Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3529

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
08-953199-17 en 08-770229-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige man uit Deventer is veroordeeld tot 15 maanden cel, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden voor het hebben van een hennepkwekerij in die stad, diefstal van stroom en bezit van wapens en munitie. Hij is vrijgesproken van het telen van hennep in Voorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08-953199-17 en 08-770229-18 (P)

Datum vonnis: 27 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Overijssel - HvB Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 juni 2018, 4 september 2018 en 13 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.P.R. van Andel en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. van der Steeg, advocaat te Schalkhaar, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Nadere omschrijving

De verdenking komt er na nadere omschrijving van de tenlastelegging van 4 september 2018 ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de zaak 08-953199-17

feit 1: in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 in Deventer, al dan niet samen met anderen, hennep heeft geteeld en henneptoppen aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 in Voorst, al dan niet samen met anderen, hennep heeft geteeld;

feit 3: op 13 maart 2018 in Deventer vier wapens van categorie III en diverse hoeveelheden munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

feit 4: op 13 maart 2018 in Deventer wapens van categorie I voorhanden heeft gehad;

in de zaak 08-770229-18

feit 1: in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 in Deventer, al dan niet samen met anderen, stroom heeft gestolen van Enexis Netbeheer B.V.;

feit 2: in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 in Voorst, al dan niet samen met anderen, stroom heeft gestolen van Enexis Netbeheer B.V.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

in de zaak 08-953199-17

1. hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk (op 13 maart 2018) aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 590 (vijfhonderdnegentig)hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of een zak gevuld met (gedroogde) henneptoppen (te weten 658 (zeshonderdachtenvijftig) gram), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen op perceel [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.357(drieduizenddriehonderdzevenenvijftig) hennepplanten/hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3. hij op of omstreeks 13 maart 2018 te Deventer een of meer wapens en/of

(onder)delen van wapens, van categorie III, te weten
- een revolver (kaliber 7.62), merk Nagant en/of
- een pistool, kaliber .22 en/of
- een (dubbelloops)jachtgeweer, merk Gorosabel, type Dhag, kaliber 12 en/of
- een geweerloop, kaliber .22LR

munitie van categorie III, te weten


- 427 (vierhonderdzevenentwintig), althans een hoeveelheid (kogel)patronen kaliber 3.57 en/of

- 328 (driehonderdachtentwintig), althans een hoeveelheid (kogel)patronen kaliber .22 en/of

- 13 (dertien), althans een hoeveelheid, (kogel)patronen, kaliber .32Auto en/of

- 17 (zeventien), althans een hoeveelheid, (hagel)patronen kaliber 12 en/of

- 2 (twee), althans een hoeveelheid, (hagel)patronen, kaliber 3.57 en/of

- 5 (vijf), althans een hoeveelheid, (kogel)patronen, kaliber 7,62Nagant en/of

- 6 (zes), althans een hoeveelheid, (kogel)patronen, kaliber .32S&W

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4. hij op of omstreeks 13 maart 2018 te Deventer (een) wapen(s) van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten (een) door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp(en) dat/die een ernstige bedreiging van personen kon(den) vormen en/of dat/die zodanig op een wapen gele(e)k(en) dat/die deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was/waren, namelijk
- een mini-UZI(pistoolmitrailleur), merk IWI, kleur zwart en/of
- pistool, merk HECKLER & Koch, model USP
voorhanden heeft gehad;

in de zaak 08-770229-18

1. hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (te weten 40.453 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (PV pag. 285 e.v.);

2. hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018 in de gemeente Voorst met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (te weten ongeveer 33.676 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking (PV pag. 294a e.v.).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten 1 tot en met 4, zoals ten laste gelegd in de zaak 08-953199-17, en de feiten 1 en 2, zoals ten laste gelegd in de zaak 08-770229-18 bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de in de zaak 08-953199-17 ten laste gelegde feiten 1, 3 en 4 alsmede het in de zaak 08-770229-18 ten laste gelegde feit 1 ter terechtzitting bekend. De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van deze feiten geen bewijsverweren gevoerd. Zij heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat er voor wat betreft feit 1 in de zaak 08-953199-17 geen bewijs is voor het medeplegen en ook niet voor de periode 1 september tot en met 22 december 2017, zoals door de officier van justitie genoemd.

