Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3493

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
08-730583-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel legt een 34-jarige man uit Almelo de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op voor de duur van 1 jaar. De man heeft in oktober vorig jaar zijn slachtoffer geslagen met een kettingzaag. Bij de man is een zogenoemde schizoaffectieve stoornis vastgesteld, die bestaat uit een stemmingsstoornis en psychotische symptomen. Toen hij zijn slachtoffer mishandelde met de kettingzaag, was deze stoornis bij hem aanwezig. De rechtbank stelt vast dat de mishandeling de man niet kan worden toegerekend en acht hem daarom niet strafbaar. De rechtbank ontslaat de man van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-730583-17 (P)

Datum vonnis: 25 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

nu verblijvende in de P.I. Almelo

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 januari 2018, 4 april 2018, 26 juni 2018 en 11 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 23 januari 2018, kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte:

primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een in werking zijnde kettingzaag;

subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Primair

hij op of omstreeks 9 oktober 2017, in de gemeente Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die

[slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgehouden en/of (vervolgens) met een kettingzaag heeft geslagen naar en/of in de richting van die [slachtoffer] die

zich toen daar in de onmiddellijke nabijhed van hem verdache bevond en/of

die [slachtoffer] met die kettingzaag tegen het lichaam heeft geslagen en/of die

kettingzaag heeft gegooid op/tegen en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 9 oktober 2017, in de gemeente Almelo, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] vast te grijpen en/of vast te

houden en/of door die [slachtoffer] te stompen en/of te slaan en/of te schoppen

en/of te trappen en/of met een kettingzaag te slaan en/of te gooien, althans

te treffen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Zij heeft aangevoerd dat, gelet op de verklaring van aangever en getuige [getuige] , kan worden vastgesteld dat de kettingzaag in werking was op het moment van de worsteling tussen verdachte en aangever. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm was bij verdachte in dat geval op zijn minst sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Ook als de rechtbank tot het oordeel komt dat niet kan worden vastgesteld dat de kettingzaag in werking was, acht de officier van justitie een poging tot zware mishandeling te bewijzen. Verdachte heeft aangever namelijk geslagen met een zware kettingzaag met scherpe kanten en heeft daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat op de camerabeelden van het incident waarneembaar is dat de kettingzaag niet in werking was op het moment van de worsteling tussen verdachte en aangever. In dat geval is er geen sprake van poging tot zware mishandeling, omdat het slaan met een kettingzaag geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de camerabeelden, de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting blijkt het volgende.1 Op 9 oktober 2017 was [slachtoffer] bomen aan het snoeien met een elektrische kettingzaag.2 Verdachte loopt op hem af. [slachtoffer] legt de kettingzaag neer en verdachte pakt deze op. Verdachte maakt een slaande beweging met de zaag. Hij pakt [slachtoffer] vervolgens vast om zijn nek. Zij vallen op de grond en er ontstaat een worsteling. Verdachte loopt weg, komt kort erna weer terug en slaat vervolgens [slachtoffer] .3

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet zonder meer blijkt dat de kettingzaag in werking was nadat verdachte deze heeft opgepakt. Dat de kettingzaag aan stond blijkt in elk geval niet zonder meer uit de camerabeelden, die de rechtbank ook heeft bekeken. Daarbij komt dat een getuige heeft verklaard dat zij zeker weet dat de kettingzaag uit stond.

Daarnaast bevat het dossier weinig informatie over de kettingzaag, in het bijzonder waar het gaat om hoe scherp en hoe zwaar deze was. Het dossier bevat ook geen informatie over de kracht waarmee verdachte de zaag hanteerde of informatie die een aanwijzing daarover zou kunnen vormen, zoals bij voorbeeld een letselverklaring Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat sprake was van een poging tot zware mishandeling.

De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van het subsidiair de tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 4 en 5;

- het proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2017 (bekijken camerabeelden), pagina 13 en 14;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 9 oktober 2017, in de gemeente Almelo, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] vast te grijpen en vast te houden en door die [slachtoffer] te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: mishandeling

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is. Zij verwijst daarbij naar het rapport van 13 juli 2017 van [naam 1] , arts in opleiding tot psychiater, en dr. [naam 2] , psychiater/psychoanalyticus. In dat rapport concluderen de deskundigen dat verdachte belast is met een geestesstoornis, dat deze bestond ten tijde van het tenlastegelegde en dat het feit verdachte in het geheel niet is toe te rekenen. De officier van justitie neemt dit advies over en vordert dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ook gesteld dat verdachte niet strafbaar is, omdat het feit hem niet kan worden toegerekend en dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de over de persoon van verdachte uitgebrachte rapportages, namelijk:

- een Pro Justitia rapport van 13 juli 2018, opgemaakt door [naam 1] , arts in opleiding tot psychiater, en dr. [naam 2] , psychiater/psychoanalyticus;

- een Pro Justitia rapport van 19 juli 2018, opgemaakt door [naam 3] , gezondheidszorg- en forensisch psycholoog;

- een adviesrapport van 31 juli 2018, opgemaakt door [naam 4] , reclasseringswerker bij Tactus Verslavingszorg.

