Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3374

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
08/996054-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 69-jarige man tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden. De man heeft op grote schaal belastingfraude gepleegd in de jaren 2013 tot en met 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-09-2018
FutD 2018-2519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/996054-17 (P)

Datum vonnis: 17 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C.G. van der Wulp en van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw mr. M. Mulderij-Anker, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

Verdachte is niet ter zitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015, op naam van anderen, valselijk heeft opgemaakt dan wel dat hij deze aangiften inkomstenbelasting opzettelijk onjuist heeft ingediend;

feit 2: twaalf nota’s valselijk heeft opgemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 januari

2013 tot en met 30 augustus 2016 te gemeente(n) Oldebroek en/of Apeldoorn

en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere personen, althans alleen,

(telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te

noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2012 tot en met 2015 - elk

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachten

(telkens) valselijk op de (gezamenlijke) aangifte(n)

inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van - in ieder geval -:

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het jaar 2015, en/of

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over het jaar 2015, en/of

- [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of

2014 en/of 2015, en/of

[slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of 2015,

(telkens) te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten, zoals kosten voor

hulpmiddelen en/of zorgkosten en/of kosten premie uitvaartverzekering en/of

vervoerskosten en/of kosten voor kleding en beddengoed en/of giften als

aftrekpost vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 januari

2013 tot en met 30 augustus 2016 te gemeente(n) Oldebroek en/of Apeldoorn

en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere personen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) op naam van

hierna te noemen belastingplichtigen, als bedoeld in de algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van - in ieder geval -

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het jaar 2015, en/of

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over het jaar 2015, en/of

- [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of

2014 en/of 2015, en/of

[slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of

2015, en/of

- [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] over de jaren 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of 2015,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachten

(telkens) opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingediende

aangifte (n) inkomensheffing/inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren

(telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag

aan belasting opgegeven en/of te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten,

zoals kosten voor hulpmiddelen en/of zorgkosten en/of kosten premie

uitvaartverzekering en/of vervoerskosten en/of kosten voor kleding en

beddengoed en/of giften, opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2014

tot en met 23 mei 2014 te gemeente Oldebroek en/of (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

twaalf nota’s/kwitanties, althans één of meer nota(’)/kwitantie(s),

waaronder

a. a) een nota/kwitantie dd. 27 januari 2012, nummer 74 (p. 466), en/of

b) een nota/kwitantie dd. 27 april 2012, nummer 86 (p. 469), en/of

c) een nota/kwitantie dd. 26 juli 2012, nummer 99 (p. 472), en/of

d) een nota/kwitantie dd. 25 oktober 2012, nummer 112 (p. 475)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) op die

nota(’s)/kwitantie(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid was vermeld

dat zakelijk weergegeven deze afkomstig was van [slachtoffer 15] en bestemd was

voor [slachtoffer 9] ten behoeve van verrichte huishoudelijke werkzaamheden,

voor een bedrag van EUR 120, in ieder geval dat (de inhoud van) deze

nota(’s) /kwitantie(s) was/waren verzonnen,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

3.2

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de aangiften opmaakte met uitsluitend een fiscaal doel, namelijk om deze bij de Belastingdienst in te dienen, zodat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde moet gelden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR hier niet van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging onder 1 primair is toegesneden op artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten het valselijk opmaken van aangiften inkomstenbelasting op naam van veertien met name genoemde belastingplichtigen.

Het is een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 2 Sr. Het is niet aan de rechter om het bereik van die vervolgingsuitsluitingsgrond uit te breiden (zo ook Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5825). De rechtbank verwerpt het verweer.

3.3

De bevoegdheid van de rechtbank en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte, kan worden geconcludeerd dat verdachte met opzet valse informatie in de aangifte biljetten heeft gezet, zodat het primair tenlastegelegde onder 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat ook feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met enige vorm van opzet heeft gehandeld. Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij met zijn handelen een strafbaar feit pleegde.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit, nu verdachte dit in opdracht van de familie [slachtoffer 9] heeft gedaan en zij verantwoordelijk zijn voor de ingediende kwitanties.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Niet ter discussie staat dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting heeft opgemaakt.1 De rechtbank overweegt ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting als volgt.

