Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3477

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
08-910006-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man uit Oldenzaal is veroordeeld tot 3 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor het verkrachten van een vrouw in Enschede en het aanranden van een vrouw in Oldenzaal. Hij moet zo'n 14.000 euro aan schadevergoedingen betalen. De man is verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2018, afl. 6, p. 292
PS-Updates.nl 2018-0781
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-910006-18 (P)

Datum vonnis: 24 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] ,

nu verblijvende in de PI Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 september 2018 en 11 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink-Van Dijk en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging van 4 september 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] oraal heeft verkracht;

feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te verkrachten;

feit 3: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven (om een verkrachting/poging verkrachting voor te bereiden, gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren), dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 4: [slachtoffer 2] heeft aangerand.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 04 april 2018 te Enschede, althans in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of

meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hierin bestaande dat

verdachte zijn penis een of meerdere malen in de mond van die [slachtoffer 1] heeft

gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte die [slachtoffer 1]

heeft vastgegrepen en/of van de fiets heeft getrokken en/of die [slachtoffer 1]

heeft geslagen en/of bij haar keel heeft gegrepen en/of haar hoofd in

de richting van zijn penis heeft geduwd;

2.

hij op of omstreeks 04 april 2018 te Enschede, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of

een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer 1] , die [slachtoffer 1] heeft vastgegrepen en/of

van de fiets heeft getrokken en/of die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of bij

haar keel heeft gegrepen en/of (vervolgens) -nadat zij zich had losgerukt- die

[slachtoffer 1] (opnieuw) heeft vastgegrepen en/of die [slachtoffer 1] aan haar

paardenstaart/haren heeft teruggetrokken en/of tegen de grond heeft gewerkt

en/of haar broek/kleding heeft uitgetrokken en/of een sjaal om de hals van die

[slachtoffer 1] heeft aangetrokken en/of de mond/neus van die [slachtoffer 1] heeft

afgedekt en/of boven op haar is gaan liggen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 04 april 2018 te Enschede, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, een sjaal om de hals van

die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of die sjaal -gedurende een geruime

periode- stevig heeft aangetrokken en/of de mond/neus van die [slachtoffer 1]

heeft afgedekt en/of -aldus- de ademhaling van die [slachtoffer 1]

-gedurende een geruime periode- heeft belet,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig(e) strafba(a)r(e) feit(en), te weten verkrachting en/of

poging verkrachting van die [slachtoffer 1] , althans enig zedenmisdrijf,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

die/dat feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 04 april 2018 te Enschede, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, een sjaal om de hals van

die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of die sjaal -gedurende een geruime

periode- stevig heeft aangetrokken en/of de mond/neus van die [slachtoffer 1]

heeft afgedekt en/of -aldus- de ademhaling van die [slachtoffer 1]

-gedurende een geruime periode- heeft belet,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 04 april 2018 te Enschede, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een sjaal

om de hals van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of die sjaal -gedurende een

geruime periode- stevig heeft aangetrokken en/of de mond/neus van die [slachtoffer 1]

heeft afgedekt en/of -aldus- de ademhaling van die [slachtoffer 1]

-gedurende een geruime periode- heeft belet,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 25 november 2017 te Oldenzaal, althans in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het

aanraken/vastpakken van en/of wrijven over de rug en/of de billen van die [slachtoffer 2]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkheid uit het (op de fiets) achtervolgen van

die [slachtoffer 2] en/of het vastpakken van de fiets waarop die [slachtoffer 2] reed

en/of het het plaatsen van zijn, verdachtes, fiets voor de fiets van die [slachtoffer 2]

en/of het (aldus) tot stoppen dwingen en/of beletten van de verdere

doorgang van die [slachtoffer 2] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Vaststaande feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Gelet op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster) bij de politie en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 september 2018 op deze punten kunnen de volgende feiten en omstandigheden, die ter terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan, als vaststaand worden aangemerkt.

