Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3428

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
7148856 \ CV EXPL 18-2727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing concurrentiebeding per 1 januari 2019 en beperking relatiebeding.

Jonge werknemer van 24 jaar oud, werkzaam in de functie van bouwkundig tekenaar in Rijssen, neemt ontslag per 1 september 2018 met het voornemen om bij een oud-collega, die voornemens is een eigen bedrijf in Wierden op te richten, in dienst te treden, in strijd met het concurrentiebeding dat geldt tussen hem en zijn voormalig werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 7148856 \ CV EXPL 18-2727 (pm)

Vonnis in kort geding van 11 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. P.H.A. Mulder te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWKUNDIG DIENSTEN CENTRUM TWENTE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Rijssen,

gedaagde partij, hierna te noemen BDC,

gemachtigde: mr. K.E.M. Roskam te Almelo.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1.

De namens [eiser] betekende dagvaarding van 20 augustus 2018, waarbij [eiser] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en BDC heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2.

[eiser] en BDC hebben ter voorbereiding van de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht. [eiser] heeft zijn eis vermeerderd.

1.3.

De vordering is behandeld ter zitting van 28 augustus 2018.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

BDC (vertegenwoordigd door de heer [A] ) is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts zijn als toehoorders verschenen de heer [B] en

de heer [C] , oprichter van BDC.

1.4.

[eiser] heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde, die daarbij gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen.

De gemachtigde van BDC heeft tegen de vordering verweer gevoerd en daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken aantekeningen gemaakt.

1.5.

De zaak is aangehouden voor minnelijk overleg tussen partijen tot

3 september 2018. [eiser] heeft de rechtbank vervolgens verzocht om vonnis te wijzen, omdat tussen partijen geen regeling tot stand is gekomen.

1.6.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , thans 24 jaar oud, heeft op 1 juni 2015 de HBO-opleiding Bouwkunde afgerond. Tijdens deze opleiding heeft [eiser] geleerd te ontwerpen, schetsen, bouwkundig tekenen en berekenen en 3D-modelleren. Tijdens zijn opleiding heeft [eiser] stage gelopen bij Building Design Architectuur in Zenderen.

2.2.

BDC is een bouwkundig tekenbureau gevestigd te Rijssen. Na enige tijd gedetacheerd te zijn geweest bij BDC is [eiser] op 13 juni 2016 op 22-jarige leeftijd in dienst getreden bij BDC als bouwkundig tekenaar op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst met BDC zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

6.2. De werknemer verklaart dat hij, zowel gedurende het dienstverband als daarna, jegens derden volledige geheimhouding zal betrachten ten aanzien van al hetgeen de werknemer ter kennis is gekomen, betreffende de werkzaamheden, de organisatie en de in- en externe contacten van de werkgever.

(…)

8.1

Het is werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever niet toegestaan, binnen een periode van 2 jaar na het einde van deze arbeidsovereenkomst en binnen een straal van 15 km met als middelpunt Rijssen, werkzaamheden te verrichten voor een onderneming of instelling, behorende tot dezelfde branche als die waarin de werkgever actief is ten tijde van de beëindiging van het dienstverband, dan wel in enigerlei vorm, direct of indirect, een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever te vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven.

8.2

De werknemer zal zich gedurende een periode van 2 jaar na het einde van de

dienstbetrekking - ongeacht de wijze waarop deze is geëindigd - ervan onthouden, op

welke wijze dan ook werkzaamheden te verrichten voor of ten behoeve van op de ingang

van de datum van beëindiging van de dienstbetrekking of in de maanden voorafgaand aan

die beëindiging bij de werkgever bestaande relaties of cliënten, of deze op welke wijze dan ook te benaderen ten behoeve van een nieuwe dienstbetrekking en/of eigen onderneming.

8.3

Evenmin is het de werknemer toegestaan om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende een periode van 2 jaar na het einde van de dienstbetrekking - ongeacht de wijze waarop deze is geëindigd- als werkgever, als werknemer in dienst van derden of anderszins, personen te benaderen c.q. in dienst te nemen of te bewegen een dienstverband elders aan te gaan, die werkzaam zijn (geweest) voor werkgever.

