Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3487

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
7055291 CV EXPL 18-3799
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt dat een opleidingsmanager bij Saxion moet terugkeren in zijn functie en bij de management overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 7055291 CV EXPL 18-3799

Vonnis in kort geding van 13 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Enschede,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. B.A. Siesling,

tegen

de stichting

Stichting Saxion,

gevestigd in de gemeente Rijssen-Holten en (mede) kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij, hierna te noemen Saxion,

gemachtigde: mr. F.J. van der Vaart.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1

de namens [eiser] betekende dagvaarding van 13 juli 2018, waarbij hij een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en Saxion heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2

[eiser] heeft ter voorbereiding van de mondelinge behandeling nog een aanvullende productie in het geding gebracht.

1.3

De vordering is behandeld ter zitting van 22 augustus 2018.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Saxion is verschenen [naam 1] , directeur SCE, bijgestaan door de gemachtigde.

1.4

[eiser] heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde, die daarbij gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen.

De gemachtigde van Saxion heeft tegen de vordering verweer gevoerd en daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken aantekeningen gemaakt.

1.5

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] is met ingang van 15 juni 2018 in dienst getreden bij Saxion, academie Bedrijfskunde & Ondernemen, thans geheten School of Commerce & Entrepreneurship (SCE), in de functie van docent in functieschaal 10 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 15 juni 2009. Deze overeenkomst werd op 15 april 2009 voor bepaalde tijd verlengd tot en met 14 juni 2010.

2.2

Op 3 juni 2010 werd de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 26 juli 2010 kwam een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand waarbij [eiser] als docent per 1 augustus 2010 in salarisschaal 11 geplaatst werd.

2.3

Op 21 juni 2016 werd een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan waarbij [eiser] (met terugwerkende kracht) met ingang van 1 juni 2016 werkzaam zou zijn als hoofddocent/onderzoeker in functieschaal 12.

2.4

De opleiding SB&RM, die deel uitmaakt van SCE, kende sinds 2013 een moeilijke periode en voldeed niet aan de eisen die aan die (hoogwaardige) opleiding gesteld mogen worden. In 2015 is besloten om de projectleider/teamleider van het reeds ingestelde (verbeter)traject af te halen waarna in maart 2016 door de toenmalige directeur van de academie, [naam 2] , werd besloten om het contract van die projectleider/teamleider niet te verlengen.

2.5

[eiser] is vervolgens door [naam 2] gevraagd om projectleider te worden van de opleiding SB&RM, vooral met het oog op de thema-audit van 13 oktober 2016. Op die datum scoorde de opleiding nog niet op alle standaarden een voldoende maar bezat zij wel de potentie om naar een ruime voldoende te groeien.

2.6

[eiser] kreeg de opdracht om als projectleider de opleiding te verbeteren en te laten groeien naar een ruime voldoende op de thema-audit op 5 december 2017.

2.7

Tussentijds, op 13 juni 2017, werd wederom een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan die inhoudelijk, op de hoogte van het salaris na, niet afwijkt van de arbeidsovereenkomst d.d. 21 juni 2016.

2.8

Op 21 juni 2017 vond een zogeheten plan,- voortgangs- en beoordelingsgesprek plaats tussen [eiser] , [naam 2] en [naam 1] , op dat moment academie manager.

Het functieprofiel van [eiser] werd op het desbetreffende formulier (dagv., prod. 6) omschreven als ‘Opleidingsmanager SBRM’.

2.9

Met betrekking tot de resultaatsafspraken werd het volgende opgenomen:

[naam 2] en [naam 1] ( [naam 2] respectievelijk [naam 1] , ktr) geven mij voor het functioneren in de functie als opleidingsmanager 2016-2017 een excellente beoordeling. [naam 2] geeft aan dat wat ik laat zien zo uitzonderlijk goed is dat ondanks mijn twee voorgaande excellente beoordelingen van vorige twee jaren het MT heeft besloten niet onder een excellente beoordeling heen te kunnen. Zij kunnen mij niet twee schalen opwaarderen, ma[a]r stellen voor mij een gratificatie van 1250 euro netto in de maand augustus te geven. Hiermee ga ik akkoord.[…] [naam 1] geeft aan dat ik mijn projectleiderschap naar opleidingsmanager natuurlijk heb opgepakt. [naam 2] waardeert de manier waarop ik visie ontwikkel en collega’s hierin mee neem. […] [naam 2] noemt mij een natuurlijk leider. [naam 1] geeft aan geen verbeterpunten te kunnen benoemen. […] Ik zelf geef aan voor volgend jaar te willen onderzoeken of de gesprekcyclus op een moderne manier vorm gegeven kan worden. Daarnaast heb ik mijzelf ten doel gesteld de interne audit te laten slagen. Ook spreek ik uit om binnen Saxion in meer strategische projecten te willen participeren. [naam 2] geeft aan dat deze strategische projecten gaan komen en dat ik bewust moet zijn dat ik als ‘directeur’ van de opleiding een ambassadeur ben van SBRM. [naam 2] verwacht dat imago SBRM binnen Saxion snel en sterk kan verbeteren door ontwikkelingen afgelopen twee jaar.