Op 4 april 2018 tussen 03.00 uur en 03.30 uur fietste aangeefster [slachtoffer 1] vanuit het centrum van Enschede richting hogeschool Saxion. Zij werd vanuit de stad gevolgd door verdachte. Ter hoogte van de hogeschool werd aangeefster vastgegrepen door verdachte en met haar fiets ten val gebracht. Op het grasveld voor de hogeschool vond er een worsteling tussen aangeefster en verdachte plaats, waarbij aangeefster en verdachte op het gras gevallen zijn. Verdachte heeft aangeefster bij haar sjaal vastgepakt en heeft deze aangetrokken. De broek van aangeefster is uitgegaan. Verdachte heeft aangeefster geslagen, haar hoofd in de richting van zijn penis geduwd en zijn penis in de mond van aangeefster geduwd. Verdachte is bovenop aangeefster gaan liggen. Hij is klaargekomen.

4.2

Feit 1 en 2

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich ook op het standpunt dat de feiten onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, behoudens bij de feiten 1 en 2 het onderdeel “bij de keel grijpen” en bij feit 2 “aan haar paardenstaart/haren trekken” en “haar mond/neus afdekken”. Voor wat betreft het “bij de keel grijpen” en “aan haar paardenstaart/haren trekken” is er onvoldoende steunbewijs aldus de raadsman en voor wat betreft het afdekken van mond/neus is de verklaring van aangeefster onvoldoende betrouwbaar.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Verweer betrouwbaarheid verklaring aangeefster op onderdeel “mond/neus afdekken”

Het verweer van de raadsman dat aangeefsters verklaring over het afdekken van mond/neus niet als betrouwbaar bewijsmiddel kan worden gebezigd kan niet slagen. Aangeefster heeft gedetailleerd en in de kern consistent verklaard. Niet alleen over het afdekken van mond/neus, maar ook over alle overige onderdelen genoemd in de tenlastelegging. Deze verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte. De rechtbank heeft daarom geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van aangeefsters verklaringen. Dat zij niet direct tijdens het doen van aangifte heeft verklaard dat ook haar mond/neus werd afgedekt, doet – gelet op de emotionele toestand waarin aangeefster verkeerde - aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster niets af. De rechtbank ziet geen enkele reden om de verklaringen van aangeefster (op onderdelen) van het bewijs uit te sluiten.

Verweer onvoldoende steunbewijs

Voor wat betreft het verweer van de raadsman dat de verklaring van aangeefster op genoemde onderdelen van de tenlastelegging geen steun vindt in een ander bewijsmiddel, overweegt de rechtbank dat dit ontbreken van steun in een ander bewijsmiddel een bewezenverklaring niet in de weg staat, nu niet is vereist dat alle onderdelen van de tenlastelegging door meerdere bewijsmiddelen worden gedekt. Het verweer wordt verworpen.

Poging tot verkrachting

Weliswaar heeft de raadsman betoogd dat ook voor de poging tot verkrachting onder feit 2 een bewezenverklaring kan volgen, maar nu verdachte noch bij de politie, noch ter terechtzitting een duidelijke verklaring over dit feit heeft afgelegd zal de rechtbank de bewezenverklaring motiveren. Uit de verklaringen van aangeefster en verdachte volgt dat verdachte aangeefster heeft vastgegrepen en van haar fiets heeft getrokken. Hij heeft haar sjaal aangetrokken, haar geslagen en haar broek en sokken uitgetrokken. Toen zij zich losrukte heeft hij haar opnieuw vastgegrepen, haar aan haar paardenstaart/haren teruggetrokken en haar tegen de grond gewerkt. Hij is boven op haar gaan liggen, heeft haar bij de keel gegrepen en haar mond en neus afgedekt. De rechtbank acht deze handelingen van verdachte, gelet op het dwingende karakter en de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder ze zijn verricht, naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de uitvoering van de (vaginale) verkrachting van aangeefster dat het handelen van verdachte kan worden gezien als een begin van uitvoering daartoe. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte ook de intentie had om het lichaam van aangeefster binnen te dringen. Het uittrekken van de broek en het boven op aangeefster gaan liggen, wijzen daarop.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.