De psycholoog heeft tweemaal met verdachte gesproken, maar daarbij was, volgens de psycholoog, geen normaal gesprek mogelijk. Verdachte heeft daarnaast de psycholoog geen toestemming gegeven om informatie op te vragen. Hierdoor was het niet mogelijk om verdachte te onderzoeken en de vragen te beantwoorden.

De psychiaters hebben wel een advies kunnen uitbrengen. Uit het rapport van de psychiaters blijkt het volgende. Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk een combinatie van een stemmingsstoornis en een schizofrenie spectrum stoornis, te weten een schizo-affectieve stoornis. Deze stoornis bestond ook ten tijde van het tenlastegelegde. De psychiaters stellen verder dat het zeer waarschijnlijk is dat onderzochte ten tijde van het plegen van het feit psychotisch was. Hij had de waanvoorstelling dat het slachtoffer vrouwen in de kelder verborgen hield. Zijn toetsing van de realiteit was compleet gestoord. De psychiaters adviseren het ten laste gelegde niet aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de psychiaters zorgvuldig tot stand is gekomen en acht de conclusies goed onderbouwd. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat het ten laste gelegde niet aan verdachte is toe te rekenen. Zij is van oordeel dat de verdachte daarom niet strafbaar is ter zake het ten laste gelegde en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

7 De op te leggen maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 Sr voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis te veel is. Hij wijst er daarbij op dat verdachte al elf maanden in voorarrest zit. Daarbij is ook van belang dat verdachte waarschijnlijk langer behandeling nodig heeft dan één jaar. Het ligt eerder voor de hand verdachte civielrechtelijk op grond van de Wet BOPZ te laten opnemen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Zoals hiervoor overwogen, stelt de rechtbank vast dat de bewezen verklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of zij verdachte een maatregel zal opleggen en zo ja, welke.

De psychiaters stellen in het rapport dat het risico op gewelddadig gedrag door verdachte in de toekomst als hoog wordt ingeschat. Verder stellen zij dat verdachte vanwege zijn schizo-affectieve stoornis en de stoornis in gebruik van amfetamine niet is afgestemd op de omgeving, zijn realiteitstoetsing gestoord is en hij op basis van waanvoorstellingen tot handelingen kan komen die gevaarlijk kunnen zijn voor zichzelf en anderen. Zij adviseren het forensisch kader toe te passen vanwege het grote risico, het gebrek aan ziekte inzicht, de agressieve houding van verdachte ten aan zien van de vaststelling van een mogelijke stoornis en een noodzakelijke behandeling en daarnaast de complexiteit van de problematiek. De psychiaters adviseren verdachte klinisch te laten behandelen om deze aspecten betreffende nadere diagnostiek en behandeling te kunnen uitvoeren en adviseren verdachte op grond van artikel 37 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen voor de duur van maximaal één jaar. De reclassering heeft zich in haar rapportage van 31 juli 2018 bij dit advies aangesloten.

De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over dat een klinische behandeling noodzakelijk is en dat het gevaar dat verdachte vormt voor de algemene veiligheid van personen en goederen, het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis vergt. De rechtbank zal daarom, op grond van artikel 37 Sr, voor de bewezenverklaarde feiten plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelasten.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 450,-- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd de vordering toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr toe te passen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd de vordering naar billijkheid vast te stellen op € 300,--, als de rechtbank het als feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaart.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge het bewezen verklaarde feit.

Verdachte heeft door zijn handelen en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Er is sprake van rechtstreekse schade waarvoor verdachte aansprakelijk is. De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade wordt begroot op € 300,-- en zal tot dit bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering, nu bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt één en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.

De rechtbank zal voornoemd bedrag vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017, de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, tot de dag van volledige betaling.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: het misdrijf: mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 300,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door M.I. van Meel, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

Buiten staat

Mr. Van Meel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 9 oktober 2017, pagina 4 en 5.

3 het proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2017 (bekijken camerabeelden), pagina 13 en 14 en het proces-verbaal het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.