Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3665

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
08-952456-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 54-jarige man uit Dordrecht voor de diefstal van metalen vaten met kostbare legeringen van een bedrijf in Almelo tot een voorwaardelijke celstraf van 5 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast moet hij een schadevergoeding betalen van iets meer dan 7.500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-952456-15 (P)

Datum vonnis: 5 oktober 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink-van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr M.J. Smit, advocaat te Dordrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: alleen of met een ander of anderen vaten met molybolenum tantaal heeft gestolen door zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, of

subsidiair: vaten met molybolenum tantaal in zijn bezit had, terwijl hij wist of hoorde te weten dat deze vaten van een misdrijf afkomstig waren.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Primair

hij op of omstreeks 30 maart 2015 te Almelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met ander(en), alhans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een bedrijfspand

gelegen aan [adres] heeft weggenomen 25, althans een of meer, (metalen) tonnen/vaten met daarin

(een kostbare legering) molybolenum tantaal en/of molybdeel tantalum (MOTA)

(ter waarde van in totaal ongeveer E 200.000,--), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan firma [bedrijf] en/of [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2015 te Gorinchem en/of Utrecht, althans in Nederland, 10, althans een of meer, (metalen) tonnen/vaten met

daarin (een kostbare legering) molybolenum tantaal en/of molybdeel tantalum

(MOTA), in elk geval enig goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

tonnen/vaten met MOTA wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; art. 417bis Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

In deze zaak is eerder op 27 juni 2017 vonnis gewezen. Bij arrest van 16 maart 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar deze rechtbank opdat de rechtbank de zaak opnieuw in volle omvang zal behandelen.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van diefstal door middel van braak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich eveneens op het standpunt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met braak bij [bedrijf] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met een ander en mitsdien van medeplegen nu verdachte ter zitting heeft bekend dat hij samen met een ander zich – met braak - toegang heeft verschaft tot de ruimte waar de vaten stonden opgeslagen en samen de vaten heeft weggenomen. De naam van de ander wil verdachte niet noemen. Uit een proces-verbaal van camerabeelden blijkt dat in de periode waarin de diefstal is gepleegd zich twee personen hebben bevonden op het terrein van de firma [bedrijf] .

Nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

1. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 30 maart 2015 (pagina’s 14 tot en met 16), en

2. het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij omstreeks 30 maart 2015 te Almelo tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een bedrijfspand

gelegen aan [adres] heeft weggenomen 25 metalen tonnen/vaten met

daarin een kostbare legering molybolenum tantaal en/of molybdeel tantalum (MOTA)

(ter waarde van in totaal ongeveer € 200.000,--) toebehorende aan firma [bedrijf] , waarbij

verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 311 lid 1, aanhef en onder sub 4 en 5, juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, eventueel te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman kan zich voorstellen dat een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, al is hij van mening dat kan worden volstaan met een proeftijd van een jaar.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft, samen met een ander, 25 metalen, met een zeer kostbare legering gevulde, vaten uit een bedrijfspand gestolen. Hiertoe hebben zij het toegangshek, dat het perceel en pand omheint, geforceerd en zich vervolgens door middel van braak ook de toegang tot het bedrijfspand verschaft. De omstandigheden dat de strafbare handelingen zijn gepleegd kort nadat de kostbare goederen bij het bedrijf waren binnengekomen, gedurende een weekend, een moment waarop er op het betreffende bedrijventerrein geen of nauwelijks personen aanwezig zijn, terwijl verdachte met een voor de duur van specifiek dit

weekend gehuurde bestelauto vanuit Dordrecht naar Twente is gereden, getuigen van uiterst

berekenend handelen. Verdachte is ten behoeve van zijn eigen financiële gewin volledig

voorbij gegaan aan de aanzienlijke financiële schade die hij met zijn handelen bij anderen veroorzaakt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook rekening gehouden met de

ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze

onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de

straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het in deze zaak bewezen verklaarde feit is sprake van een voltooide bedrijfsinbraak, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld wegens

vermogensdelicten waaronder bedrijfsinbraken, hoewel het overgrote deel van deze veroordelingen betrekkelijk lang geleden is. De rechtbank houdt evenwel ten nadele van de verdachte rekening met de eerdere onherroepelijke veroordelingen, die verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. In het nadeel van verdachte is verder betrokken dat onderhavig feit in vereniging is gepleegd en dat sprake is van de diefstal van een aanzienlijke hoeveelheid van een kostbaar goed.

De rechtbank heeft voorts, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht,

een eerdere veroordeling van verdachte in rekening gebracht, te weten: het vonnis van de

politierechter in de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2016.

