Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3455

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
C/08/221820 / KG ZA 18-250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kortgedingrechter oordeelt dat ETNL geen voorschot van 50.000 euro op een schadevergoeding aan een oud-medewerker hoeft te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1065
PS-Updates.nl 2018-0749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/221820 / KG ZA 18-250

Vonnis in kort geding van 19 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Almelo,

eiser, verder te noemen [eiser],

advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENRICHMENT TECHNOLOGY NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almelo,

gedaagde, verder toe noemen ETNL,

advocaten mrs. J.M.H.W. Bindels en N.M. Brouwer te Arnhem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de aanvullende productie van de zijde van [eiser],

  • -

    de producties van de zijde van ETNL,

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 september 2018,

  • -

    de pleitnota’s van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was vanaf 1 maart 2007 tot en met 1 maart 2015 uit hoofde van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij ETNL in de functie van operator III op de afdeling productie. Daarnaast was hij bedrijfshulpverlener en lid van de vrijwillige brandweer.

2.2.

Als bedrijfshulpverlener en lid van de vrijwillige brandweer is [eiser] op
29 maart 2013 betrokken geweest bij een reddingspoging van twee collega’s. Beide collega’s van [eiser] zijn overleden.

2.3.

Op 1 maart 2015 is de arbeidsovereenkomst van [eiser] met ETNL, wegens boventalligheid van [eiser], in het kader van een reorganisatie, beëindigd.

2.4.

ETNL heeft de aansprakelijkheid erkend voor het voorval in maart 2013.

2.5.

[eiser] heeft inmiddels een bodemprocedure geëntameerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - kort gezegd - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van ETNL tot betaling van € 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, ten titel van voorschot op schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan het gevorderde heeft [eiser] - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De expliciete bevestiging van ETNL dat zij aansprakelijk is jegens [eiser] verplicht ETNL onder de gegeven omstandigheden om hem een voorschot aan te bieden. Door het voorval in maart 2013 heeft [eiser] blijvend letsel met gevolgen opgelopen. Zijn bewegingsapparaat heeft grote beperkingen opgelopen en hij is in psychisch opzicht getraumatiseerd. Momenteel wordt onderzocht of [eiser] lijdt aan een posttraumatisch stressstoornis (PTSS). Dat er schade is geleden door [eiser] staat vast op grond van de medische rapportage en de ingrepen die hij heeft moeten ondergaan en nog dient te ondergaan. Er staat vast dat er sprake is van een causaal verband tussen de huidige klachten en beperkingen van [eiser] ten opzichte van de situatie voorafgaand aan het voorval. Op 30 april 2018 heeft [eiser] nog een operatie ondergaan aan zijn linkerschouder, waarbij de slijmbeurzen zijn verwijderd. In het kader van het onderhavige kort geding kan weliswaar de omvang van de schade en de beperkingen niet definitief worden vastgesteld. Daartoe zal een deskundigenonderzoek moeten plaatsvinden. Op basis van het medisch dossier staat thans echter wel vast dat [eiser] een aanzienlijke vordering heeft op ETNL. De schade bedraagt in ieder geval € 50.000,--, omdat [eiser] niet in staat is zijn werk als operator dan wel magazijnmedewerker als vanouds uit te voeren. Zijn linkerarm is daartoe dermate beperkt dat zware voorwerpen tillen niet meer aan de orde is. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft de totale schade van [eiser] berekend op
€ 242.500,--. Bovendien meent [eiser] dat ETNL zelf heeft aangeboden een voorschot te zullen betalen. ETNL veronderstelde dat, net zoals met een collega van [eiser], een definitieve regeling (ook) met hem mogelijk was. Dat is niet het geval gebleken. [eiser] mocht er echter op vertrouwen dat ETNL, zonder voorwaarden, zijn verzoek om een voorschot te betalen zou inwilligen. Er is geen sprake van een restitutierisico omdat verrekening in principe steeds mogelijk is.
Door het ongeval is [eiser] in een uitkeringspositie komen te verkeren. Hij ontvangt een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) en zal daarna over een periode van een jaar in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW). De huidige situatie brengt voor [eiser] niet alleen onzekerheid met zich, maar ook een groot aantal niet voorziene kosten in verband met de lange procedure die dreigt. Zonder een redelijk voorschot door ETNL zal hij deze niet kunnen dragen. Daardoor wordt zijn positie jegens ETNL onnodig verzwakt. ETNL maakt misbruik van het verschil in positie van (voormalig) werkgever en werknemer. Op grond van een belangenafweging tussen partijen dient aan [eiser] een voorschot te worden toegekend.
stelt vast dat ETNL enerzijds bereid is om met hem te overleggen en in der minne tot een oplossing te komen, maar anderzijds vasthoudt aan haar standpunt en niet verder wenst te bewegen op het moment dat [eiser] niet onvoorwaardelijk akkoord kan gaan. ETNL is niet verplicht om overeenstemming te bereiken met [eiser], maar zij kan als veroorzakende partij wel op twee schaakborden tegelijk spelen en die situatie moet worden doorbroken.

