Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3332

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
218323 KG RK 18-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van de kantonrechter, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 218323 KG RK 18-357

Beslissing van 15 augustus 2018

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [verzoeker],

verzoeker tot wraking.

1 De procedure

1.1.

Op 28 mei 2018 heeft [verzoeker] het verzoek tot wraking gedaan van mr. M.C. Bosch, kantonrechter in deze rechtbank, en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder zaaknummer 6558775 BH VERZ 18-34. Het verzoek is mondeling tijdens de zitting gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting d.d. 28 mei 2018.

1.2.

Mr. M.C. Bosch heeft niet berust in de wraking. Hij heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3.

Het wrakingsverzoek van [verzoeker] is op 8 augustus 2018 behandeld. Bij de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen. Hij heeft zijn standpunten ter zitting nader toegelicht.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft de kantonrechter aan het begin van de zitting gewraakt, na een verschil van opvatting over het al dan niet in het openbaar behandelen van de zaak. Onder verwijzing naar art. 6 van het EVRM is [verzoeker] van mening dat de zaak in het openbaar moet worden behandeld, tenzij er gronden zijn om de zaak achter gesloten deuren te behandelen terwijl de kantonrechter uitgaat van de regel dat de zaak achter gesloten deuren moet worden behandeld, tenzij er gronden zijn om de zaak in het openbaar te behandelen. [verzoeker] heeft ter zitting bewust geen argumenten aangedragen voor openbare behandeling omdat volgens hem openbaarheid regel is (art. 6 EVRM) en geen uitzondering (art. 803 Rv.). [verzoeker] heeft reeds bij brief van 6 mei 2018 verzocht om openbaarmaking van de zitting en hij heeft daarbij verzocht om argumenten kenbaar te maken waarom de zaak niet in het openbaar wordt behandeld. Hij hoorde pas op de vrijdag (om 16.00 uur) vóór de zitting (op maandag) dat het geen openbare zitting zou zijn. Hij mocht wel familie of een advocaat meenemen. Voor een goede voorbereiding was geen tijd meer. Het gaat [verzoeker] om het principe. De vooringenomenheid van mr. Bosch blijkt uit het niet toepassen van art. 6 van het EVRM, welk artikel vóór art. 803 Rv. gaat. Elke andere rechter die hetzelfde zou doen zou ook door hem zijn gewraakt. Een openbare behandeling van de zaak is voor hem een waarborg dat hij een eerlijk proces krijgt.

3 Het standpunt van mr. M.C. Bosch

3.1.

Volgens mr. Bosch kunnen de door [verzoeker] aangevoerde gronden niet tot een geslaagde wraking leiden. De zaak betreft inhoudelijk een aansprakelijkstelling inzake de curatele van de zoon van [verzoeker]. De huidige curator heeft de voormalige curator ([verzoeker]) aansprakelijk gesteld en vordert schadevergoeding. Het wettelijk uitgangspunt is dat behandeling van zaken betreffende curatele achter gesloten deuren plaatsvindt. Ter zitting wenste [verzoeker] volledige openbaarheid van de zitting. Hij had contact gehad met de media. Volgens de curator was openbare behandeling van de zaak niet in het belang van zijn cliënt. Gelet op art. 803 Rv., tweede lid, kan de rechter bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven, en de belangen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel zich daartegen niet verzetten. [verzoeker] is herhaaldelijk gevraagd om uit te leggen welke zwaarwegende belangen gediend zijn met de door hem verzochte openbare behandeling, maar [verzoeker] heeft de belangen niet genoemd en enkel gewezen op de voorrang die art. 6 van het EVRM volgens hem op art. 803 Rv. heeft. Het verzoek van [verzoeker] heeft betrekking op een ordemaatregel ter zitting en dergelijke beslissingen kunnen niet tot wraking leiden. De beantwoording van de vraag of de zitting openbaar of achter gesloten deuren moet plaatsvinden maakt hem niet partijdig en hij ziet ook niet in op welke wijze de schijn van partijdigheid kan zijn gewekt. Daar komt bij dat hij nog niet eens op het verzoek van [verzoeker] heeft kunnen beslissen omdat hij is gewraakt voordat hij de belangen van [verzoeker] heeft kunnen horen en een belangenafweging heeft kunnen maken.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2.

Uit het feit dat [verzoeker] geen (tijdig) antwoord heeft gekregen op zijn schriftelijke verzoek van 6 mei 2018 om argumenten om de zitting achter gesloten deuren plaats te laten vinden, kan, wat daar verder ook van zij, geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid; het is gebruikelijk om kwesties, over het al dan niet in het openbaar houden van zaken, ter zitting ter sprake te brengen, en vervolgens daarop te beslissen. Hetzelfde geldt voor de klacht dat hij zich niet goed heeft kunnen voorbereiden op de zitting. [verzoeker] heeft ter zitting erkend dat in de oproepingsbrief al stond dat de zitting achter gesloten deuren plaats zou vinden, zodat [verzoeker] wat dat betreft wist waar hij aan toe was. Ook hieruit kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.

4.3.

De kern van het verzoek van [verzoeker] is dat de kantonrechter ter zitting vooringenomen heeft gehandeld door art. 803 Rv. toe te passen boven art. 6 van het EVRM.

4.4.

Ter zitting heeft de wrakingskamer reeds gewezen op art. 27 Rv., dat net als art. 6 van het EVRM bepaalt dat terechtzittingen in beginsel openbaar zijn, tenzij er sprake is van een uitzondering. Beide artikelen noemen onder meer als uitzondering “indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit vereisen”, of woorden van gelijke strekking. Die uitzondering is wat betreft personen- en familiezaken nader uitgewerkt in art. 803 Rv. Het komt de wrakingskamer voor dat (het handelen van de kantonrechter overeenkomstig) art. 803 Rv. niet in strijd is met art. 6 van het EVRM en dat daaruit geen vooringenomenheid blijkt.

4.5.

Bovendien is het toepassen van art. 803 Rv. en het daarop beslissen aan te merken als een processuele beslissing van de kantonrechter, waarvan de juistheid op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde kan worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) tegen de beslissing aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat mr. Bosch bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen [verzoeker] of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft [verzoeker] verder niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat mr. Bosch art. 803 Rv. heeft toegepast kan de rechtbank dat niet afleiden. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

[verzoeker] kan op de volgende zitting van mr. Bosch argumenten aandragen op grond waarvan de zaak volgens hem in het openbaar moet worden behandeld.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. W.M.B. Elferink, E.A. Zweers en H.T. Pos, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Nijkamp en in openbaar uitgesproken op

15 augustus 2018.

de griffier de voorzitter

De griffier is buiten staat te tekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.