8.4

Zowel voornoemd concurrentie- als ook het relatiebeding strekt ten behoeve van een (mogelijke) partij die de onderneming voortzet of andere aan de werkgever gelieerde ondernemingen.

(…)

11. De werknemer is van rechtsweg in gebreke indien hij in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 5.8, 6 en 8 handelt en zal uitdrukkelijk in afwijking van artikel 7:650 lid 3 BW voor iedere overtreding een voor werkgever bestemde boete verbeuren waarvan het bedrag overeenkomt met € 5000 per overtreding en € 500 voor iedere dag dat overtreding of de niet nakoming voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te verlangen.”

2.4.

De heer [B] (hierna: [B] ) vervulde binnen BDC de functie van [X] . Zijn arbeidsovereenkomst met BDC bevatte geen concurrentie- en relatiebeding.

2.5.

Op 30 juli 2018 hebben [eiser] en [B] hun arbeidsovereenkomst met BDC tegen 1 september 2018 opgezegd. [B] is voornemens het bedrijf BrainWorkz B.V. (hierna: BrainWorkz) op te richten, dat zich zal vestigen in Wierden. Hij heeft aan [eiser] het aanbod gedaan om per 1 september 2018 bij BrainWorkz in dienst te treden.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat:

I. het concurrentiebeding met bijbehorende boetebepaling te schorsen en/of buiten werking te stellen en/of buiten toepassing te verklaren, geheel of gedeeltelijk, tot dat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist, in die zin dat het [eiser] is toegestaan aansluitend na diens uitdiensttreding bij BDC in dienst te treden bij BrainWorkz, alsmede,

II. ten aanzien van het relatiebeding te bepalen:

primair:

het relatiebeding met bijbehorende boetebepaling te schorsen en/of buiten werking te stellen en/of buiten toepassing te verklaren, geheel of gedeeltelijk, tot dat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist, althans,

subsidiair:

het relatiebeding met bijbehorende boetebepaling te schorsen en/of buiten werking te stellen en/of buiten toepassing te verklaren voor zover het niet betreft Wonen à la Carte te Rijswijk, BetaalbaarWonenNL te Goor en [D] te [woonplaats 2] en de duur van het relatiebeding te bepalen op één jaar, althans,

meer subsidiair:

a. het relatiebeding zodanig te formuleren dat het [eiser] niet is toegestaan een rechtsverhouding aan te gaan met klanten en relaties van BDC, waarbij onder klanten en relaties wordt verstaan (rechts)personen die in de drie maanden voorafgaand aan het vertrek van [eiser] een overeenkomst hebben gesloten met dan wel een factuur hebben ontvangen van BDC voor door BDC verrichten diensten/werkzaamheden en de duur van het relatiebeding te bepalen op één jaar, alsmede gelijktijdig te bepalen dat,

b. BDC binnen zeven dagen na dit vonnis aan [eiser] een uitputtende lijst van (rechts)personen toestuurt die onder het hiervoor onder a. geformuleerde relatiebeding vallen, inclusief - per (rechts)persoon - de door BDC verzonden factuur of door BDC getekende overeenkomst,

III. dit alles uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van BDC in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering, naast de hiervoor opgenomen feiten, het volgende ten grondslag.

3.3.

In de uitoefening van zijn functie bij BDC vertaalde [eiser] ontwerpen van architecten ten behoeve van met name aannemers en projectontwikkelaars naar bouwtechnische tekeningen, voerde hij bouwbesluitberekeningen uit en diende hij bouwaanvragen in. Tijdens zijn studie en stage had hij hier al kennis en ervaring in opgebouwd, maar bij BDC is hij hier beter in geworden. Daarnaast heeft hij in

september 2016 op verzoek van BDC een tweedaagse cursus “Uniec 2 – woningbouw” gevolgd. Uniec is software om EPC-berekeningen (Energie Prestatie Coëfficiënt) mee te maken.