4.3

Feit 3

4.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag wettig en overtuigd te bewijzen. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte de sjaal van aangeefster twee minuten om haar keel heeft getrokken en zijn handen om haar keel heeft gedaan, waardoor aangeefster lange tijd geen lucht kreeg. Zij heeft letsel opgelopen en heeft verklaard dat ze dacht dat ze dood ging. Het handelen van verdachte was daarmee naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van aangeefster, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden. Door aangeefster te verwurgen heeft zij haar verzet gestaakt en dat heeft de verkrachting en poging tot verkrachting mogelijk gemaakt, aldus de officier van justitie.

4.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 3 tenlastegelegde, omdat er geen bewijs is dat verdachte de ademhaling van aangeefster een geruime periode heeft belet door het aantrekken van haar sjaal of het afdekken van haar mond/neus. Er is ook geen letselverklaring waaruit iets blijkt over de duur van bedoelde handelingen en de intensiteit waarmee die handelingen plaatsvonden. Verdachte heeft geen opzet gehad op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het loslaten van de sjaal en het minder strak leggen van zijn hand op haar neus/mond zijn daar ook contra-indicaties voor.

4.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 3 primair en feit 3 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte willens en wetens aangeefster om het leven heeft willen brengen, nu zich daarvoor onvoldoende aanwijzingen in het dossier bevinden. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangeefster. Ten aanzien van voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen moet worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster had kunnen doden door – zoals is ten laste gelegd – haar ademhaling een geruime periode te beletten door het aantrekken van haar sjaal en/of het afdekken van haar mond/neus. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar sjaal vastpakte en aantrok, zodat zij bijna geen lucht meer kreeg. Zij heeft ook verklaard dat dit twee minuten duurde. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster dát verdachte aan haar sjaal heeft getrokken, omdat verdachte dit zelf ook heeft verklaard. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het dossier onvoldoende (objectieve) aanknopingspunten biedt om vast te stellen hoe lang en met hoeveel kracht verdachte de sjaal die aangeefster om haar nek droeg heeft aangetrokken. Dit blijkt niet uit de beschrijving van de bekeken camerabeelden en niet uit de camerabeelden zelf die deel uitmaken van het dossier, terwijl ook het bij aangeefster ontstane letsel niet van zodanige aard is dat daaruit de aanmerkelijke kans op de dood, door het aantrekken van de sjaal, afgeleid kan worden. Uit het forensisch radiologisch onderzoek van 6 april 2018 blijkt weliswaar dat er sprake is van geweldsinwerking op de hals van aangeefster, maar op basis hiervan kan niet worden vastgesteld dat de ademhaling van aangeefster gedurende een bepaalde periode zodanig is belet dat hierdoor een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zou komen te overlijden. Het dossier bevat ook geen letselinterpretatie waaruit dit zou kunnen blijken. Ook verdachtes verklaring dat hij aan de sjaal van aangeefster heeft getrokken ondersteunt aangeefsters verklaring onvoldoende nu verdachte verklaart dat hij slechts kort, maximaal 10 seconden, aan de sjaal heeft getrokken.

Uit het dossier blijkt ook niet hoe lang en krachtig verdachte de mond en neus van aangeefster heeft afgedekt. Wel heeft aangeefster hierover op pagina 140 van het dossier verklaard, als antwoord op de vraag in hoeverre zij nog lucht kreeg: ‘in eerste instantie helemaal niets. Ik zei toen: ‘I can’t breath’. Toen voelde ik dat hij zijn hand iets losser op mijn neus en mond legde’. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een contra-indicatie voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangeefster.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat het aantrekken van de sjaal en het afdekken van de neus en mond van aangeefster kan worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg (de dood van aangeefster) dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust die kans heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom van het als feit 3 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken nu er onvoldoende bewijs is voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangeefster.

Ten aanzien van feit 3 meer subsidiair

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 3 primair en feit 3 subsidiair is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige dossier eveneens onvoldoende (objectieve) aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat hierdoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

De rechtbank zal verdachte daarom ook van het onder feit 3 meer subsidiair ten laste gelegde vrijspreken nu er onvoldoende bewijs is voor (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.

4.4

Feit 4

4.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigd te bewijzen.

4.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 4 ten laste gelegde, nu er in het dossier geen steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster.