3.3.

ETNL heeft gemotiveerd verweer gevoerd en stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat niet blijkt van een causaal verband tussen de door [eiser] gestelde klachten en het voorval in maart 2013. ETNL stelt dat [eiser] na het voorval in maart 2013 tot aan de reorganisatie bij ETNL in dienst en werkzaam is gebleven bij ETNL. Na de reorganisatie heeft [eiser] een opleiding tot beveiliger gevolgd. Van arbeidsongeschiktheid is geen sprake en al zeker niet in relatie tot het voorval in maart 2013. [eiser] heeft geen uitkeringsspecificaties, loonstroken of andere financiële gegevens overgelegd, waaruit blijkt wat het verloop qua inkomen sinds 2015 is geweest. Van een terugval daarin, laat staan een terugval die is gerelateerd aan het voorval in maart 2013, blijkt dan ook niet.

Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat het gevorderde voorschot gerechtvaardigd is. In de bodemzaak rust immers op hem de bewijslast van zijn schade en van het causaal verband met het voorval in 2013. Naar de visie van ETNL heeft [eiser] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. ETNL stelt dat uit de beschikbare gegevens veeleer volgt dat de arm/schouderklachten pre-existent zijn, althans dat ieder verband met het voorval in
maart 2013 ontbreekt en dat de gestelde PTSS in het behandelend circuit uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst ETNL - onder meer - op de adviezen van de door haar ingeschakelde medisch adviseur [medisch adviseur] (hierna: [medisch adviseur]) van 15 april 2016 en 9 augustus 2018. De door [eiser] gepresenteerde schadestaat bevat volgens ETNL niet de juiste uitgangspunten om de schade te begroten. Ten slotte heeft [eiser] volgens ETNL geen spoedeisend belang bij zijn vordering en is het restitutierisico gegeven, nu [eiser] stelt dat hij financiële beperkingen ondervindt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. - onder meer -
HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602) dient bij de beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding de voorzieningenrechter niet alleen te onderzoeken of het bestaan en de omvang van de vordering van [eiser] op ETNL voldoende aannemelijk zijn, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het restitutierisico, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

Indien de vordering voldoende aannemelijk is, en dus aangenomen moet worden dat in de bodemprocedure die vordering hoogstwaarschijnlijk zal worden toegewezen, behoeven aan de vereisten van spoedeisendheid en het restitutierisico minder zware eisen te worden gesteld dan wanneer de uitkomst van de bodemprocedure met minder zekerheid is te voorspellen.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser], mede gelet op de gemotiveerde betwisting door ETNL, voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het voorval in maart 2013 schade heeft geleden als waarvan thans vergoeding wordt gevorderd. Er is dus geen sprake van een situatie waarin het nu bijzonder waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen. Uit de door [eiser] overgelegde medische informatie volgt weliswaar dat hij elleboog- dan wel schouderklachten aan zijn linkerarm heeft (gehad), maar voorshands is onvoldoende aannemelijk dat de tenniselleboog dan wel de schouderklachten het gevolg zijn van het voorval in maart 2013. Daarbij neemt de voorzieningenrechter (mede) in aanmerking dat uit het door [eiser] overgelegde huisartsenjournaal blijkt dat [eiser] al in april 2012 bij zijn huisarts is geweest met pijnklachten aan zijn linkerelleboog en dat hij deze pijnklachten al twee maanden had. Ook het tijdsverloop tussen de door [eiser] gestelde (andere) fysieke en psychische klachten en het voorval in maart 2013 acht de voorzieningenrechter van belang. Bovendien heeft ETNL onweersproken gesteld dat [eiser] na het voorval in maart 2013 tot aan de reorganisatie in 2015 in dienst en werkzaam is gebleven bij ETNL en dat hij nadien een opleiding tot beveiliger heeft gevolgd. Voorts kan er thans niet aan voorbij worden gegaan dat uit de brief van [medisch adviseur] van 9 augustus 2018 volgt dat uit de brief van [therapeut], psychosociaal therapeut, van 8 maart 2017 blijkt dat zij van mening is dat er geen sprake is van de diagnose PTSS.

4.4.

Aan de omstandigheden dat ETNL met een (toenmalige) collega van [eiser] (kennelijk) een minnelijke regeling heeft getroffen en dat partijen (kennelijk) ook hebben onderhandeld over het treffen van een minnelijke regeling, maar daarbij (nog) niet tot overeenstemming hebben kunnen komen, kan [eiser] geen rechten ontlenen.

4.5.

Op grond van al het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestaan en de omvang van de vordering van [eiser] in dit kort geding onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Reeds om die reden dient de vordering van [eiser] dan ook te worden afgewezen. Daarbij komt nog dat op grond van de stellingen van de zijde van [eiser], waaruit kan worden afgeleid dat zijn financiële positie niet rooskleurig is, het bestaan van een restitutierisico kan worden aangenomen.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ETNL worden begroot op € 1.950,-- aan griffierecht en € 980,-- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ETNL tot op heden begroot op € 2.930,--,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op
19 september 2018.1

1 type: coll: