van het agrarisch bedrijf, al dan niet in relatie tot het zorggedeelte.

Ook het door eisers gestelde dat de werkzaamheden van de bewoners van de zorgboerderij op het maïs/bouwland, het grasland, in de moestuin, in de werkplaats en met het aanwezige rundvee voor zover aanwezig zeer beperkt is maakt niet dat van een zorgboerderij in de zin van het vigerende bestemmingsplan geen sprake is.

Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat de bewoners van de zorgboerderij dagbesteding hebben op de het agrarische bedrijf.

Dat die dagbesteding niet ziet op de kernactiviteiten van het agrarische bedrijf en daarmee van meewerken wellicht geen sprake is maakt niet dat van een zorgboerderij geen sprake is.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwen van de zorgappartementen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Nu gesteld noch gebleken is dat zich overigens een weigeringsrond voordoet, volgt uit het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat verweerder gehouden was de omgevingsvergunning te verlenen.

7. Zoals onder 4.4. van de tussenuitspraak is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu verweerder de gebreken heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 501, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168, - aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.