Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3335

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
C/08/221930 / KG RK 18-556
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek om wraking van een rechter in een bodemprocedure van een vreemdelingenzaak toe. De schijn van vooringenomenheid is gewekt door de uitspraak van dezelfde rechter in de voorlopige voorziening over deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/214 met annotatie van Boeles, P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/221930 / KG RK 18-556

Beslissing van 27 augustus 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

verzoeker tot wraking,

geboren op [geboortedatum] 1996,

van Ivoriaanse nationaliteit,

advocaat mr. C.F. Wassenaar te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Op 21 augustus 2018 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. P.H. Banda, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder nummer NL18.15004.

1.2.

De reactie van mr. Banda is op 22 augustus 2018 ontvangen. Mr. Banda heeft niet berust in de wraking.

1.3.

Bij brief van 23 augustus 2018 heeft verzoeker op het standpunt van mr. Banda gereageerd.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 24 augustus 2018 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is mr. Wassenaar namens verzoeker verschenen. Mr. Banda is met kennisgeving niet verschenen.

2 De beoordeling

2.1.

De wrakingskamer overweegt dat ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van een partij een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

2.2.

Aan zijn verzoek tot wraking heeft verzoeker, samengevat, ten grondslag gelegd dat mr. Banda voorafgaand aan onderhavige bodemprocedure reeds een inhoudelijk – zijns inziens onjuist – oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de aan verzoeker opgelegde maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 in de met de onderhavige zaak connexe voorlopige voorziening (AWB 18/6099). Verzoeker betoogt dat dit niet in overeenstemming is met de ook in de vreemdelingenpraktijk nagestreefde rechterlijke onafhankelijkheid. Volgens verzoeker is daarmee de schijn van partijdigheid gewekt.

2.3.

Mr. Banda betoogt dat het in vreemdelingenzaken gebruikelijk is dat de rechter die als voorzieningenrechter oordeelt over een verzoek om voorlopige voorziening, ook het oordeel in de bodemzaak velt en dat er aanleiding kán zijn van die praktijk af te wijken als de rechter in de bodemzaak een beslissing moet geven over een inhoudelijke kwestie waarover in de voorziening al een (voorlopig) oordeel is gegeven. Volgens mr. Banda doet zich dat hier niet of slechts in zeer beperkte mate voor. Daartoe voert hij het volgende aan:

De kern van de beoordeling op het verzoek op voorlopige voorziening lag in de vraag of de bewaring moest worden opgeheven. Die vraag is in het bodemgeschil niet (meer) aan de orde, nu verweerder de bewaring vorige week al zelf heeft opgeheven. In het bodemgeschil is alleen nog de vraag aan de orde of eiser wegens onrechtmatige bewaring een schadevergoeding toekomt. Die vraag stond in de voorziening niet ter beantwoording. Hooguit zou kunnen worden gezegd dat de voorzieningenrechter, nu hij aan de belangenafweging is toegekomen, impliciet verzoeker, thans eiser, is gevolgd in zijn standpunt over de onrechtmatigheid van verweerders handelen. (Overigens is die onrechtmatigheid door verweerder steeds erkend. Het punt kan dus alleen voorwerp van geschil zijn voor zover de rechter in de bodemzaak, anders dan de voorzieningenrechter kennelijk heeft gedaan, aanleiding zou kunnen zien ambtshalve anders en ten nadele van eiser te oordelen wegens een rechtsnorm die van openbare orde moet worden geacht.)

2.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat het enkele feit dat een rechter een voorlopige voorziening in een vreemdelingenzaak heeft behandeld en daarna de bodemzaak te behandelen heeft, in het algemeen geen grond vormt om te veronderstellen dat de betrokken rechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert of dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Dit kan evenwel anders zijn indien de rechter in de voorlopige voorziening een inhoudelijk geschilpunt beoordeelt en vervolgens in de hoofdzaak hetzelfde geschilpunt te beoordelen krijgt.

2.5.

In zijn uitspraak van 15 augustus 2018 op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening, strekkende tot opheffing van de maatregel tot bewaring, heeft mr. Banda in rechtsoverweging 8 t/m 10 het volgende overwogen:

8. Het is vaste jurisprudentie dat de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling pas onrechtmatig maakt indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1595) volgt dat van zwaarwegende belangen aan de kant van verweerder sprake kan zijn indien de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of het risico onaanvaardbaar moet worden geacht dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd.

9. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging in dit geval uit in het voordeel van verweerder. In deze belangenafweging heeft voor de voorzieningenrechter in het voordeel van verzoeker gewogen dat verweerder bewust wederrechtelijk heeft gehandeld voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring aan verzoeker. Dat verzoeker onlangs een geplande overdracht heeft gefrustreerd, de overdracht van verzoeker op zeer korte termijn kan plaatsvinden en de overdrachtstermijn volgens de Dublinverordening zondag 19 augustus 2018 afloopt, maakt echter dat het belang van verweerder voor de voorzieningenrechter hier zwaarder weegt.

Van een schending van artikel 4 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (voor zover hier van belang overeenkomend met artikel 3 van het EVRM) is hier, bij uitvoering van het Unierecht, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Daarvoor is naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aanzienlijk meer vereist dan een enkele, zelfs bewuste, schending van de waarborgen voor verzoekers persoonlijke vrijheid.

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

2.6.

Uit de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet anders worden afgeleid dan dat mr. Banda de inbewaringstelling van verzoeker – nadat hij als voorzieningenrechter een belangenafweging had gemaakt als onderdeel van de te verrichten rechtmatigheidstoets – rechtmatig heeft geoordeeld en het verzoek tot opheffing van deze maatregel daarom heeft afgewezen.

De wrakingskamer deelt niet mr. Banda’s opvatting dat in dit geval “niet of slechts in zeer beperkte mate” in de bodemzaak een beslissing moet worden gegeven over een inhoudelijke kwestie waarover in de voorziening al een (voorlopig) oordeel is gegeven. Immers, zowel de beslissing op de voorlopige voorziening als de beslissing op de gevraagde schadevergoeding steunen volledig op dezelfde onderliggende toets met betrekking tot de (on)rechtmatigheid van de bewaring. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft mr. Banda met de door hem gebezigde bewoordingen bij verzoeker de indruk kunnen wekken dat hij reeds een beslissing heeft genomen op de vraag die in de bodemprocedure voorligt, namelijk of verzoeker wegens onrechtmatige bewaring een schadevergoeding toekomt. Aldus kon bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat mr. Banda niet volledig open zou staan voor de door verzoeker aangevoerde stellingen in de bodemprocedure en dat van een onbevangen beoordeling geen sprake meer kon zijn. De schijn van vooringenomenheid is daarmee gewekt.

2.7.

Het verzoek tot wraking dient te worden toegewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer

3.1.

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, M.H.S. Lebens-de Mug en
L.M. Rijksen, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P. van der Stroom, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2018.

de griffier, de voorzitter,

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing ondertekend door de oudste rechter.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.