Wat betreft feit 3 in de zaak 08-953199-17 is er volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs voor het pistool kaliber .22.

Ook voor feit 1 in de zaak 08-770229-18 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat slechts bewijs is voor een kortere pleegperiode.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak 08-953199-17

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1, 3 en 4 op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

Ten aanzien van feit 1 kan naar het oordeel van de rechtbank alleen de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 13 maart 2018 bewezen worden verklaard. Op 22 december 2017 heeft een taxatie van de woning van verdachte aan de [adres 1] te Deventer plaatsgevonden. Hierbij was een kantoorgenoot van de raadsvrouw aanwezig. Zowel de taxateur als de kantoorgenoot heeft geen (geuren van een) hennepkwekerij aangetroffen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte niet eerder dan na deze taxatie met de hennepkwekerij is gestart.

Naar het oordeel van de rechtbank is van medeplegen onvoldoende gebleken. Van dat onderdeel zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3 komt de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, wel tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het pistool, kaliber .22, nu dit pistool conform het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , van 14 maart 2018, pagina 392, tevens is aangetroffen onder verdachte.

Feit 1

1. het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , van 13 maart 2018, met bijlagen, pagina 269-309;

2. het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 3

1. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , van 14 maart 2018, pagina 392;

2. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 26 maart 2018, pagina 416-420;

3. het proces-verbaal onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 23 april 2018, met bijlagen, pagina 421-430;

4. het proces-verbaal onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 24 april 2018, met bijlagen, pagina 442-450;

5. het proces-verbaal onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 24 april 2018, met bijlagen, pagina 451-457;

6. het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 4

1. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 15 maart 2018, pagina 395-396;

2. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 26 maart 2018, pagina 416-420;

3. een proces-verbaal onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van 23 april 2018, met bijlagen, pagina 431-441;

4. het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte als feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachte huurder is geweest van het pand gelegen op het perceel aan de [adres 2] te Voorst. De rol van verdachte ten aanzien van deze kwekerij is dan ook onvoldoende duidelijk geworden.

in de zaak 08-770229-18

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit 1 op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen2.

Ten aanzien van feit 1 kan naar het oordeel van de rechtbank alleen de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 13 maart 2018 bewezen worden verklaard. Zoals eerder overwogen heeft op 22 december 2017 een taxatie van de woning van verdachte aan de [adres 1] te Deventer plaatsgevonden. Hierbij was een kantoorgenoot van de raadsvrouw aanwezig. Zowel de taxateur als de kantoorgenoot heeft geen (geuren van een) hennepkwekerij aangetroffen. Evenmin is op dat moment een illegale stroom aftap geconstateerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte niet eerder dan na deze taxatie met de hennepkwekerij is gestart.

1. de aangifte diefstal/verduistering van [naam] , namens Enexis Netbeheer B.V. te ’s-Hertogenbosch, van 26 maart 2018, met bijlagen, pagina 285-309;

2. het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte als feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Nu de rol van verdachte, zoals hiervoor overwogen, ten aanzien van de kwekerij in het pand gelegen op het perceel aan de [adres 2] te Voorst onvoldoende duidelijk is geworden, dient verdachte ook van dit feit te worden geworden vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

in de zaak 08-953199-17

1. hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 13 maart 2018 te Deventer opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in elk geval opzettelijk op 13 maart 2018 aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 1] een hoeveelheid van in totaal 590 (vijfhonderdnegentig) hennepplanten en een zak gevuld met (gedroogde) henneptoppen (te weten 658 (zeshonderdachtenvijftig) gram), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. hij op 13 maart 2018 te Deventer wapens en (onder)delen van wapens, van categorie III, te weten
- een revolver (kaliber 7.62), merk Nagant en
- een pistool, kaliber .22 en
- een (dubbelloops)jachtgeweer, merk Gorosabel, type Dhag, kaliber 12 en
- een geweerloop, kaliber .22LR

munitie van categorie III, te weten


- 427 (vierhonderdzevenentwintig) (kogel)patronen kaliber 3.57 en

- 328 (driehonderdachtentwintig) (kogel)patronen kaliber .22 en

- 13 (dertien) (kogel)patronen, kaliber .32Auto en

- 17 (zeventien) (hagel)patronen kaliber 12 en

- 2 (twee) (hagel)patronen, kaliber 3.57 en

- 5 (vijf) (kogel)patronen, kaliber 7,62Nagant en

- 6 (zes) (kogel)patronen, kaliber .32S&W

voorhanden heeft gehad;