3.4.

Na deze werkzaamheden ongeveer anderhalf jaar te hebben uitgevoerd, heeft [eiser] tijdens zijn functioneringsgesprek in januari 2018 aan de heer [A] , directeur van BDC (hierna: [A] ), aangegeven dat hij nieuwe werkzaamheden aan zijn takenpakket wenste toe te voegen en dat hij tevens meer zelfstandigheid en beslissingsbevoegdheid binnen de ingenieursprojecten wenste. [A] heeft daarop aangegeven te zullen kijken wat hij intern voor [eiser] kon regelen, maar dit is niet van de grond gekomen. [eiser] is zich daarom gaan oriënteren op een functie buiten BDC. Hiervan heeft hij [B] deelgenoot gemaakt.

3.5.

[B] , die voornemens is BrainWorkz op te richten, een bedrijf dat zich wil richten op virtual reality (VR), heeft [eiser] daarop aangeboden om per 1 september 2018 bij BrainWorkz in dienst te treden. Dit biedt [eiser] een mooie kans om ervaring op te doen met VR. Bovendien zal [eiser] er in functie en salaris fors op vooruit gaan. [eiser] wil het voorstel dan ook aanvaarden, maar onderkent dat BrainWorkz, naast VR-opdrachten, ook werkzaamheden zal aannemen die concurrerend zijn met de werkzaamheden van BDC.

3.6.

[eiser] beschikt niet over de bijzondere/specialistische kennis die voor een succesvol beroep op het concurrentiebeding opgebouwd dient te zijn tijdens het korte dienstverband bij BDC. Zijn vertrek vormt geen bedreiging voor de toekomst van BDC, dat een goed en degelijk, maar vooral traditioneel tekenbureau is. Bovendien maakt een geheimhoudingsbeding onderdeel uit van de arbeidsovereenkomst met BDC.

3.7.

[eiser] meent dat BDC geen rechtens te respecteren, zwaarwegend bedrijfsbelang heeft om hem te houden aan het concurrentiebeding. Het beding heeft bovendien een duur van twee jaar, terwijl de rechtspraak, mede door de werking van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), de duur op maximaal een jaar stelt, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in dit geval geen sprake is.

3.8.

Ten aanzien van het relatiebeding stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij slechts contact heeft gehad met drie opdrachtgevers van BDC, te weten Wonen à la Carte te Rijswijk, BetaalbaarWonenNL te Goor en [D] te [woonplaats 2] , en alleen met het uitvoerend personeel en niet met de directie of managers. Deze opdrachtgevers zullen hun relatie met BDC niet verbreken omdat [eiser] als technisch tekenaar bij BDC vertrekt. [eiser] was bij BDC niet met acquisitieve taken belast. Primair is [eiser] dan ook van mening dat BDC geen (zwaarwegend) belang heeft om [eiser] een relatiebeding op te leggen.

3.9.

Het relatiebeding strekt zich voorts uit over alle (rechts)personen die in de maanden voorafgaand aan zijn vertrek bij BDC golden als cliënten/relaties van BDC. Het is dan ook onmogelijk te bepalen wie of wat heeft te gelden als cliënt of relatie van BDC. Het komt bovendien regelmatig voor dat een bouwkundig tekenaar ten behoeve van een architect of aannemer tekeningen maakt, terwijl die architect of aannemer werkt in opdracht van een gemeente, woningcorporatie of projectontwikkelaar. Als zij ook hebben te gelden als een relatie van BDC, dan is de lijst met relaties oneindig. [eiser] vordert daarom (meer subsidiair) verduidelijking van het relatiebeding.

3.10.

Het verweer

BDC concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. BDC voert daartoe het volgende aan.

3.11.

BDC meent dat het concurrentiebeding redelijk is. Tegenover de duur van twee jaar staat dat het beding zich beperkt tot een straal van 15 kilometer met als middelpunt Rijssen. [eiser] , die zelf weg wil bij BDC, heeft legio mogelijkheden om bij een concurrent in dienst te treden.