- In de aangifte inkomensheffing (hierna: IH) over het jaar 2015 ten name van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is in strijd met de waarheid een te hoog bedrag aan kosten voor kleding en beddengoed in aftrek gebracht. [slachtoffer 1] heeft immers over die opgevoerde kosten in dat jaar verklaard dat zij die kosten helemaal niet gemaakt hebben en ook niet tegen verdachte hebben gezegd dat deze kosten gemaakt zijn. [slachtoffer 1] heeft verklaard niets van die opgevoerde kosten af te weten.2

- In de aangifte IH over het jaar 2015 ten name van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is in strijd met de waarheid een te hoog bedrag aan hulpmiddelen in aftrek gebracht. [slachtoffer 3] heeft immers op de vraag of hij het opgevoerde bedrag voor hulpmiddelen kon verklaren, verklaard dat hij dit niet kon. [slachtoffer 3] heeft eveneens verklaard dat in de aangifte staat dat zijn vrouw obesitas heeft, maar dat dit niet klopt en dat verdachte dat zelf heeft bedacht.3

- In de aangiften IH over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ten name van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zijn in strijd met de waarheid te hoge bedragen in aftrek gebracht. De heer en mevrouw [slachtoffer 5] hebben tegenover belastingmedewerkers verklaard dat de in de aangifte IH van 2015 genoemde kosten ten aanzien van het beddengoed niet gemaakt zijn. Blijkens de ambtshandeling zijn de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 gecorrigeerd, omdat onder meer de opgevoerde kosten onder de post hulpmiddelen telkens niet kon worden onderbouwd met bewijsstukken.4

- In de aangiften IH over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ten name van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] zijn telkens in strijd met de waarheid te hoge kosten in aftrek gebracht. [slachtoffer 7] heeft over het in de aangifte van 2015 opgevoerde bedrag onder de post ‘gift’ immers verklaard dat het opgenomen bedrag niet klopt en dat verdachte heeft bedacht om dit bedrag op te nemen. Blijkens de ambtshandeling zijn de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 gecorrigeerd, omdat onder meer telkens de opgevoerde kosten onder de post ‘uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit’ niet konden worden onderbouwd met bewijsstukken.5

- In de aangiften IH over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ten name van [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] zijn telkens in strijd met de waarheid te hoge kosten in aftrek gebracht. [slachtoffer 9] heeft immers verklaard dat hij geen idee heeft hoe het opgevoerde bedrag voor hulpmiddelen tot stand is gekomen. [slachtoffer 9] heeft verder verklaard dat hij überhaupt niet weet wat aftrekposten zijn en dat verdachte heeft bepaald dat dit bedrag als aftrekpost zou worden opgevoerd. Blijkens de ambtshandeling zijn de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 gecorrigeerd, omdat onder meer telkens de onder de post hulpmiddelen opgevoerde kosten niet konden worden onderbouwd met bewijsstukken.6

- In de aangiften IH over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ten name van [slachtoffer 11] en zijn partner [slachtoffer 12] zijn telkens in strijd met de waarheid te hoge kosten in aftrek gebracht. De heer en mevrouw [slachtoffer 11] hebben tegenover belastingmedewerkers verklaard dat de in de aangifte IH van 2015 genoemde kosten ten aanzien van het beddengoed niet gemaakt zijn. Blijkens de ambtshandeling zijn de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 gecorrigeerd, omdat onder meer de opgevoerde kosten onder de post hulpmiddelen telkens niet konden worden onderbouwd met bewijsstukken.7

- In de aangiften IH over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ten name van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] zijn telkens in strijd met de waarheid te hoge kosten in aftrek gebracht. [slachtoffer 13] heeft over het in de aangifte van 2015 opgevoerde bedrag onder de post medicijnen immers verklaard dat het opgenomen bedrag niet klopt, omdat de medicijnen niet door een arts zijn voorgeschreven en daarom niet aftrekbaar zijn. [slachtoffer 13] heeft verklaard dat verdachte heeft bedacht om dit bedrag op te nemen. Blijkens de ambtshandeling zijn de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 gecorrigeerd, omdat onder meer telkens de opgevoerde kosten onder de post ‘uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit’ niet konden worden onderbouwd met bewijsstukken.8

Naast de specifiek in de tenlastelegging genoemde aangiften IH heeft verdachte over het jaar 2015 ook voor [slachtoffer 16] de aangifte IH opgemaakt en ingediend en daarin in strijd met de waarheid te hoge kosten in aftrek gebracht. [slachtoffer 16] heeft immers verklaard dat hij slechts de stukken aan verdachte gaf en dat verdachte bepaalde welk bedrag hij invulde zonder dit met [slachtoffer 16] te bespreken. Blijkens het dossier had de belastingdienst het voornemen de aangifte van 2015 te corrigeren, omdat onder meer het opgevoerde bedrag aan kleding- en beddengoed niet kon worden onderbouwd met bewijsstukken.9