4. hij op 13 maart 2018 te Deventer wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen konden vormen en die zodanig op een wapen geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt waren, namelijk
- een mini-UZI (pistoolmitrailleur), merk IWI, kleur zwart en
- pistool, merk HECKLER & Koch, model USP
voorhanden heeft gehad;

in de zaak 08-770229-18

1. hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 13 maart 2018 te Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Enexis Netbeheer BV, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, 13 en 55 Wet wapens en munitie en 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak 08-953199-17

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

in de zaak 08-770229-18

feit 1

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden de meldplicht bij de reclassering, de behandelverplichting gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het meewerken aan schuldhulpverlening te worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de oplegging van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft fysiek en psychisch bijzonder geleden onder de detentieperiode. Verder heeft de raadsvrouw verzocht een straf op te leggen die de tijd van het voorarrest (van zes maanden) niet te boven gaat.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hennepteelt. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van softdrugs. Het gebruik van hennep vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en een aanmerkelijk deel van de criminaliteit vindt direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van drugs. Verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en enkel ten behoeve van zijn eigen financiële gewin gehandeld. Daarnaast heeft verdachte zich ten behoeve van zijn hennepkwekerij schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Hij heeft daarmee de energieleverancier benadeeld. Door het verzwaren van de hoofdbeveiliging was het gelijktijdig af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit bovendien niet meer in overeenstemming met de installatie hetgeen gevaar met zich meebrengt nu de installatie daarmee niet meer aan de eisen voldoet.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens en een forse hoeveelheid munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een groot veiligheidsrisico met zich mee. Verdachte lijkt zich daar onvoldoende van bewust.

Het bewezenverklaarde zal verdachte, mede gezien de bevindingen van de psycholoog, N. Schoenmaker, zoals neergelegd in de rapportage pro justitia van 9 juni 2018 volledig worden toegerekend.

Uit het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 16 augustus 2018 blijkt dat hij eerder is veroordeeld, ook voor overtreding van de Opiumwet, op 12 oktober 2017 (hennepteelt). Deze eerdere veroordeling heeft verdachte er echter niet van weerhouden om zich wederom in te laten met hennepteelt. Gelet daarop, en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), is in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het uitgebrachte reclasseringsrapport zijn geadviseerd, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting (gedragsinterventie cognitieve vaardigheden) en het meewerken aan schuldhulpverlening.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , wonende te Apeldoorn, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30.030,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit waardevermindering van de woning en telefoon-, porto- en kopieerkosten. Daarnaast heeft zij een bedrag van € 770,- aan vergoeding voor proceskosten gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dat betrekking heeft op de waardevermindering van de woning te complex en te civielrechtelijk is, zodat de dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De overige kosten kunnen volgens de officier van justitie worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het op dit moment niet gemakkelijk is om vast te stellen hoe de hennepkwekerij de waarde van de woning al dan niet heeft doen dalen, omdat er meer dingen meespelen, zoals de weigering van de bank om het bod van de taxateur te accepteren, het achterstallige onderhoud en de civiele procedures tussen verdachte en [benadeelde] .

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij heeft haar schade gebaseerd op de omstandigheid dat de woning openbaar wordt verkocht. Op dit moment staat nog niet vast dat deze openbare verkoop daadwerkelijk zal plaatsvinden. Het betreft dan ook toekomstige schade en thans kan niet worden vastgesteld óf deze schade zich zal verwezenlijken en, als dat het geval is, dat deze schade het gevolg van het bewezenverklaarde zal zijn.

De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het als feit 2 in de zaak 08-953199-17 en als feit 2 in de zaak 08-770229-18 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het als feit 1, 3 en 4 in de zaak 08-953199-17 en als feit 1 in de zaak 08-770229-18 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak 08-953199-17

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

in de zaak 08-770229-18

feit 1

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet zijn nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Dobbe 72 in Zwolle op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie, te weten Cova, of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, ter beoordeling van de reclassering. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de trainer/begeleider zullen worden gegeven;

- de Reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden en hij zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde] , wonende te Apeldoorn, in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018239401. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018239401. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.