3.12.

Volgens BDC is onvoldoende komen vast te staan dat daadwerkelijk sprake is van een positieverbetering voor [eiser] als hij in dienst treedt bij BrainWorkz, waarvoor het belang van BDC zou moeten wijken. [eiser] heeft slechts een niet door hem ondertekende concept arbeidsovereenkomst met BrainWorkz in het geding gebracht en het is ongeloofwaardig dat [eiser] bij BrainWorkz, een bedrijf dat nog in oprichting is, voor hetzelfde werk direct € 900,- bruto meer gaat verdienen.

3.13.

Anders dan [eiser] doet voorkomen, beschikt hij wel degelijk over bijzondere kennis als bouwkundig tekenaar. Hij heeft ervaring met het tekenprogramma Revit, wat de reden is dat hij door [B] gevraagd is om bij BrainWorkz in dienst te treden.

3.14.

De afgelopen twee jaar heeft BDC volop geïnvesteerd in het optimaliseren van Revit. Het team van bouwkundig tekenaars, waar [eiser] onderdeel van uitmaakt, heeft binnen Revit een werkmethodiek ontwikkeld, waarin de informatie die wordt toegestuurd door de verschillende partijen in het bouwproces (waaronder aannemers, ontwikkelaars en corporaties) kan worden herkend en kan worden vertaald in Revit. Hier is een template voor ontwikkeld, waarin coderingen zijn aangebracht waarmee BDC in de toekomst direct de koppeling naar een VR-applicatie kan maken. Voor zover BDC weet is zij de enige partij in Nederland die een dergelijke template met coderingen heeft gemaakt. [eiser] beschikt door toedoen van BDC dus over unieke kennis, die hij direct kan gebruiken bij BrainWorkz.

3.15.

BDC weet dat [B] beschikt over een VR-applicatie. Om de koppeling van Revit naar deze applicatie te kunnen maken (Revit is ‘een must’ voor VR), zijn de specifieke kennis en vaardigheden van [eiser] met betrekking tot de coderingen, dan wel het unieke template dat BDC heeft gemaakt, nodig. Als [eiser] bij BrainWorkz in dienst treedt geeft dit BrainWorkz een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen.

3.16.

Omdat BDC een platte, transparante organisatie is, is daarnaast alle bedrijfsgevoelige informatie bij [eiser] bekend. Ondanks het tussen [eiser] en BDC geldende geheimhoudingsbeding valt niet uit te sluiten dat [eiser] die kennis gaat gebruiken bij BrainWorkz. BrainWorkz heeft als beginnend bedrijf immers slechts financiering voor zes maanden en moet daarna over voldoende opdrachten en inkomsten beschikken om te kunnen voortbestaan.

3.17.

Ten aanzien van het relatiebeding stelt BDC zich primair op het standpunt dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Subsidiair voert BDC aan dat [eiser] met alle opdrachtgevers van BDC (rechtstreeks) contact heeft gehad. [eiser] kent de wensen van de opdrachtgevers en kan daarop inspelen, temeer nu hij bij BrainWorkz op een hoger niveau binnen de organisatie van opdrachtgevers gesprekken zal gaan voeren en hen iets extra’s kan gaan bieden, namelijk VR. Voorts voert BDC aan dat het gemiddeld langer duurt dan drie maanden voordat in de onderhavige branche een overeenkomst met een klant wordt gesloten of een factuur wordt gestuurd. De door [eiser] meer subsidiair gevorderde beperking voor de duur van drie maanden is daarom te kort. Een reële duur zou volgens BDC anderhalf jaar zijn. Voor de vraag wie of wat als klant of relatie dient te worden aangemerkt dient de administratie van BDC leidend te zijn.

4 De beoordeling

toetsingskader

4.1.