2.10

De opleiding scoorde op de thema audit d.d. 5 december 2017 een voldoende en [eiser] ontving als gevolg daarvan een gratificatie en tweemaal een verhoging van het normpercentage.

2.11

Op 25 januari 2018 heeft [naam 1] , inmiddels de nieuwe directeur van de academie SCE, aan de medewerkers van de academie de nieuwe organisatiestructuur gepresenteerd. Het MT zou bestaan uit de directeur SCE ( [naam 1] ) met daaronder twee opleidingsmanagers te weten [naam 3] , opleiding CE, en [eiser] , opleiding SB & RM. Onder [eiser] zouden vallen de Coördinator Onderbouw ( [naam 4] ) en de Coördinator Bovenbouw ( [naam 5] ). Onder die coördinatoren ressorteren de Curriculum Commissie en de docenten SB&RM.

2.12

Na gesprekken tussen [naam 1] en [eiser] over een mogelijke nieuwe opzet c.q. versterking van het managementteam werd in 2018 een vacature opengesteld. Eind april 2018 werd gemeld dat er niemand op de vacature had gereageerd. [naam 1] kende evenwel een geschikte kandidaat, [naam 6] , en nadat zij hulp van [eiser] had gevraagd hoe één en ander te communiceren over de komst van [naam 6] , werd in de nieuwsbrief van de academie van juni 2018 het aangekondigd:

De opleiding SB&RM krijgt met ingang van 18 juni aanstaande een nieuwe teamleider. [eiser] wordt opgevolgd door [naam 6] .

2.13

Daarvoor, op 15 mei 2018, werd [eiser] door [naam 1] meegedeeld dat hij ‘uit de lijn’ gaat en vervangen wordt door een nieuw aangetrokken teamleider, dat hij weer wordt teruggeplaatst als hoofddocent en dat zijn rol als MT-lid per 15 juni 2018 komt te vervallen. Bij brief d.d. 3 juni 2018 deelt [eiser] zijn bezwaren over deze gang van zaken aan onder anderen [naam 1] mee. Hij schrijft:

Met verbazing heb ik kennis genomen van de mededeling op 15 mei jl. waarin [naam 1] heeft aangegeven dat ik word vervangen door een nieuw aangetrokken teamleider/opleidingsmanager SBRM. Daarmee word ik terug geplaatst naar de rol van hoofddocent waarbij mijn rol als MT lid en lid SMO per 15 juni komt te vervallen. Dit is zonder overleg, zonder opgave van reden en tegen mijn wil in besloten. Hier teken ik bezwaar tegen aan.

2.14

[naam 1] heeft daarop bij haar brief van 12 juni 2018 met als onderwerp ‘einde werkzaamheden als teamleider’ als volgt gereageerd:

Refererend aan […] wil ik je melden dat je op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een dienstverband bij Saxion respectievelijk de School of Commerce & Entrepreneurship (SCE) hebt in de functie van hoofddocent/onderzoeker (schaal 12). Jouw stelling dat je met ingang van 15 juni 2018 jouw functie als opleidingsmanager en MT-lid moet neerleggen en overdragen, is derhalve niet correct. De aard van jouw werkzaamheden respectievelijk jouw inzet als hoofddocent/onderzoeker wordt met ingang van 15 juni 2018 gewijzigd. Van een eenzijdige (gedwongen) wijziging van jouw functie is derhalve geen sprake. Jouw functie was hoofddocent/onderzoeker (schaal 12) en blijft hoofddocent/onderzoeker (schaal 12).