Verdachte heeft verklaard dat hij ieder jaar de aangiften op dezelfde wijze invulde, ondanks de veranderende wet- en regelgeving. Deze veranderingen heeft hij naar eigen zeggen niet bij gehouden. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij vindt dat hij kosten als aftrekpost mag opvoeren als hij ziet dat mensen ziek zijn of als zijn klanten dat zeggen, ook als niet alle bewijstukken daarvoor aanwezig zijn, omdat bij de aangifte toch geen bewijsstukken hoeven te worden meegestuurd.10

De rechtbank is op basis van de verklaring van verdachte en de getuigenverklaringen van oordeel dat genoemde aangiften inkomstenbelastingen door verdachte onjuist zijn opgemaakt.

Opzet

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte en de getuigenverklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte geheel zelfstandig buitengewone lasten heeft voorgewend en dat hij dit deed zonder zich – al dan niet aan de hand van bewijsstukken – ervan te vergewissen of er ook daadwerkelijk kosten waren gemaakt. Verdachte nam dusdanig hoge kosten op in de aangiften, dat zijn cliënten in aanmerking kwamen voor een teruggave wegens buitengewone lasten. Verdachte is niet fiscaal onderlegd en niet op de hoogte van de laatste wet- en regelgeving, maar voerde naar eigen inzicht buitengewone lasten op en verzon zelfs redenen daartoe. Door op deze wijze te werk te gaan kan het niet anders zijn dan dat verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij onwaarheden in de aangiftes zette.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 2

Uit het dossier blijkt dat ten name van [slachtoffer 9] twaalf nota’s/kwitanties voor ingeschakelde huishoudelijke hulp naar de belastingdienst zijn gestuurd ter onderbouwing van de in de aangifte opgevoerde kosten.11 Verdachte heeft bekend dat hij deze nota’s zelf valselijk heeft opgemaakt en dat hij de naam [slachtoffer 15] heeft verzonnen.12

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De stelling van verdachte dat hij de nota’s/kwitanties in opdracht van [slachtoffer 9] zou hebben gemaakt, doet daar, wat daar ook van zij, niets aan af.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair.

hij in de periode van 8 januari 2013 tot en met 30 augustus 2016 in Nederland, telkens aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over de jaren 2012 tot en met 2015 - zijnde geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk op de (gezamenlijke) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van - in ieder geval -:

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het jaar 2015, en

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over het jaar 2015, en

- [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] over de jaren 2012 en 2013 en 2014 en 2015, en

- [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] over de jaren 2012 en 2013 en 2014 en 2015, en

- [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] over de jaren 2012 en 2013 en 2014 en 2015, en

[slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] over de jaren 2012 en 2013 en 2014 en 2015, en

- [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] over de jaren 2012 en 2013 en 2014 en 2015,

telkens te hoge en onjuiste en/of fictieve kosten, zoals kosten voor hulpmiddelen en/of zorgkosten en/of kosten premie uitvaartverzekering en/of vervoerskosten en/of kosten voor kleding en beddengoed en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode van 25 april 2014 tot en met 23 mei 2014 in Nederland, twaalf nota’s/kwitanties, waaronder