4.4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat zij op 25 november 2017 in Oldenzaal naar haar werk fietste, toen zij merkte dat een jongen haar op de fiets achtervolgde.2 Ze was vlakbij haar werk toen zij merkte dat de jongen haar fiets vastpakte en zijn fiets voor die van haar plaatste, waardoor zij niet verder kon.3 De jongen wreef over haar rug en wreef daarna nog drie keer over haar billen.4 Aangeefster had die jongen een week daarvoor gezien, toen hij bij uitgaansgelegenheid [café 1] in gesprek was met [naam] . Tegen een vriendin van aangeefster die [naam] kende, vertelde [naam] dat die jongen [verdachte] heet. Nadat aangeefster naar zijn naam zocht via zoekmachine Google, vond ze een foto waarop ze hem herkende als de jongen die aan haar billen heeft gezeten.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster op 25 november 2017 vreselijk overstuur binnen kwam bij woonzorgcentrum [woonzorgcentrum] in Oldenzaal, waar [getuige 1] en aangeefster beiden werkzaam zijn, en vertelde dat zij door een jongen was betast.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij in het weekend na 25 november 2017 met aangeefster in uitgaansgelegenheid [café 2] was, waar zij verdachte tegen kwam. Hierover heeft [getuige 2] verklaard: ‘ik ben daarna naar [verdachte] gelopen. Ik heb hem aangesproken. (..) Ik zei tegen hem dat hij vorige week achter [slachtoffer 2] was aangegaan en haar van de fiets had afgetrokken. (..) Hij begon toen van: “ja, ja ja”. (..) Ik vroeg nogmaals van: “waarom heb je dit nou gedaan”. Hij zei “ja, ik heb het ook moeilijk”.6

Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat de verklaring van aangeefster – waaraan de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen – in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

De rechtbank wordt bovendien gesterkt in haar oordeel dat verdachte degene is die het ten laste gelegde heeft begaan, nu hij zelf heeft verklaard dat hij [naam] kent en wel eens bij [café 1] kwam.7

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 4 april 2018 te Enschede, door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hierin bestaande dat

verdachte zijn penis meerdere malen in de mond van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] heeft vastgegrepen en van de fiets heeft getrokken en die [slachtoffer 1] heeft geslagen en bij haar keel heeft gegrepen en haar hoofd in de richting van zijn penis heeft geduwd;

2.

hij op 4 april 2018 te Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , die [slachtoffer 1] heeft vastgegrepen en van de fiets heeft getrokken en die [slachtoffer 1] heeft geslagen en bij haar keel heeft gegrepen en die [slachtoffer 1] opnieuw heeft vastgegrepen en die [slachtoffer 1] aan haar paardenstaart/haren heeft teruggetrokken en tegen de grond heeft gewerkt en haar broek/kleding heeft uitgetrokken en een sjaal om de hals van die [slachtoffer 1] heeft aangetrokken en de mond/neus van die [slachtoffer 1] heeft afgedekt en boven op haar is gaan liggen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 25 november 2017 te Oldenzaal, door feitelijkheden , [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

wrijven over de rug en de billen van die [slachtoffer 2] en bestaande die feitelijkheden uit het (op de fiets) achtervolgen van die [slachtoffer 2] en het vastpakken van de fiets waarop die [slachtoffer 2] reed en het plaatsen van zijn, verdachtes, fiets voor de fiets van die [slachtoffer 2]

en het tot stoppen dwingen en beletten van de verdere doorgang van die [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

verkrachting;

feit 2

het misdrijf:

poging tot verkrachting;

feit 4:

het misdrijf:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachtes geestvermogens en de bewezen verklaarde feiten, waardoor hij volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor alle ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat er onvoldoende gronden zijn om aan te nemen dat verdachte in een psychose verkeerde ten tijde van de strafbare feiten en dat de conclusies van de deskundigen niet worden gedragen door de feitelijkheden in het dossier. Zo is verdachte gevlucht toen er getuigen aan kwamen, heeft hij de jas die hij op dat moment droeg weggemaakt en heeft hij zich na zijn aanhouding maandenlang op zijn zwijgrecht beroepen. Op 4 april 2018, na de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd, heeft verdachte uren met zijn ouders gesproken en niet is gebleken dat zij verward gedrag bij verdachte hebben waargenomen. Bovendien heeft de psychiater tijdens het trajectconsult op 25 april 2018 geen acuut, opvallend psychotisch gedrag bij verdachte waargenomen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eensluidende conclusie van de deskundigen over dient te worden genomen en dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard voor het onder de feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegde, zodat verdachte ten aanzien van deze feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde heeft de raadsman geen standpunt over de strafbaarheid van verdachte ingenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