Een en ander neemt niet weg dat er sprake is van een wijziging van de rol (die van “teamleider”) die je in het kader van jouw functie van hoofddocent/onderzoeker tot voor kort verrichtte. Anders dan jij suggereert is dat wel degelijk in overleg gerealiseerd. In jouw schrijven d.d. 3 juni 2018 schrijf je letterlijk: “in diverse gesprekken hebben [naam 1] en ik scenario’s uitgewerkt hoe deze samenwerking tussen de nieuwe teamleider en mij zou moeten verlopen”.

Wellicht is er niet expliciet genoeg gesproken over of heb jij je niet of in onvoldoende mate gerealiseerd dat de invulling van de vacature voor de functie van ‘teamleider’ door een derde tot gevolg heeft dat je dientengevolge geen onderdeel meer uitmaakt van het managementteam, […].

2.15

[eiser] heeft zich vervolgens ziek gemeld.

3 Het geschil

De vordering:

3.1

[eiser] vordert – samengevat – Saxion te veroordelen hem binnen 24 uur nadat in deze zaak vonnis is gewezen toe te laten tot de functie van opleidingsmanager SB&RM te Enschede, met inbegrip van de management overleggen waar [eiser] deel van uitmaakte, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of per deel van een dag dat Saxion in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

Het verweer:

3.2

Saxion concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering. Het verweer is gebaseerd op de stelling dat een opleidingsmanager binnen Saxion geen functie is maar een rol. Mede vanwege het feit dat [eiser] als teamleider de opleiding SB&RM ‘audit-proof’ moest maken, is hij naar de buitenwereld gepresenteerd als opleidingsmanager. [eiser] was en is hoofddocent.

4 De beoordeling

4.1

[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening heeft. Immers, [eiser] is in ieder geval ‘uit de lijn’ gehaald en hoe langer het duurt dat [eiser] van de mt-overleggen uitgesloten wordt, hoe moeilijker het voor hem zal worden om op het managementniveau terug te keren.

4.2

Voorop zij gesteld dat bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals gevorderd, wordt vooruitgelopen op het oordeel van de rechter in de bodemprocedure. Gelet hierop is er in een geval als dit in beginsel alleen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien in dit kort geding kan worden vastgesteld, dat de rechter in de bodemprocedure met een redelijke mate van zekerheid de vordering van [eiser] zal toewijzen.

4.3

Dat betekent voor deze procedure dat ingeschat zal moeten worden of de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat [eiser] zijn taken als opleidingsmanager vanuit zijn functie als hoofddocent/teamleider in een rol heeft uitgevoerd of dat hij die taken in de functie van opleidingsmanager heeft uitgevoerd.

4.4

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] zijn werkzaamheden vervuld vanuit de functie van opleidingsmanager en niet vanuit een rol. Het navolgende is daarvoor redengevend.

4.4.1 Het contract van de voorganger van [eiser] als projectleider van de opleiding SB&RM ( [naam 7] ) werd door de toenmalige academiedirecteur [naam 2] niet verlengd omdat de opleiding op dat moment, in maart 2016, niet aan de eisen voldeed. Dat duidt erop dat [naam 7] een functie vervulde. Immers, het is niet aannemelijk dat het niet op een juiste invulling geven van een rol, tot een in rechte houdbaar ontslag kan leiden. In het verlengde daarvan geldt het volgende. Wordt de stelling van Saxion gevolgd dat [eiser] een rol vervulde, dan valt niet in te zien waarom er dan extern een vacature is uitgezet. Dat impliceert althans dat maakt het aannemelijk dat er formatieruimte is c.q. een vacante vacature binnen het functiegebouw van Saxion.

4.4.2 [eiser] werd omstreeks maart 2016 door [naam 2] gevraagd om projectleider te worden om de opleiding SB &RM te vernieuwen. Vervolgens werd [eiser] door [naam 2] verzocht om opleidingsmanager te worden. [eiser] heeft zich derhalve, tot het moment dat [naam 6] werd gepresenteerd, ruim twee jaar speciaal en voltijds toegelegd op de ontwikkeling van de inhoud van de opleiding SB&RM, in oktober 2016 aangevuld met managementtaken. Een rol vervullen is naar haar aard iets tijdelijks en naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de periode dat [eiser] op verzoek invulling gaf aan die ontwikkeling, kan niet gezegd worden dat sprake was van tijdelijke werkzaamheden. Het door [eiser] overgelegde ‘Masterplan op hoofdlijnen SB&RM’ van maart 2018 bevestigt dat. Het plan maakt duidelijk dat de opleiding nog volop in ontwikkeling is en dat bij die ontwikkeling een prominente rol is weggelegd voor [eiser] als opleidingsmanager ter zake de inhoudelijke versterking en verankering van onderwijsconcept en –inhoud.

