Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3651

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
C/08/219916 / KG ZA 18-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Man moet medewerking verlenen aan de verkoop van het chalet en inzage te geven in het verloop van de genoemde hypothecaire lening en de restantschuld daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/219916 / KG ZA 18-186

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.L. de la Parra te Katwijk (Zuid-Holland),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ( [land] ),

thans verblijvende op [adres 1] ’ te [plaats 3] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 6 juni 1984 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 19 november 2007.

2.2.

Partijen hebben op 13 maart 2008 een echtscheidingsconvenant gesloten. Daarin is onder meer het navolgende bepaald.

‘De tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende vrijstaande woning met houten berging en ondergrond te [adres 2] (…) werd door partijen gewaardeerd, in overeenstemming met het aanwezige taxatierapport van d.d. 21 november 2005, op een bedrag groot € 240.000,00. De verdeling is gesteld op 50/50 waarbij tussen partijen is overeengekomen, als volgt:

  • -

    Dat de man de woning krijgt toegescheiden en op naam zal stellen, te transporteren voor 1 juni 2008 of zoveel eerder als mogelijk.

  • -

    De lopende lasten komen voor rekening van de man.

  • -

    dat de vrouw al het mogelijk zal doen om medewerking te verlenen aan de overgang van de tenaamstelling naar eenzijdig de man, tegen de meest gunstige condities, te laten plaatsvinden. Hieronder begrepen , indien noodzakelijk, het geven van borgstelling tot uiterlijk het moment dat de definitieve afwikkeling kan worden geëffectueerd, na de verkoop/levering van het onroerend goed met opstallen “ [adres 1] ” hierna verder beschreven.

  • -

    Het onroerend goed is bezwaard met een geldlening van € 180.000,00 verstrekt door de Directbank, hiervoor werd door partijen hypotheek verstrekt.

  • -

    Dat de man zich zal inspannen om z.s.m. de hypothecaire lening ten bedrage van € 180.000,00 op zijn naam te stellen zodat de vrouw hiervan volledig zal zijn vrijgesteld. Alle kosten en lasten welke voortkomen uit het op naamstellen van zowel het o.g. als de hypotheeklening zullen voor rekening zijn van de man.

(…)

Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort een perceel grond groot 4 are en 40 centiare te [plaats 3] met een recreatie chalet, kadastraal bekend gemeente [plaats 4] , [nummer] , de tussen partijen voorlopig vastgestelde waarde bedraagt € 80.000,00. Het chalet is voor de verkoop aangeboden en zal tot het moment van verkoop c.q. levering steeds voor korte periode zijn verhuurd, de huuropbrengst (…) zal vooralsnog ten goede komen aan de man. Dit tot het moment, na verkoop, en van definitieve financiële afwikkeling van dit convenant waarbij de ontvangen huur zal worden verrekend tussen partijen op basis van 50/50.

(…)

Het door de vrouw nog te ontvangen bedrag ad € 98.500,00 inzake de beëindiging van het dienstverband bij werkgever Heineken zal bij de definitieve financiële afrekening op basis van 50/50 worden verrekend. De renten en kosten tot het moment van de afrekening zullen voor rekening komen van de vrouw.

(…)

Partijen verklaarden een geldlening te hebben afgesloten bij de Directbank waarvan het saldo per 10 december 2007 is vastgesteld op een bedrag groot € 18.080,00. Betreffende geldlening zal zo spoedig mogelijk worden afgelost, uiterlijk op het moment van de definitieve financiële afwikkeling van dit convenant. De uiteindelijk nader vast te stellen som van de lening en de renten zullen partijen ieder voor 50% dragen.’

2.3.

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de man aan de vrouw het navolgende geschreven.

‘Hierbij de bevestiging van onze gemaakte afspraken om tot uitwerking en afhandeling te komen van ons convenant.

  1. Tot 30 september 2012 betaal jij – de vrouw – € 150,00 per maand als aflossing van de lopende lening.

  2. De lopende lening zal door mij totaal worden ingelost, waarvan jij een bevestiging krijgt van de kredietgever.

  3. Het huis op [adres 2] zal op mijn naam worden gezet.

  4. De lopende hypotheek zal door mij worden ingelost, een termijn is hier nog niet voor te stellen, deze hangt af van de medewerking van de hypotheeknemer.

  5. Het chalet in [plaats 3] zal op mijn naam worden gezet.

  6. Door mij zal voor 1 november 2012 aan jou € 15.000,00 worden betaald tegen totale kwijting over en weer en hebben wij niets meer van elkaar te vorderen.’

2.4.

Bij notariële akte van 4 december 2013 heeft de vrouw volmacht gegeven aan de man om de woning te [adres 2] (hierna: de woning) te verkopen tegen een koopprijs die niet lager is dan € 172.500,00.

2.5.