In het dossier bevinden zich twee Pro Justitia rapportages: een psychiatrische rapportage van 21 augustus 2018, opgesteld door I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater en V. Koksal, arts in opleiding tot psychiater, en een psychologische rapportage van 28 augustus 2018, opgesteld door P.M.A. van Oss, gezondheidszorgpsycholoog. Deskundigen Troost en Van Oss zijn ter terechtzitting van 4 september 2018 gehoord en hebben daarbij de in hun rapportages geformuleerde conclusies en adviezen herhaald en nader toegelicht.

In zowel de psychiatrische rapportage als de psychologische rapportage wordt – kort gezegd - geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een schizofrene stoornis ten tijde van alle tenlastegelegde feiten en een daaruit voortkomende acute psychose ten tijde van het eerste en tweede tenlastegelegde feit.

Aangezien schizofrenie een chronische ziekte is, verdachte al eerder psychotisch was en geen behandeling accepteerde, was hiervan sprake. Bij plaatsing in het Huis van Bewaring was verdachte bovendien ernstig psychotisch, aldus de deskundigen Troost en Koksal. Deskundige Troost heeft ter terechtzitting een nadere toelichting gegeven op de waargenomen psychotische verschijnselen. Bij verdachte was sprake van een niet te corrigeren overtuiging dat er een psychologisch spelletje met hem werd gespeeld en dat aangeefster de macht over hem had, en niet andersom. Verdachte heeft verklaard dat hij maar heel weinig zeggenschap over zijn handelen heeft, omdat hij vrijwel volledig wordt bestuurd door hogere machten. De psychotische verklaring van verdachte over het ten laste gelegde past bij het algemeen beeld van de door verdachte ervaren beïnvloeding. Verdachte kon daarom niet beschikken over zijn vrije wil en zijn handelen werd volledig bepaald door zijn psychotische stoornis ten gevolge van zijn schizofrenie. Troost en Koksal adviseren daarom om verdachte voor het eerste ten laste gelegde feit (de rechtbank begrijpt: het eerste en het tweede ten laste gelegde feit) volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Omdat verdachte zwijgt over het onder 4 tenlastegelegde feit kan de vraag of en in hoeverre er verband is tussen de geconstateerde diagnose en dat feit niet beantwoord worden.

Deskundige Van Oss acht het aannemelijk dat er bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een schizofrene stoornis. Op grond van het psychologisch/psychiatrisch beeld wat uit het onderzoek naar voren komt en de verklaringen van verdachte, wordt aannemelijk geacht dat verdachtes beoordelingsvermogen ten tijde van de verkrachting (de rechtbank begrijpt: het eerste en tweede ten laste gelegde feit) zodanig was aangetast door schizofrenie en de psychose dat het ten laste gelegde hieruit kan worden verklaard. Vanuit het psychotische waandenkbeeld van verdachte dat anderen hem via hun smartphone kunnen besturen, heeft verdachte ervaren dat aangeefster hem via een connectie naar zich toe heeft getrokken, toen zij op haar mobiele telefoon keek. Gezien verdachtes door paranoïde wanen gestoorde beoordelingsvermogen en het daaruit voortvloeiende onvermogen om zijn wil te bepalen voorafgaand en tijdens de verkrachting (de rechtbank begrijpt: het eerste en tweede ten laste gelegde feit) wordt geadviseerd verdachte deze feiten niet toe te rekenen. Aangezien verdachte niet heeft willen verklaren over feit 4 is het niet mogelijk het eventuele verband tussen verdachtes stoornis en feit 4 te beschrijven.

