Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:369

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
C/08/206206 / FA RK 17-1992
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:160 BW. Tussenbeschikking waarin de vrouw wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/206206 / FA RK 17-1992

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 23 januari 2018

inzake

[A] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.G.M. Stassen te Enschede,

en

[B] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerder,

advocaat mr. T. Hermans te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 11 augustus 2017;

- een op 22 augustus 2017 binnengekomen brief van mr. Stassen met bijlage;

- het verweer, met bijlagen, binnengekomen op 09 oktober 2017;

- een op 5 januari 2018 binnengekomen brief van mr. Stassen met bijlage.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 11 januari 2018. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [woonplaats 1] met elkaar gehuwd.

2.2.

Bij beschikking van 23 februari 2011 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 30 juni 2011 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.3.

Bij beschikking van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 1.610,- per maand zal voldoen.

2.4.

Bij beschikking van 9 november 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen afgewezen.

2.5.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2018 € 1.770,97 per maand.

3 Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage die de man aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, wordt vastgesteld op nihil met ingang van

19 mei 2015 althans een datum welke de rechtbank in goede justitie mocht vaststellen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de verzoeken van de man af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel onbewezen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat de vrouw samenleeft als ware zij gehuwd en dat zij werkzaamheden verricht waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook tot wijziging van de thans geldende bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.

De al dan niet beëindiging van de onderhoudsverplichting op basis van artikel 1:160 BW

5.2.

De man stelt dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw (onder meer) is geëindigd omdat de vrouw met haar nieuwe partner samenwoont als bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat deze grond het meest verstrekkend is, zal de rechtbank deze allereerst bespreken.

5.3.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of er sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenlevenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 1:160 BW dient restrictief te worden uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

5.4.

De man stelt dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw is vervallen nu de vrouw reeds gedurende enige tijd, in ieder geval vanaf 3 december 2016, samenwoont met haar partner, de heer [C] (hierna: [C] ). Ter onderbouwing van deze stelling heeft de man een rapport overgelegd van [D] Recherche te [woonplaats 2] van

14 april 2017. Volgens de man blijkt uit dit rapport dat gedurende het onderzoek van drieënhalve maand [C] dagelijks in de woning van de vrouw aanwezig was, dat hij hier dagelijks sliep en dat zijn auto ook dagelijks bij de woning van de vrouw geparkeerd stond. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat de woning waar [C] bij het GBA staat ingeschreven niet bewoond wordt, dat [C] hier niet aanwezig is en niet slaapt alsmede dat [C] de woning sedert februari 2017 aan derden heeft verhuurd. Volgens de man wordt aan alle vijf vereisten van artikel 1:160 BW voldaan. Er is sprake van een affectieve relatie van duurzame aard en de vrouw en [C] verzorgen elkaar wederzijds. Zij zijn dagelijks in de horecazaak van [C] aanwezig en de vrouw verricht horecawerkzaamheden waarmee [C] een personeelslid uitspaart. De vrouw en [C] wonen samen in de woning van de vrouw en uit de verklaringen van de vrouw en [C] volgt dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.

5.5.

De vrouw erkent dat sprake is van een affectieve relatie van enige duurzame aard. Zij betwist dat er sprake is van samenwonen, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. [C] heeft zijn eigen woning verhuurd en hij woont bij zijn moeder waar hij ook staat ingeschreven. Hij overnacht wel eens bij de vrouw maar er is geen sprake van samenwonen. Verder voert de vrouw haar eigen huishouding en verblijft [C] zeer veel uren op de zaak en bij zijn moeder en af en toe bij de vrouw. Van wederzijdse verzorging en ook van een gezamenlijke huishouding is geen sprake. Het feit dat de vrouw en [C] veel bij elkaar zijn, met name gedurende werk, brengt nog niet met zich dat er sprake is van wederzijdse verzorging, samenwonen en/of het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw en [C] kopen geen gezamenlijke boodschappen. [C] eet voornamelijk in zijn brasserie. De vrouw en [C] hebben geen gezamenlijke bankrekeningen, mailadres of voicemail. Verder verrichten ze over en weer geen huishoudelijk werk en dragen ze de eigen kosten van gezamenlijke vakanties.

5.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen de vrouw en [C] al enkele jaren een affectieve relatie van duurzame aard bestaat.

5.7.

De rechtbank stelt voorop dat ook in zaken waarbij er enerzijds wel sprake is van een duurzame affectieve relatie, maar anderzijds de partners in deze relatie ieder een eigen huis hebben, een samenleefsituatie als waren zij gehuwd, in de zin zoals de Hoge Raad dit omschrijft, zich wel degelijk kan voordoen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook een in bepaalde mate gescheiden houden van financiën en het betalen van eigen woonlasten er niet aan in de weg behoeft te staan dat toch sprake is van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

5.8.

In het onderhavige geval is de rechtbank, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, voorshands tot het oordeel gekomen dat de vrouw en [C] samenleven als waren zij gehuwd. Hiertoe acht de rechtbank de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, doorslaggevend:

 uit het onderzoeksrapport komt naar voren dat in de observatieperiode van 3 december 2016 tot en met 21 maart 2017 observaties zijn verricht waarbij de auto van [C] praktisch dagelijks bij de woning van de vrouw is aangetroffen;

 [C] heel vaak bij de vrouw overnacht;

 [C] een sleutel van de woning van de vrouw heeft;

 de woning van [C] leeg staat dan wel verhuurd is;

 [C] plastic afval bij de woning van de vrouw aan straat zet;

 de vrouw en [C] samen zijn gezien bij de Makro en Ikea;

 de vrouw en [C] samen uitjes, etentjes en vakanties ondernemen;

 de vrouw de ene keer de boodschappen betaalt en [C] de andere keer;

 de vrouw werkzaamheden verricht in de brasserie van [C] waarvoor zij geen vergoeding ontvangt;

 de vrouw en [C] maaltijden nuttigen in de brasserie van [C] .

Onder deze omstandigheden en vanuit de meerdere jaren bestaande affectieve relatie van duurzame aard oordeelt de rechtbank dat voorshands aannemelijk is dat de vrouw en [C] vanaf 3 december 2016 samenleven als waren zij gehuwd. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat door het veelvuldig bij elkaar verblijven, het wel zo kan zijn dat eigen kosten worden gedragen, maar het onvermijdelijk is dat op deze eigen kosten wordt bezuinigd door het verblijf bij de ander.

5.9.

Vanuit dit voorshands oordeel is het vervolgens aan de vrouw om tegenbewijs te leveren en zij zal worden toegelaten tot het tegenbewijs van het voorshands geleverde bewijs van de stelling van de man dat de vrouw en [C] met elkaar samenleven als waren zij gehuwd, waarbij er sprake is van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

5.10.

De rechtbank komt thans niet toe aan de bespreking/beoordeling van de stelling dat de vrouw werkzaamheden verricht waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

5.11.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van de man dat vanaf 3 december 2016 sprake is van samenleven van de vrouw en de heer [C] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW;

6.2.

bepaalt dat indien de vrouw bewijs wenst te leveren door getuigen deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. W.M.B. Elferink, die hierbij tot rechter-commissaris wordt benoemd;

6.3.

verwijst de zaak naar het roljournaal van deze rechtbank van 16 februari 2018 voor dagbepaling enquête en bepaalt dat, indien de vrouw getuigen wenst voor te brengen, zij op deze roldatum opgave van die getuigen dient te doen en voort opgave dient te doen van de verhinderdata van beide partijen;

6.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. W.M.B. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.