4.4.3 Het ‘formulier gesprekscyclus’ is feitelijk een verslaglegging van een functioneringsgesprek, gehouden op 21 juni 2017. Als huidig functieprofiel wordt vermeld “Opleidingsmanager SBRM” en bij de resultaatsafspraken is vermeld dat [naam 2] en [naam 1] , voor het functioneren van [eiser] in de functie van opleidingsmanager een excellente beoordeling gaven. Onderdeel van het formulier is een (algemene) toelichting van Saxion wat onder resultaatsafspraken verstaan moet worden: het zijn de te realiseren doelen die aansluiten bij het niveau van de functie en de resultaatsgebieden van het functieprofiel.

Indien Saxion het functioneren van [eiser] zag als het functioneren in een rol had, gelet op het gevoerde verweer, van Saxion verwacht mogen worden dat zij tegen het benoemen van het functieprofiel en de resultaatsafspraken, die alleen maar gaan over het projectleiderschap nu en in de toekomst, had geageerd en de verslaglegging niet geaccordeerd had althans had laten aanpassen. Dat heeft Saxion niet gedaan en dat maakt dat [eiser] thans niet meer met vrucht tegengeworpen kan worden dat het gespreksverslag onjuist is ingevuld.

  • -

    4.4.4 [naam 1] heeft op 25 januari 2018 aan de medewerkers van SCE een nieuwe organisatiestructuur gepresenteerd. In het desbetreffende organogram is het MT als volgt samengesteld:

  • -

    de Directeur SCE ( [naam 1] )

  • -

    de opleidingsmanager SB&RM ( [eiser] )

  • -

    de opleidingsmanager CE ( [naam 3] )

4.4.5 Ook in het organogram van de overleg- en organisatiestructuur SCE t.b.v. (borging van) onderwijskwaliteit is de ‘opleidingsmanager’ expliciet opgenomen. Als de opleidings-manager een (tijdelijke) rol zou zijn, valt niet in te zien waarom de ‘opleidingsmanager’ expliciet in de nieuwe structuurorganogrammen van SCE is opgenomen. De organogrammen bevestigen dat ‘opleidingsmanager’ meer is dan alleen een rol en wijzen op een permanente functie.

4.4.6 Saxion heeft toegestaan dat [eiser] zich zowel intern als extern presenteerde als opleidingsmanager, bijvoorbeeld door die functie te noemen onder zijn e-mails.

4.4.7 Geen van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is op zichzelf voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [eiser] de functie opleidingsmanager vervulde. Alle feiten en omstandigheden samen wijzen er echter overtuigend op dat geen sprake was van slechts een rol, maar van een functie.

4.5

Uit het vorenstaande volgt dat naar het voorlopig oordeel dat de rechter in een bodemprocedure tot de conclusie zal komen dat [eiser] zijn taken heeft uitgevoerd in de functie van opleidingsmanager.

4.6

Daarmee wordt aangekomen bij de vraag of Saxion [eiser] op goede gronden ‘uit de lijn’ kon halen. De reden die daarvoor wordt gegeven, staat niet vermeld in de brief van 12 juni 2018 van [naam 1] aan [eiser] . Saxion voert in deze procedure aan dat [eiser] sinds december 2017 niet meer naar behoren functioneerde. Als dat daadwerkelijk het geval is/zou zijn geweest, had in het kader van goed werkgeverschap van Saxion geëist mogen worden dat daarover gesprekken waren gevoerd, daarvan een adequate verslaglegging was bijgehouden en had [eiser] middels een verbeterplan in de gelegenheid moeten worden gesteld zijn functioneren op het juiste niveau te krijgen. Van dit alles is geen sprake. Dat betekent, nu geconcludeerd is dat [eiser] de functie opleidingsmanager vervulde, dat het terugplaatsen van [eiser] naar het hoofddocentschap tegen zijn wil, aan te merken is als een eenzijdige wijziging van de functie van [eiser] .

4.7

Vast staat dat in de arbeidsovereenkomst met [eiser] geen eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen.