Vooropgesteld dient te worden dat een vordering in kort geding alleen voor toewijzing in aanmerking komt als voldoende aannemelijk is dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen, en van de eisende partij (in casu [eiser] ) niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarbij dient te worden uitgegaan van de gestelde en ter zitting gebleken feiten waarbij toetsing maar beperkt mogelijk is, aangezien een kort geding-procedure zich naar haar aard niet goed leent voor nadere bewijslevering. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

spoedeisend belang

4.2.

[eiser] heeft, nu hij bij BDC reeds ontslag heeft genomen en per 1 september 2018 bij BrainWorkz in dienst kan treden, spoedeisend belang bij de (primair) gevorderde voorlopige voorziening tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding.

concurrentiebeding

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat BDC en BrainWorkz directe concurrenten van elkaar zijn op bouwkundig tekengebied en in dezelfde regio (gaan) opereren. Indiensttreding door [eiser] bij BrainWorkz leidt dan ook, naar voorlopig oordeel, tot handelen in strijd met het overeengekomen concurrentiebeding.

4.4.

Voor schorsing van het concurrentiebeding, geheel dan wel gedeeltelijk, is alleen dan plaats indien [eiser] in verhouding tot het te beschermen belang van BDC, bij (onverkorte) handhaving onbillijk wordt benadeeld. In het kader van dit criterium dient een belangenafweging plaats te vinden, in die zin dat de vraag beantwoord dient te worden of BDC [eiser] in redelijkheid aan het concurrentiebeding kan houden. Tegenover de belangen van BDC, die haar bedrijfsdebiet wil afschermen, staat het recht van [eiser] om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt, een hoger inkomen te verwerven en zijn positie te verbeteren.

4.5.

Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het belang van BDC hierin gelegen dient te zijn dat [eiser] door zijn arbeidskeuze na beëindiging van het dienstverband niet een situatie bewerkstelligt waarbij sprake is van oneerlijke concurrentie. Die situatie zal zich met name voordoen indien [eiser] door de kennis van de werkwijze, de klanten en de overige bedrijfsgeheimen van BDC zichzelf (of BrainWorkz) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak gaat het daarbij niet om door [eiser] tijdens het dienstverband door eigen toedoen verworven kennis en vaardigheden, maar om de inbreng van BDC om [eiser] in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo optimaal mogelijk te laten verrichten. Het belang van een werkgever bij handhaving van een concurrentiebeding is dan ook niet gelegen in het tegengaan van concurrentie in het algemeen. Er zal sprake moeten zijn van door de werknemer door toedoen van de werkgever verworven kennis en/of vaardigheden waarvan voorkomen moet worden dat de voormalig werknemer zijn vorige werkgever daarmee rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde (de nieuwe werkgever) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen.

4.7.

Derhalve moet beoordeeld worden wat de inbreng van BDC is geweest in de opleiding en de specifieke deskundigheid van [eiser] die hij nodig had om zijn werk als bouwkundig tekenaar bij BDC te kunnen uitvoeren. BDC heeft daartoe aangevoerd dat haar team van bouwkundig tekenaars, waar [eiser] onderdeel van uitmaakte en waaraan [B] leiding gaf, de afgelopen twee jaar een template heeft ontwikkeld, waarin coderingen zijn aangebracht, waarmee in de toekomst de koppeling naar een VR-applicatie kan worden gemaakt. Dit (de coderingen waarmee de koppeling naar VR kan worden gemaakt) zou een uniek product zijn, waarover voor zover BDC weet, zij als enige bedrijf in Nederland beschikt.

4.8.

[eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat [B] binnen BDC het initiatief heeft genomen tot het ontwikkelen van het betreffende product en dat het ook vooral [B] is geweest die zich met de ontwikkeling van dit product heeft beziggehouden. De directie van BDC zou geen interesse hebben (gehad) in VR. [eiser] stelt weliswaar te hebben meegewerkt aan de ontwikkeling van de template, maar hiervoor was volgens hem geen specifieke kennis vereist. Zijn collega’s konden dit ook. Naar zeggen van [eiser] beschikte hij vanwege zijn opleiding al over de benodigde basiskennis, maar is hij bij BDC wel beter geworden in de toepassing daarvan.