De woning is verkocht en op 9 juli 2015 geleverd aan derden tegen een koopprijs (circa) € 141.000,00. De restantschuld van de hypothecaire lening bedraagt thans (circa) € 65.000,00.

2.6.

De voornoemde lening van Directbank (hierna: de persoonlijke lening) is evenmin afgelost. Die schuld is toegenomen tot (circa) € 20.000,00.

2.7.

In juni 2017 hebben partijen gecorrespondeerd/contact gehad over verkoop van het chalet in [plaats 3] (hierna: het chalet). Daarbij heeft de man aan de vrouw kenbaar gemaakt dat hij een (aspirant-)koper heeft gevonden voor het chalet en dat de verkoop rond is. Tot verkoop van het chalet is vervolgens toch niet gekomen.

2.8.

Nadien heeft de vrouw een aspirant-koper gevonden. In dat verband heeft zij bij

e-mailbericht van 13 april 2018 onder meer het navolgende aan de man geschreven.

‘Zoals afgesproken wordt het chalet verkocht zoals het nu is, inclusief alle inboedel. De reden hiervoor ken je en je hebt je volledige medewerking toegezegd. Ik reken op je. Graag deze mail per omgaande retour met daarbij je toezegging het huis netjes achter te laten. je hebt hiervoor tot 23 april. Op die dag worden de sleutels afgegeven.’

2.9.

In reactie op het genoemde e-mailbericht van 13 april 2018 heeft de man bij

e-mailbericht van dezelfde dag aan de vrouw onder het navolgende geschreven.

‘Ga hiermee akkoord. Heb wel meer tijd nodig dan 23 (…) opleveren. Chalet is in perfecte staat. Incl tuin.’

2.10.

De vrouw heeft vervolgens via e-mail aan de man gevraagd hoeveel uitstel hij nodig heeft. De man heeft daar niet meer op gereageerd.

2.11.

Bij brief van 1 mei 2018 heeft de advocaat van de vrouw de man gesommeerd tot nakoming van de afspraken in het echtscheidingsconvenant. Daarbij is vermeld dat alle eventuele afspraken van na het echtscheidingsconvenant als ontbonden moeten worden beschouwd. Verder is in de brief vermeld dat er recentelijk een aanbod tot koop is gedaan voor het chalet. De man wordt gevraagd akkoord te gaan met een koopprijs van € 30.000,00.

2.12.

Bij brief van 7 mei heeft de advocaat van de vrouw de man gevraagd om binnen 5 dagen te reageren op de brief van 1 mei 208, bij gebreke waarvan ervan wordt uitgegaan dat de man geen medewerking zal verlenen aan de verkoop van het chalet en er een gerechtelijke procedure volgt.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. veroordeling van de man tot nakoming van het echtscheidingsconvenant en in dat kader tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van het chalet;

II. te bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man;

III. de man te veroordelen tot ontruiming van het chalet binnen 2 weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom;

IV. de man te veroordelen tot betaling van € 70.000,00 als voorschot op schadevergoeding;

V. de man te veroordelen door overlegging van bescheiden rekening en verantwoording te doen over het bedrag van het totaal aan gezamenlijke schulden uit het echtscheidingsconvenant, het gevoerde beheer daarover (waaronder verrichte betalingen, ontvangsten en gesloten betalingsregelingen) en de bestemming van die gelden, op straffe van een dwangsom;

VI. de man te veroordelen om na verkoop en levering van het chalet medewerking te verlenen aan de financiële afwikkeling van het convenant door een daartoe door de vrouw aangezochte deskundige, op straffe van een dwangsom;

VII. althans een voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

VIII. met veroordeling van de man, waaronder een bij wijze van voorschot op schadevergoeding een bedrag ad € 5.000,00 wegens advocaatkosten van de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente en eventuele executiekosten.

3.2.

De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw wil met dit kort geding (vooral) bereiken dat het chalet wordt verkocht. De man verweert zich daartegen. Volgens de man dient het chalet aan hem toegedeeld te worden. Hij heeft daarvoor ook al € 15.000,00 betaald aan de vrouw.

4.2.

Dat standpunt van de man wordt verworpen. Voor zover uit de brief van 24 juli 2012 kan worden opgemaakt dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt op basis waarvan het chalet aan de man wordt toegedeeld, heeft te gelden dat daaraan geen uitvoering is gegeven. Zo heeft de man zelf in 2017 geprobeerd het chalet te verkopen en heeft hij in 2018 – aanvankelijk – ingestemd met verkoop van het chalet aan een aspirant-koper die door de vrouw is aangedragen. Dat strookt niet met de door de man gestelde afspraken zoals verwoord bij brief van 24 juli 2012. Verder heeft de man tegenover het gemotiveerde verweer van de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat hij reeds € 15.000,00 heeft betaald voor het chalet. Daarbij was het bedrag ad € 15.000,00 zoals genoemd in de brief van 24 juli 2012 ter finale kwijting van de volledige afwikkeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de hypotheekschuld en de schuld uit hoofde van de persoonlijke lening volledig zouden zijn afgelost. Dat is niet gebeurd. Partijen hebben de woning verkocht en uit de verkoopopbrengst kon de hypotheekschuld niet volledig worden voldaan. Er resteert hierdoor nog een schuld van – niet weersproken – circa € 65.000,00 (hierna: de restant-hypotheekschuld). Ook de persoonlijke lening is niet afgelost, die is zelfs verder toegenomen tot – onweersproken – ongeveer € 20.000,00. De man heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de schuld uit hoofde van de persoonlijke lening is toegenomen omdat hij het maximale bedrag van de persoonlijke lening heeft opgenomen.

4.3.

Gelet op vorenstaande is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk dat de door de man gestelde afspraak over toedeling van het chalet (nog) bestaat. Kennelijk zijn partijen (stilzwijgend) overeengekomen dat de (nadere) afspraken die genoemd worden in de brief van 24 juli 2012, voor zover die afspraken al waren gemaakt, niet meer van kracht zijn. Of de nadere afspraken die genoemd worden in de brief van 24 juli 2012 vervolgens nog buitengerechtelijk zijn ontbonden bij brief van 1 mei 2018, kan verder in het midden blijven.

4.4.

Niet aannemelijk is dat de man op korte termijn kan beschikken over een bedrag ad € 15.000,00, lees: de helft van de koopsom ad € 30.000,00 die de aspirant-koper die de vrouw heeft aangedragen, om daarmee alsnog de toedeling van het chalet aan de man te kunnen financieren. De man heeft niets concreets aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat de man op korte termijn kan beschikken over € 15.000,00.

4.5.

Aldus zal het chalet moeten worden verkocht, zoals ook is bepaald in het echt-scheidingsconvenant en ter zitting aan partijen is medegedeeld. De vrouw heeft daartoe een koper gevonden, die bereid is een koopsom te betalen van € 30.000,00. De vrouw stelt dat dit een reële prijs is, nu de man in 2017 nog heeft geprobeerd het chalet te verkopen tegen een koopprijs van € 33.000,00 maar daarin niet is geslaagd. Volgens de man heeft het chalet thans een waarde van € 50.000,00 tot € 60.000,00. De man heeft dat echter op geen enkele manier nader onderbouwd. Nu de man verder niet heeft weersproken dat hij in 2017 heeft geprobeerd om het chalet te verkopen tegen een koopprijs van € 33.000,00, is het dan ook voldoende aannemelijk dat een kooprijs van € 30.000,00 redelijk is.

4.6.

De verkoop van het chalet die de vrouw voorstaat, dient derhalve doorgang te vinden. De vrouw wil met de verkoopopbrengst zoveel mogelijk de gezamenlijke schulden aflossen, te weten de restantschuld van de hypothecaire lening en de schuld uit hoofde van de persoonlijke lening, zodat die schulden niet verder oplopen, althans zo min. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij een notaris bereid heeft gevonden om met de banken/crediteuren van de hiervoor genoemde twee gezamenlijke schulden te gaan praten over het afkopen van deze schulden uit de verkoopopbrengst van het chalet.

4.7.

Daarmee is het spoedeisend belang van de vrouw bij de vorderingen die zien op de verkoop en levering van het chalet gegeven, nu de man niet heeft weersproken dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor genoemde schulden, en gesteld noch geleken is dat die schulden niet verder zullen oplopen. Spoedige aflossing is daarom geboden. Dat de man daarover al in onderhandeling is met de banken/crediteuren, zoals hij nog heeft gesteld, blijkt nergens uit.

4.8.

De vorderingen sub I tot en met III zullen dan ook worden toegewezen, evenwel op de wijze zoals hierna vermeld. Daarbij zal de gevorderde dwangsom worden beperkt als volgt.

4.9.

De vordering sub IV zal worden afgewezen. Het betreft een voorschot op schadevergoeding en daarmee een geldvordering. In kort geding is terughoudendheid op zijn plaats als het gaat om de veroordeling tot betaling van een geldsom. Niet alleen moet worden onderzocht of het bestaan van de geldvordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.10.

De vrouw stelt dat zij niet met een restschuld ad € 65.000,00 zou zijn geconfronteerd als de woning overeenkomstig het echtscheidingsconvenant was toegedeeld aan de man met inachtneming van een waarde ad € 240.000,00. Gesteld noch gebleken is echter dat de vrouw als hoofdelijk schuldenaar door de bank is aangesproken tot voldoening van het volledige restantbedrag. En als dat al zal gebeuren, dan is het nog maar de vraag of de vrouw het bedrag ad € 65.000,00 volledig als schade kan bestempelen, nu partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en zij in ieder geval de helft kan proberen te verhalen op de man. Verder heeft de vrouw ermee ingestemd en er aan meegewerkt dat de woning is verkocht en geleverd voor een veel lager bedrag dan € 240.000,00. Dat kan van invloed zijn op het antwoord op de vraag in hoeverre de vrouw door toedoen van de man schade heeft geleden.