4.8

Bij het ontbreken van een dergelijk beding is de werknemer in beginsel niet gehouden voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Daarover moet tussen hen overeenstemming worden bereikt, in verband waarmee de voor de werkgever en de werknemer over en weer uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen van belang zijn. Dat heeft de Hoge Raad in het arrest Stoof/Mammoet bepaald. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat bij de vraag of van de werknemer aanvaarding van een wijziging van de overeenkomst op grond van het goed werknemerschap kan worden gevergd, in de eerste plaats dient te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Als daarvan sprake is, dient vervolgens te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. Aldus zijn drie stappen te onderscheiden ter beoordeling van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot wijziging:

1. is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging van de overeenkomst?

2. is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk?

3. kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?

4.9

Binnen het bestek van dit kort geding kan in het midden blijven of aan al deze criteria is voldaan. Immers, uit niets, ook niet uit het WhatsApp-verkeer over communicatie over de komst van [naam 6] , blijkt dat met [eiser] in overleg is getreden over zijn terugplaatsing. Van de door [naam 1] met [eiser] gevoerde gesprekken zijn geen verslagen gemaakt en ter zitting werd nog eens duidelijk dat [eiser] en [naam 1] een geheel andere perceptie hebben van wat met elkaar besproken is. Wat daar ook van zij, niet valt in te zien waarom [eiser] [naam 1] zou adviseren over een door [naam 1] opgestelde tekst ter introductie van [naam 6] als [eiser] er van op de hoogte zou zijn geweest dat de intentie van [naam 1] was dat [naam 6] hem zou vervangen. Het heeft er dan ook alle schijn van dat [eiser] met de mededeling dat hij terug werd geplaatst volledig verrast werd en voor een voldongen feit werd gesteld. Dat is ten ene male in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW en Stoof/Mammoet.

4.10

Gelet op het hiervoor overwogene zou de vordering van [eiser] dan ook in beginsel onverkort kunnen worden toegewezen. Echter, de kantonrechter is niet doof voor hetgeen door Saxion ter zitting naar voren is gebracht over het ‘niet-zijn’ van [eiser] van een ‘people manager: een leidinggevende die voldoende aandacht heeft voor zijn teamleden en medewerkers. [eiser] heeft daarover gezegd dat zijn kracht bij uitstek ligt in het inhoudelijke werk; aan zijn verzoek aan [naam 1] om versterking lag (dan ook) ten grondslag dat hij iemand wilde die de leidinggevende taken vervulde, zodat hij zich zou kunnen toeleggen op het meer inhoudelijke werk. De kantonrechter acht aannemelijk dat het meer beleidsmatige inhoudelijke werk [eiser] beter ligt dan het leidinggeven. Saxion heeft gesteld dat de huidige situatie binnen SB&RM vraagt om een echte leidinggevende als manager en het behoort tot de beleidsvrijheid van de (onderwijs)ondernemer om die keuze te maken, maar dan wel binnen de marges zoals hiervoor overwogen.

4.11

De kantonrechter zal, bij wijze van voorlopige voorziening, de vordering van [eiser] toewijzen met dien verstande dat [eiser] , na hersteld melding, moet worden toegelaten tot de functie van opleidingsmanager SB&RM en tot de management overleggen, en wel tot het moment van accreditatie van de opleiding SB&RM op 14 februari 2019. Dat doet recht aan de gerechtvaardigde vordering van [eiser] , geeft Saxion de ruimte die zij nodig heeft om de organisatie in te vullen zoals zij dat wenst en geeft beide partijen de tijd om te zoeken naar een oplossing op maat om [eiser] voor Saxion te behouden in een functie die hem ligt en waarin hij voor Saxion van waarde kan zijn. De gevorderde dwangsom van € 500,-- per dag is toewijsbaar, evenwel tot een maximum van € 10.000,--.

4.12

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing.

4.13

Saxion zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

veroordeelt Saxion om [eiser] , binnen 24 uur na hersteld melding, tot 14 februari 2019 toe te laten tot de functie van opleidingsmanager SB&RM te Enschede, met inbegrip van de management overleggen waarvan [eiser] deel uit maakte, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of per deel van een dag dat Saxion in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 10.000,--;

veroordeelt Saxion in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 582,80, waaronder € 400,-- wegens het salaris van de gemachtigde en de nakosten op € 100,--;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, kantonrechter, en door mr. A.J. Louter, kantonrechter, in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018. (mjw)