4.9.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is door BDC voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] door toedoen van BDC over zodanige kennis en ervaring beschikt die uit concurrentie technisch oogpunt voor BDC bedreigend is. Door [eiser] is immers niet weersproken dat hij binnen het team van bouwkundig tekenaars bij BDC twee jaar heeft gewerkt aan een uniek product, waarmee in de toekomst werkzaamheden op het gebied van VR kunnen worden verricht en dat hij daar een belangrijk aandeel in heeft gehad. Deze specifieke kennis en ervaring zal [eiser] direct kunnen inzetten bij BrainWorkz, dat zich specifiek wil richten op VR en daarnaast op het traditionele tekenwerk. [eiser] heeft erkend dat hij ook daarin bij BDC beter is geworden. Het is niet voor niets dat [B] , die ook in loondienst bij BDC aan de ontwikkeling van het product heeft gewerkt, aan [eiser] een aanbod heeft gedaan om hem bij zijn vertrek te vergezellen.

4.10.

Daar komt bij dat [eiser] evenmin (voldoende) heeft weersproken dat hij tijdens zijn dienstverband bij BDC toegang heeft gehad tot gevoelige bedrijfsinformatie en derhalve op de hoogte is van de tariefstellingen naar en wensen van opdrachtgevers. Dit maakt dat de belangenafweging naar voorlopig oordeel niet uitsluitend in het voordeel van [eiser] dient uit te vallen. Het is niet aannemelijk dat in het onderhavige geval de bodemrechter tot volledige vernietiging van het onderhavige rechtsgeldig overeengekomen concurrentiebeding zal overgaan, zodat er geen grond is het concurrentiebeding voor de gehele duur te schorsen. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat BDC enige tijd moet worden gelaten om haar bedrijfsdebiet te beschermen.

4.11.

De voorzieningenrechter acht wel aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiser] door de duur van het concurrentiebeding (een periode van twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst) in verhouding tot het te beschermen belang van BDC onbillijk wordt benadeeld en daarom tot een gedeeltelijke vernietiging van het beding zal komen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] relatief kort bij BDC heeft gewerkt, nog maar 24 jaar oud is en dus nog aan het begin van zijn carrière staat, terwijl niet onaannemelijk is de stelling van [eiser] dat hij een aanmerkelijke positieverbetering zal realiseren door bij BrainWorkz in dienst te treden, zowel financieel als werkinhoudelijk. Daarbij is van belang dat [eiser] vooralsnog tevergeefs bij BDC heeft gevraagd om zijn werkzaamheden aldaar van meer inhoud te voorzien.

4.12.

De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om het concurrentiebeding te schorsen, maar niet eerder dan met ingang van 1 januari 2019.

relatiebeding

4.13.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat BDC geen belang heeft om hem aan het relatiebeding te houden, omdat hij bij BDC geen commerciële functie heeft vervuld en nauwelijks rechtstreeks contact met de relaties van BDC heeft gehad. Voorts stelt [eiser] dat de bewoordingen van dit beding zodanig zijn dat de inhoud en strekking daarvan vrijwel oneindig kunnen worden opgerekt. Volgens de definitie van het relatiebeding zouden mogelijk ook de opdrachtgevers van de opdrachtgevers van BDC (‘de achtermannen’) onder het beding vallen.

4.14.

BDC stelt hiertegenover dat [eiser] wel degelijk contact had met ‘de werkvloer van alle opdrachtgevers’ en dat de reden om [eiser] aan het relatiebeding te houden mede is gelegen in de (hogere) functie van projectmanager die [eiser] bij BrainWorkz zou willen gaan vervullen. Indien en voor zover het beding anders geformuleerd of verduidelijkt dient te worden stelt BDC de volgende definitie voor:

“Een relatie of klant in de zin van het relatiebeding van BDC is de (rechts)persoon van wie BDC gedurende een periode van 1,5 jaar voorafgaand aan datum uitdiensttreding een opdracht heeft ontvangen dan wel waarmee een overeenkomst is gesloten voor het verrichten van werkzaamheden dan wel de (rechts)persoon aan wie BDC tijdens genoemde periode een factuur heeft verzonden. De administratie van BDC is leidend.”