Het vorenstaande in acht genomen, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

1. Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Zowel in het psychiatrische rapport als in het psychologische rapport wordt geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten 1, 2 en 4 leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van schizofrenie. Ten tijde van de feiten 1 en 2 was er volgens de deskundigen sprake van een psychotische stoornis ten gevolge van zijn schizofrenie. De rechtbank is van oordeel dat de in de rapportages gegeven motivering en de toelichting die door de deskundigen ter zitting is gegeven voornoemde diagnostische conclusie kan dragen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

2. Causaal verband

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank op grond van de rapportages tot het oordeel dat de verdachte (mede) als gevolg van de psychose tot de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 is gekomen. Het causale verband tussen de ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de bewezen verklaarde feiten staat daarmee vast.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank dat, nu verdachte bij de politie, bij de deskundigen en ter zitting niet heeft willen verklaren over dit feit het niet mogelijk is een causaal verband tussen de stoornis en het gepleegde strafbare feit vast te stellen.

3. Begrip van wederrechtelijkheid

Van (poging tot) verkrachting kan worden aangenomen dat vrijwel iedereen weet dat het plegen van de door die strafbaarstelling bestreken handeling (het door dwang ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam), strafbaar is. De verdachte vormt hierop geen uitzondering. Hij was doordrongen van de wederrechtelijkheid van zijn handelen, zo blijkt ook uit zijn verklaring ter terechtzitting van 4 september 2018.

4. Beperking van handelen door stoornis

Tot slot dient te vraag te worden beantwoord of de ziekelijke stoornis meebracht dat de verdachte niet of onvoldoende in staat was in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van de feiten te handelen (kort gezegd: dat hij niet anders kon handelen).

Bij beantwoording van die vraag heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen .

Verdachte heeft verklaard dat hij werd bestuurd door aangeefster via haar mobiele telefoon. Verdachte heeft noch bij de politie, noch bij de deskundigen, noch bij de rechtbank inzicht gegeven in de wijze waarop die besturing plaatsvond en hoever die besturing reikte. Zijn verklaringen hierover zijn summier. In het bijzonder is onduidelijk gebleven – anders dan dat hij door haar bestuurd werd – wat vanuit zijn waandenken aanleiding is geweest voor de seksuele handelingen en het geweld jegens aangeefster. Verder vindt de rechtbank van belang dat verdachte er blijk van heeft gegeven tijdens zijn handelen doordrongen te zijn geweest van het wederrechtelijke daarvan, dat hij in de vroege ochtend van 4 april 2018 is gezien door politieagenten, die hem aanspraken omdat hij buiten sliep, dat hij dezelfde ochtend (na het bewezen verklaarde) ook bij Humanitas is geweest, waar hij bekend was, en dezelfde avond enkele uren bij zijn ouders heeft doorgebracht. Er zijn daarbij kennelijk geen bijzonderheden opgevallen voor wat betreft het gedrag en functioneren van verdachte.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zondermeer dat verdachte in het geheel niet kon beschikken over zijn vrije wil.