a. a) een nota/kwitantie dd. 27 januari 2012, nummer 74, en

b) een nota/kwitantie dd. 27 april 2012, nummer 86, en

c) een nota/kwitantie dd. 26 juli 2012, nummer 99, en

d) een nota/kwitantie dd. 25 oktober 2012, nummer 112

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen

telkens valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens op die nota’s/kwitanties valselijk en in strijd met de waarheid was vermeld dat zakelijk weergegeven deze afkomstig was van [slachtoffer 15] en bestemd was voor [slachtoffer 9] ten behoeve van verrichte huishoudelijke werkzaamheden, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Aan het voorwaardelijk deel dient als bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte zich dient te onthouden van iedere vorm van advisering inzake fiscale aangelegenheden van derden. De officier van justitie heeft gesteld dat bij de bepaling van de straf niet alleen rekening gehouden moet worden met de onjuiste aangiften inkomstenbelasting die in de tenlastelegging staan genoemd, maar ook met de onjuiste aangiften die hij voor zijn overige klanten heeft ingediend. Dit betekent dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met een fiscaal nadeel van in ieder geval een bedrag van € 1.899.883,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen, gelet op het geringe strafblad van verdachte, de impact van de zaak en het feit dat het anderhalf jaar heeft geduurd voordat de zaak op zitting kwam. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de leeftijd van verdachte en het feit dat hij de zorg voor zijn moeder heeft, maken dat hij ongeschikt is voor detentie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft op grote schaal belastingfraude gepleegd in de periode van 2013 tot en met 2016. In de tenlastelegging is slechts een selectie van de door verdachte gedane onjuiste aangiften inkomstenbelasting opgenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de ten laste gelegde feiten een representatieve selectie betreffen van het totale aantal aangiften waarin verdachte binnen de bewezenverklaarde periode – zonder medeweten van de betreffende belastingplichtigen – onjuiste bedragen in aftrek heeft gebracht. In de ambtshandeling AMB-37, opgemaakt door de Belastingdienst over de belastingjaren 2012 t/m 2015, is een totaalbedrag van € 1.984.302 vermeld.13 De rechtbank gaat ervan uit dat binnen de bewezenverklaarde periode 8 januari 2013 tot en met 30 augustus 2016 het totaal bedrag (iets) lager moet hebben gelegen.

Bij de strafbepaling gaat de rechtbank dan ook uit van een fiscaal nadeel dat ruim boven de anderhalf miljoen Euro moet hebben gelegen.

De belastingdienst moet erop kunnen vertrouwen dat ingediende belastingaangiften – met name bij ter zake deskundig geachte belastingconsulenten – correct zijn ingevuld. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd. Daarnaast moeten de belastingplichtigen voor wie verdachte onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan als gevolg van zijn handelwijze onterechte teruggaven – met heffingsrente – terugbetalen aan de Belastingdienst, met alle problemen van dien. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die bij een benadelingsbedrag van

boven € 1.000.000,- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden of meer adviseren.

De rechtbank merkt in dit verband op dat, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, de hoge leeftijd van verdachte en het feit dat zijn moeder hem nodig heeft, verdachte nog niet detentieongeschikt maken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden een passende straf is. De rechtbank zal een gedeelte van tien maanden van die gevangenisstraf voorwaardelijk doen zijn, met een proeftijd van drie jaren, en aan dat deel als bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet onthouden van iedere vorm van advisering inzake fiscale aangelegenheden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst met lettercode A vermelde goederen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair onder 1 en het onder 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van iedere vorm van advisering inzake fiscale aangelegenheden van derden, daaronder begrepen het opmaken en indienen van belastingaangiften en het indienen van bezwaarschriften, en van ieder contact met de belastingdienst ten behoeve van derden;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de op de beslaglijst met lettercode A vermelde goederen aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2018.

Buiten staat

Mr. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 maart 2017, pagina’s 1050 en 1051.

2 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-029, pagina’s 158 tot en met 171; Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 22 juni 2017 pagina’s 1036 tot en met 1040.

3 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-030, pagina’s 172 tot en met 185; Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] van 27 juni 2017 pagina’s 1043 tot en met 1046.

4 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-031, pagina’s 186 tot en met 236; De ambtsedige verklaring van [naam 2] van 13 juni 2017, genummerd als AMB-018, pagina’s 99 tot en met 101; Een geschrift genummerd als Doc-002, pagina’s 437 tot en met 439.

5 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-032, pagina’s 237 tot en met 292; De ambtsedige verklaring van [naam 2] , genummerd als AMB-021, pagina’s 127 tot en met 130; Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] van 29 juni 2017, pagina 1024.

6 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-033, pagina’s 293 tot en met 334; De ambtsedige verklaring van [naam 2] , genummerd als AMB-019, pagina’s 109 tot en met 112; Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] van 26 juni 2017, pagina 1033.

7 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-034, pagina’s 335 tot en met 378; De ambtsedige verklaring van [naam 2] van 13 juni 2017, genummerd als AMB-020, pagina’s 117 tot en met 120; Een geschrift genummerd als Doc-004, pagina’s 446 tot en met 448.

8 De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting van [naam 1] , genummerd als AMB-035, pagina’s 379 tot en met 423; De ambtsedige verklaring van [naam 2] , genummerd als AMB-022, pagina’s 135 tot en met 138; Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] van 3 juli 2017, pagina 1027.

9 Een geschrift genummerd als Doc-020, pagina’s 499 tot en met 504. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 16] van 14 maart 2017, pagina’s 979 tot en met 982.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 maart 2017, pagina 1057.

11 Een geschrift met bijlagen genummerd als Doc-007, pagina’s 462 tot en met 477.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 maart 2017, pagina 1064.

13 De ambtsedige verklaring van mw. mr. [naam 3] d.d. 20 november 2017. Zie ook AMB-037.