Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
221705 KGRK 18-535
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 221705 KGRK 18-535

Beslissing van 11 september 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. D.G. Hassink te Zwolle,

1 De procedure

1.1.

Op 9 augustus 2018 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. B.T.C. Jordaans, mr. G. Meijer en mr. R.M. van Vuure, strafrechters in deze rechtbank en in die hoedanigheid als meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder parketnummer 08.770012-18.

1.2.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker namens deze mondeling de wraking verzocht van de meervoudige strafkamer, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 9 augustus 2018.

1.3.

De meervoudige strafkamer heeft niet berust in de wraking. Zij heeft bij brief van 17 augustus 2018 op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.4.

Het wrakingsverzoek is op 28 augustus 2018 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, verschenen. De rechters, wier wraking is verzocht, hebben laten weten niet te zullen verschijnen. De officier van justitie heeft bericht zich te onthouden van een reactie.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking – samengevat – ten grondslag gelegd dat in de zaken van twee medeverdachten door dezelfde meervoudige strafkamer al op 17 mei 2018 vonnis is gewezen. Verzoeker is van mening dat hij in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 1] met zoveel woorden wordt aangeduid als mededader van poging tot doodslag. Uit hetgeen in het vonnis is overwogen over zijn aandeel hierin, leidt verzoeker af dat hij zeker kan zijn van een veroordeling voor poging tot doodslag en ook dat hij een hogere straf zal krijgen dan [medeverdachte 1] .

Verzoeker meent dan ook dat de in het vonnis gebezigde bewoordingen zwaarwegende omstandigheden opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3 Het standpunt van de meervoudige strafkamer

De rechters van de meervoudige strafkamer hebben inhoudelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Daarbij stellen zij zich primair op het standpunt dat het verzoek te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden dan wel zou moeten worden afgewezen. Subsidiair stelt de meervoudige strafkamer zich gemotiveerd op het standpunt dat de aangevoerde wrakingsgronden niet tot wraking kunnen leiden, zodat het verzoek om die reden ongegrond moet worden verklaard en moet worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Volgens artikel 513 lid 1 Sv moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

4.1.1.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de wrakingskamer van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat verzoeker en zijn gemachtigde op 8 augustus 2018 voor het eerst bekend zijn geworden met het feit dat de samenstelling van de meervoudige strafkamer op 9 augustus 2018 dezelfde zou zijn als die van de strafkamer die op 17 mei 2018 vonnis had gewezen in de zaken van de twee medeverdachten. De rechters hebben er evenwel in hun reactie op gewezen dat verzoeker al op 3 mei 2018 wist of kon weten welke de samenstelling op 9 augustus 2018 zou zijn. Zeker is dat verzoeker op 3 mei 2018 wist dat zijn zaak op 9 augustus 2018 behandeld zou worden, onzeker is evenwel dat hij reeds toen wist of moest weten dat die behandeling door dezelfde rechters plaats zou vinden als die op 3 mei 2018 zitting hadden.

Van de zijde van verzoeker is op 8 augustus 2018 aan de meervoudige strafkamer in overweging gegeven zich te verschonen. Pas op de zitting van 9 augustus 2018 is aan verzoeker en zijn gemachtigde kenbaar gemaakt dat de meervoudige strafkamer zich niet zou verschonen, waarna het verzoek tot wraking is ingediend.

4.1.2.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is het verzoek hiermee tijdig gedaan. Verzoeker is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek, zodat wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling daarvan.

4.2.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.3.

Verzoeker meent dat de meervoudige kamer reeds een oordeel heeft uitgesproken over de ten laste gelegde feiten, over de kwalificatievraag en over de strafmaat, weliswaar in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , maar gezien de door de rechtbank gebezigde bewoordingen kan zij in de zaak van verzoeker moeilijk tot een ander oordeel komen.

4.3.1.

De wrakingskamer stelt voorop dat het tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in art. 348 en 350 Sv vermelde vragen behoort om slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is te laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande en daarbij hetgeen hij heeft beslist in een andere zaak tegen andere (mede)verdachten buiten beschouwing te laten.

4.3.2.

Volgens vaste jurisprudentie is het enkele feit dat een rechter al eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een aparte procedure niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van de rechter. Dit is anders, wanneer in de eerdere procedure al een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte in een volgende procedure.

Naar het oordeel van de wrakingskamer valt in het vonnis in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] geen uitspraak te lezen over de schuld van verzoeker. Voor zover in dit vonnis al wordt gerefereerd aan verzoeker is deze verwijzing niet dermate specifiek en/of op zodanige wijze gemotiveerd, dat moet worden geconcludeerd dat de rechtbank een uitspraak heeft gedaan over de schuld van verzoeker. Waar de rechtbank overwegingen wijdt aan de strafmaat in de zaak van [medeverdachte 1] maakt zij een vergelijking met het aandeel van [medeverdachte 2] en de hem toegemeten straf. De mogelijke rol van verzoeker wordt wel genoemd, maar daaraan wordt jegens hem geen enkele conclusie verbonden.

4.4.

De conclusie moet zijn dat verzoeker meer in het vonnis in de zaak van [medeverdachte 1] leest dan er staat. Het wrakingsverzoek kan niet slagen en moet worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, W.J.B. Cornelissen en

U. van Houten, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.D. Moeke, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

zijnde de griffier door de voorzitter

afwezigheid buiten staat

deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.