De deskundigen Troost en Koksal vermelden in hun rapportage ten aanzien van hun advies over de toerekenbaarheid het volgende: “Hij heeft tegenover de behandelende psychiater verklaard dat hij maar heel weinig zeggenschap over zijn handelen heeft nu hij vrijwel volledig wordt bestuurd door hogere machten. De psychotische verklaring van betrokkene over het ten laste gelegde past dus in het algemene beeld van de door betrokkene ervaren beïnvloeding. Betrokkene kon daarom niet beschikken over zijn vrije wil en zijn handelen werd volledig door zijn psychotische stoornis ten gevolge van zijn schizofrenie bepaald. Ondergetekenden adviseren u daarom betrokkene voor het ten laste gelegde feit de verkrachting, volledig ontoerekenbaar te verklaren.” Naar het oordeel van de rechtbank volgt ook uit deze onderbouwing van het advies onvoldoende dat verdachte in het geheel niet kon beschikken over zijn vrije wil.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te concluderen dat verdachte op het moment van het bewezenverklaarde handelen onder de feiten 1 en 2 zo volledig werd beheerst door een psychose, dat hij niet anders kón handelen dan hij heeft gedaan. Daarom kan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, zoals door de deskundigen geadviseerd, geen sprake zijn. De rechtbank ziet in het hiervoor overwogene wel redenen om de feiten 1 en 2 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Ten aanzien van het onder feit 4 bewezen verklaarde overweegt de rechtbank dat nu enig causaal verband tussen de stoornis en het handelen van verdachte om voornoemde redenen niet kan worden aangetoond, verdachte dit feit volledig toegerekend wordt.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten strafbaar is, nu er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank dient te gelasten dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige zedenmisdrijven. Op 4 april 2018 heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] , een studente die ’s nachts vanuit de stad naar huis fietste, achtervolgd, van haar fiets getrokken, is hij achter haar aan gegaan toen zij wegrende en heeft hij haar oraal verkracht en geprobeerd haar vaginaal te verkrachten. Daarbij heeft hij zodanig aan haar sjaal getrokken dat zij daar nekletsel aan over heeft gehouden, heeft hij haar geslagen en haar hard aan haar haren getrokken. Verdachte werd gestoord door toevallig passerende getuigen waardoor een einde kwam aan deze voor het slachtoffer zeer ingrijpende gebeurtenis. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft eveneens in een toelichting op de door haar ingediende vordering benadeelde partij aangegeven welke gevolgen verdachtes strafbare handelen op 25 november 2017 op haar heeft gehad. Verdachte heeft in de vroege ochtend van 25 november 2017 slachtoffer [slachtoffer 2] gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, wat is gestopt toen zij erin slaagde om te vluchten. Ook haar is hij gevolgd op de fiets en ook haar heeft hij tot stoppen gedwongen. De handelwijze van verdachte moet voor beide slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest, temeer daar beide slachtoffers alleen waren, het donker was en verdachte hen klem reed op een plek niet in de onmiddellijke nabijheid van woonhuizen. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Het is bovendien evident dat dergelijke incidenten veel angst en onrust in de samenleving veroorzaken. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte voor de bewezen verklaarde feiten, in het kader van vergelding, een gevangenisstraf van aanzienlijke duur moet worden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare situaties als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten onder 1 en 2 verdachte in verminderde mate toegerekend worden en de jeugdige leeftijd van verdachte.

In verband met de strafoplegging overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Uit voornoemd psychiatrisch rapport van de deskundigen Troost en Koksal blijkt dat verdachte zijn ziekte beperkt erkent, in het verleden beperkt therapietrouw was en dat er sprake is van een hoog recidiverisico. De psychiaters achten daarom een behandeling in een vrijwillig kader niet aan de orde. Omdat er sprake is van een ernstige stoornis is een langdurige behandeling nodig. Behalve voor de psychose is ook behandeling noodzakelijk op het gebied van seksualiteit en relaties. Geadviseerd wordt verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Psycholoog Van Oss adviseert hetzelfde. Zij heeft daarbij gewezen op onder meer het verhoogde recidiverisico, de acute noodzaak tot behandeling, de zorgen over verdachtes motivatie en zijn neiging om zorg te mijden.

De rechtbank overweegt dat verdachte, gelet op zijn ernstige problematiek, naar verwachting een lang en intensief behandeltraject zal moeten doorlopen. Gelet op het recidivegevaar is het niet verantwoord om de behandeling van verdachte te laten plaatsvinden in een ander kader dan die van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Daarom zal de rechtbank de terbeschikkingstelling van verdachte gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege.

De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is voldaan. Bij verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde verkrachting en poging tot verkrachting sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Bovendien is (poging tot) verkrachting een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel, nu het uit de psychische stoornis voortvloeiende recidivegevaar, zonder behandeling, onverminderd hoog is.

Nu de maatregel zal worden opgelegd vanwege misdrijven die gericht waren tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, is sprake van een ongemaximeerde terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 38e Sr en kan de totale duur van de op te leggen maatregel om die reden een periode van vier jaren te boven gaan.

Alles afwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 12.952,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het als feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde is gepleegd. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 12.000,- gevorderd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 259,20 voor kosten van de in beslag genomen kleding (die zij niet retour wenst te ontvangen);

- € 24,64 voor reiskosten in verband met het bezoeken van Frauen für Frauen (waar zij gesprekken met een therapeut heeft gevoerd);

- € 668,66 voor teveel betaald collegegeld (omdat zij als gevolg van de strafbare feiten vier maanden haar studie heeft moeten opschorten).