De rechtbank neemt ten slotte het aanmerkelijke tijdsverloop in aanmerking.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren, eventueel te vervangen door 120 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur

van vijf maanden, met een proeftijd van 2 jaar teneinde recidive te voorkomen, passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich, namens benadeelde [bedrijf] BV, als benadeelde partij gevoegd in dit

strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te

betalen tot een totaalbedrag van € 13.453,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit

de volgende posten:

- inbraakschade ad € 8.453,84 (restant na vergoeding door de verzekeraar ad € 4.137,20);

- gestolen materiaal/goederen ad € 5.000,00 (restant na vergoeding door de verzekeraar ad € 105.619,60).

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer] in beginsel ontvankelijk is aangezien hij de eigenaar/directeur van [bedrijf] BV is. Wat betreft de posten ‘drie nieuwe camera’s’, ‘inzet surveillanten 30-03-2015 / 06-04-2015’ en ‘tijdelijke beveiliging [beveiligingsbedrijf] April/Mei 2015’ heeft de officier van justitie niet-ontvankelijkheid bepleit. De officier van justitie refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien een schriftelijke machtiging ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de kostenpost ‘reparatie gaas en hekwerk’, gelet op de datum van de factuur, geen betrekking kan hebben op het bewezenverklaarde feit. Verder zijn de camera’s omhoog geduwd en zijn er geen aanwijzingen dat deze zijn vernield; daarbij zijn er verbeterde en dus duurdere camera’s gekocht. Tot slot zijn de posten ‘inzet surveillanten 30-03-2015 / 06-04-2015’ en ‘tijdelijke beveiliging [beveiligingsbedrijf] April/Mei 2015’ niet onderbouwd en is de vraag of dergelijke activiteiten niet intern hadden kunnen worden opgevangen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet is gebleken dat [slachtoffer] schriftelijk was gemachtigd om [bedrijf] BV in deze procedure te vertegenwoordigen.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat voorschriften betreffende de vertegenwoordigingsbevoegdheid van rechtspersonen strekken tot bescherming van de rechtspersoon zelf en niet zonder meer door derden tot bescherming ingeroepen kunnen worden. Het betreft immers een interne, vennootschapsrechtelijke aangelegenheid, die geheel losstaat van de vertegenwoordigingsregeling van artikel 51c Sv. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen, nu [slachtoffer] in zijn aangifte verklaart dat hij directeur is van [bedrijf] en de betwisting van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [slachtoffer] niet met enig concreet bezwaar is onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken dat [bedrijf] geschaad zou zijn als gevolg van de door [slachtoffer] ingediende vordering. De rechtbank is daarom van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering kan worden ontvangen.

Wat de vordering zelf betreft is de rechtbank van oordeel dat de post ‘inzet surveillanten’ vanaf 30 maart 2015 – de dag van de inbraak – tot 6 april 2015, volgens een bijlage begroot op € 3.792,80 excl. btw, alsmede de post ‘tijdelijke beveiliging [beveiligingsbedrijf] april/mei 2015’ ad € 2.670,53 excl. btw, dienen te worden afgewezen aangezien deze kosten niet zijn onderbouwd en niet in rechtstreeks verband staan tot de inbraak. De kosten van nieuwe camera’s (€ 3.267,00) zijn evenmin aangetoond, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de vorige camera’s door verdachte en/of de mededader zijn vernield. Ook deze post wordt daarom afgewezen. Datzelfde geldt voor de post ‘reparatie gaas en hekwerk’, aangezien in de daarop betrekking hebbende nota een offerte d.d. 16 maart 2015 en schade d.d. 23 maart 2015 zijn omschreven, welke data zijn gelegen vóór de pleegdatum van het strafbare feit (30 maart 2015).

Wat de overige posten inzake de inbraakschade betreft, te weten (excl. btw):

  • -

    reparatie heftruck € 129,75,

  • -

    reparatie schuifpoortmotor en –aandrijving € 1.230,29,

  • -

    elektrische grondgrendel € 930,22,

  • -

    reparatie inbraakschade € 145,70,

  • -

    werkzaamheden zones bij geprogrammeerd € 59,00,

  • -

    installatie aanpassen m.b.t. nachtwaker in kantoorruimtes € 42,75,

is door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Datzelfde geldt voor het gevorderde (restant)bedrag inzake gestolen materiaal ad € 5.000,00. Deze opgevoerde schadeposten zijn respectievelijk niet en onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 7.537,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair:

het misdrijf:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf] BV, gevestigd te Almelo, van een bedrag van € 7.537,71(te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2015) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.537,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 72 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij: [bedrijf] BV, gevestigd te Almelo, voor een deel van € 5.916,13 af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M. Rikken en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, met nummer PL2600-2015020602 van 29 januari 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.