4.15.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een zodanig belang heeft bij schorsing van het relatiebeding, dat het belang van BDC om haar relaties te beschermen daarvoor moet wijken. Anders dan het concurrentiebeding beperkt het relatiebeding [eiser] immers niet in zijn belang om bij derden, waaronder BrainWorkz, in dienst te kunnen treden.

4.16.

Met [eiser] is de voorzieningenrechter voorshands wel van oordeel dat het relatiebeding verduidelijking behoeft, in die zin dat het [eiser] duidelijk moet zijn wie of wat als een klant of relatie van BDC dient te worden aangemerkt zodat [eiser] niet het risico loopt dat hij, eenmaal werkzaam bij BrainWorkz of een andere werkgever, ongemerkt het relatiebeding met BDC overtreedt en boetes verbeurt. Conform de vordering van [eiser] zal de voorzieningenrechter de omvang van het relatiebeding beperken in die zin dat daar de zgn. “achtermannen” ( de opdrachtgever van de opdrachtgever van BDC) niet toe behoren. Alsdan zou immers de lijst van relaties van BDC vrijwel onbeperkt groot kunnen worden zonder dat daar een redelijke grond voor is.

4.17.

BDC zal derhalve worden veroordeeld om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] een lijst aan te leveren waarop haar klanten en relaties, niet zijnde de hiervoor bedoelde “achtermannen “, in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van uitdiensttreding van [eiser] (derhalve vanaf 1 maart 2018) staan. Daarmee wordt naar voorlopig oordeel aan [eiser] voldoende duidelijkheid verschaft. Zijn vordering om BDC tevens te veroordelen om van elke klant en relatie de door BDC verzonden factuur of ondertekende overeenkomst toe te sturen zal worden afgewezen, nu BDC alsdan informatie moet openbaren die haar eigen concurrentiepositie zou kunnen ondermijnen.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat een werkingsperiode van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum van uitdiensttreding, zoals door BDC is voorgesteld, niet in de rede ligt. BDC moet in staat worden gesteld haar positie naar haar huidige klanten en relaties te beschermen zomede eventuele potentiele klanten en relaties waarin zij reeds (tijd) heeft geïnvesteerd. Een periode van zes maanden, zoals hiervoor overwogen, zou daar in voldoende mate in moeten kunnen voorzien.

4.18.

De voorzieningenrechter ziet in het relatief korte dienstverband van [eiser] bij BDC en de functie die [eiser] bij BDC heeft vervuld aanleiding om de duur van het relatiebeding te beperken tot één jaar, te rekenen vanaf 1 september 2018.

proceskosten

4.19.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing in kort geding

I Schorst het concurrentiebeding (artikel 8 arbeidsovereenkomst) met bijbehorende boetebepaling (artikel 11 arbeidsovereenkomst) totdat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist, ingaande 1 januari 2019, weshalve het [eiser] is toegestaan om per 1 januari 2019 desgewenst bij BrainWorkz in dienst te treden,

II Bepaalt en beperkt in zoverre de duur van het relatiebeding

(artikel 8 arbeidsovereenkomst) op één jaar vanaf 1 september 2018,

III Bepaalt dat het [eiser] uit dien hoofde niet is toegestaan om een rechtens relevante verhouding aan te gaan met klanten en relaties van BDC die in een periode van zes maanden voorafgaande aan het vertrek van [eiser] bij BDC ( derhalve te rekenen vanaf 1 maart 2018) een overeenkomst hebben gesloten met BDC dan wel in die periode van BDC een factuur hebben ontvangen wegens verrichte werkzaamheden/verleende diensten,

IV Gelast BDC om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] een lijst aan te leveren waarop haar klanten en relaties als hiervoor bedoeld in de periode vanaf

1 maart 2018 staan vermeld,

V. Compenseert de kosten in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.