4.11.

Voor haar schadevordering voert de vrouw ook aan dat de man de persoonlijke lening niet heeft afgelost, maar het maximale kredietbedrag ad € 20.000,00 heeft opgenomen. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de vrouw schade heeft geleden ten bedrage van € 20.000,00. Van belang is wat de man heeft gedaan met de opgenomen lening. Heeft hij het aangewend ten behoeve van zichzelf of (mede) ten behoeve van kosten die ook voor rekening van de vrouw dienden te komen. De man zal daartoe openheid van zaken moeten geven. Hij is daartoe, zoals hierna volgt, ook bereid. Verder is ook hier de vrouw nog niet aangesproken om de gehele schuld te voldoen.

4.12.

Voorts is het de vraag of en in hoeverre de man een eventuele vordering tot schadevergoeding van de vrouw kan verrekenen met zijn aandeel in het bedrag ad € 98.500,00 dat de vrouw – niet weersproken – heeft ontvangen van Heineken, nu de vrouw zelf het standpunt inneemt dat een verdeling overeenkomstig het echtscheidingsconvenant dient plaats te vinden. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat dit bedrag op basis van 50/50 wordt verrekend.

4.13.

Aldus is het bestaan en de omvang van de gestelde schadevordering onvoldoende aannemelijk. Verder is er sprake van een restitutierisico. Uit de verklaringen van de vrouw volgt dat het (restant) van het nettobedrag (na aftrek van belastingen) dat zij van Heineken heeft ontvangen, te gering is om geen restitutierisico te lopen. Dat zij daarnaast nog voldoende middelen heeft, is gesteld noch gebleken.

4.14.

Daarmee wordt toegekomen aan de vordering sub V. Ter zitting is gebleken dat het de vrouw gaat om het verkrijgen van inzicht in het verloop van de twee genoemde schulden. De man heeft zich bereid verklaard die inzage te geven. De vordering sub V zal daarom worden toegewezen, op de wijze als hierna volgt.

4.15.

De vordering sub VI zal worden afgewezen. De definitieve eindberekening en financiële afwikkeling van het echtscheidingsconvenant zijn nog niet aan de orde. De vrouw heeft daarom thans onvoldoende belang bij deze vordering.

4.16.

Gelet op al het vorenstaande zal ook het gevorderde sub VII afgewezen worden.

4.17.

Dan heeft de vrouw sub VIII nog gevorderd om de man in de proceskosten te veroordelen. Te doen gebruikelijk is om de kosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, nu zij met elkaar gehuwd zijn geweest. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit gebruik af te wijken. Daarbij komt dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de man om op eerste verzoek van de vrouw zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het registergoed, het perceel bouwterrein, gelegen op “ [adres 1] , plaatselijk bekend als kavel 6, kadastraal bekend gemeente [plaats 4] , [nummer] , in dier voege dat dat de man op eerste verzoek van de vrouw de concept-koopovereenkomst met de heer [A] (overgelegd als productie 17) dient te ondertekenen en op eerste verzoek van de vrouw vervolgens de benodigde notariële akte van levering dient te ondertekenen, waarna een door de vrouw aan te wijzen notaris de netto-verkoopopbrengst zal aanwenden ter (gedeeltelijke) aflossing van de restantschuld van de voornoemde hypothecaire lening en/of de schuld uit hoofde van de voornoemde persoonlijke lening;

5.2.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man, indien hij niet voldoet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling;

5.3.

gebiedt de man om binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis het voornoemde chalet aan [adres 1] te verlaten en te ontruimen onder gelijktijdige afgifte aan de vrouw van alle sleutels die behoren bij het chalet, voor zover de man over de sleutels kan beschikken, en vervolgens het chalet c.a. ontruimd en verlaten te houden;

5.4.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt;

5.5.

gebiedt de man om binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de hand van bescheiden de vrouw inzage te geven in het verloop van de genoemde hypothecaire lening en de restantschuld daarvan, en in het verloop van de voornoemde persoonlijke lening, in het bijzonder door bankafschriften of andere bescheiden te tonen waaruit betalingen en ontvangsten blijken met betrekking tot de genoemde leningen, en waaruit blijkt ten behoeve waarvan die betalingen zijn gedaan en waaraan de ontvangen bedragen zijn besteed, zulks over een periode vanaf de datum van echtscheiding tot heden;

5.6.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.5 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.(mjd)