[slachtoffer 2] heeft zich ook als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.072,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het als feit 4 ten laste gelegde is gepleegd. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,- gevorderd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 44,92 voor reiskosten in verband met een gesprek met de officier van justitie en een gesprek met Slachtofferhulp Nederland;

- € 27,24 voor inkomstenderving (omdat zij als gevolg van het strafbare feit een dag niet heeft kunnen werken).

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd beide vorderingen volledig toe te wijzen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman betoogd dat de in beslag genomen kleding aan de benadeelde partij kan worden teruggegeven. Verder heeft hij gesteld dat er geen causaal verband is tussen de reiskosten naar Frauen für Frauen en de bewezen verklaarde feiten. Het teveel betaalde collegegeld is enkel voor de eerste maand toewijsbaar, omdat de benadeelde partij zich tot haar onderwijsinstelling had kunnen wenden met een verzoek tot vermindering van het collegegeld in verband met bijzondere omstandigheden. De vordering ten aanzien van de materiële schade dient daarom gedeeltelijk te worden afgewezen. Het bedrag dat wordt gevorderd voor immateriële schade dient te worden gematigd, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht door de deskundigen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman betoogd de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman het bedrag dat wordt gevorderd voor materiële schade niet betwist. Het bedrag dat wordt gevorderd voor immateriële schade dient de rechtbank te matigen tot een bedrag van € 200,-, gelet op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2013:11567).

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De rechtbank acht niet onbegrijpelijk dat de benadeelde partij de kleding die voor haar herinneringen zal oproepen aan de ernstige strafbare feiten die haar zijn overkomen niet retour wenst te ontvangen. Uit de onderbouwing van de reiskosten in verband met bezoeken aan een therapeut werkzaam voor Frauen für Frauen blijkt dat zij deze gesprekken heeft gevoerd naar aanleiding van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Deze schadeposten staan daarom in een zodanig verband met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend. Dat geldt ook voor de schade die de benadeelde heeft geleden doordat zij na de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten vier maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen. Dat de benadeelde partij zich niet heeft gewend tot de onderwijsinstelling met een verzoek om collegegeldvermindering staat aan toewijzing niet in de weg, nu het aan de benadeelde partij zelf is om te bepalen door wie zij de schade vergoed wil zien.

De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiele schade (een bedrag van € 952,50) daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de opgevoerde immateriële schade overweegt de rechtbank dat vast staat dat door verdachte aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde immateriële schade (een bedrag van € 12.000,-) redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen voor benadeelde en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld toekennen, zodat ook de vordering ten aanzien van dit bedrag zal worden toegewezen.

8.4.2.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit onder 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De materiële schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiele schade (een bedrag van € 72,16) daarom toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de opgevoerde immateriële schade overweegt de rechtbank dat vast staat dat door verdachte aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde immateriële schade (een bedrag van € 1.000,-) redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen voor benadeelde en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld toekennen, zodat ook de vordering ten aanzien van dit bedrag zal worden toegewezen.

De rechtbank ziet in de door de raadsman genoemde uitspraak geen reden om het bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen, nu de omstandigheden in die zaak zich niet laten vergelijken met de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde aanranding in de onderhavige zaak plaats heeft gevonden.

8.5

De schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten behoeve van beide benadeelde partijen de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a, 37b en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3 primair, 3 subsidiair en 3 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: verkrachting;

feit 2: het misdrijf: poging tot verkrachting;

feit 4: het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van

€ 12.952,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 12.952,20,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2018, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 99 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van

€ 1.072,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.072,16,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2017, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en mr. M.I. van Meel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018.

Buiten staat

Mr. Van Meel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018142438 (TGO Kenia). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 januari 2018, pagina 176 en pagina 177.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 januari 2018, pagina 177.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 januari 2018, pagina 177.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 27 februari 2018, pagina 637.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 19 juni 2018, pagina 643.

7 het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 september 2018.