Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3329

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
C/08/202531 / HA ZA 17-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank eiseres in conventie opgedragen om te

bewijzen dat het bijzonder gebruik van het paard voor de dressuursport bij de koopovereenkomst is voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/202531 / HA ZA 17-259

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [A] ,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen: [B] ,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 december 2017;

  • -

    de akte uitlating bewijslevering van 10 januari 2018 van de zijde van [A] ;

  • -

    het proces verbaal van getuigenverhoor van 22 maart 2018;

  • -

    het proces verbaal van getuigenverhoor van 29 mei 2018;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van 27 juni 2018 van de zijde van [A] ;

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van 27 juni 2018 van de zijde van [B] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank [A] opgedragen om te bewijzen dat het bijzonder gebruik van het paard voor de dressuursport bij de koopovereenkomst tussen partijen is voorzien.

2.2.

[A] heeft bij getuigenverhoor van 22 maart 2018 de volgende getuigen naar voren gebracht: de heer [A] (hierna: [A] ) en de heer [C] (hierna: [C] ). Bij getuigenverhoor van 29 mei 2018 heeft [B] in contra enquête de volgende getuigen naar voren gebracht: mevrouw [B] (hierna: mevrouw [B] ) en [B] .

2.3.

De vraag of in de koopovereenkomst tussen partijen is voorzien in het bijzonder gebruik van het paard voor de dressuursport, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs konden afleiden.

2.4.

Ten aanzien van de vraag wat partijen over en weer hebben verklaard en wat dus expliciet is overeengekomen, stelt de rechtbank vast dat alleen [A] en [B] hierover hebben getuigd. [C] heeft verklaard dat hij telefonisch met [A] heeft gesproken over het doel van het paard, dat hij het paard heeft gekeurd en dat hij aan [B] heeft gevraagd naar de wedstrijdgeschiedenis van het paard. Over de vraag wat tussen partijen is gezegd, heeft [C] geen verklaring afgelegd. Mevrouw [B] heeft verklaard dat zij zich niet kan herinneren of er iets is gezegd over het gebruiksdoel van het paard. De verklaringen van [C] en mevrouw [B] kunnen in dit kader dan ook niet tot bewijs dienen.

2.5.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [A] heeft verklaard dat hij heeft gezegd dat hij het paard voor zichzelf wilde kopen als dressuurpaard. De rechtbank stelt verder vast dat [B] heeft verklaard dat bij de besprekingen met [A] niet is gesproken over het doel van de aankoop van het paard. Nu de verklaring van [A] is weersproken door de verklaring van [B] , is de rechtbank van oordeel dat [A] onvoldoende bewijs heeft aangedragen om aan te nemen dat expliciet is overeengekomen dat het paard als dressuurpaard zou worden gebruikt.

2.6.

Ten aanzien van de vraag wat partijen uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden stelt de rechtbank vast dat [A] heeft verklaard dat duidelijk was dat het paard voor de dressuursport werd gekocht, omdat, zakelijk en verkort weergegeven, het paard deelnam aan dressuurwedstrijden en als dressuurpaard aan hem werd getoond. De verklaring dat het paard deelnam aan dressuurwedstrijden en als dressuurpaard aan [A] werd getoond, wordt door de overige getuigen niet weersproken. [C] heeft verklaard dat hij heeft gevraagd of het paard onder zadel getoond mocht worden. [B] heeft verklaard dat het paard aan de dierenarts is getoond onder het zadel en dat het paard een keer bij een concours is geweest. Mevrouw [B] heeft verklaard dat zij waarschijnlijk heeft gezegd dat het paard bij de IBOp en de Gelderland Cup is geweest. De omstandigheden dat het paard deelnam aan dressuurwedstrijden en als dressuurpaard aan [A] werd getoond, leiden er naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet toe dat impliciet is overeengekomen dat het paard als dressuurpaard zou worden gebruikt. Zowel [B] als mevrouw [B] hebben namelijk verklaard dat sprake is van een jong paard en dat dressuuroefeningen en dressuurwedstrijden behoren tot de basisopleiding van alle paarden in hun stoeterij, zowel van spring- als dressuurpaarden. De rechtbank begrijpt de verklaring van [B] aldus dat hij uit de omstandigheden dat het paard dressuurwedstrijden heeft gereden en als dressuurpaard is getoond niet heeft afgeleid dat het paard in het bijzonder voor de dressuursport zou worden gebruikt. [A] heeft deze verklaringen niet bestreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat partijen niet uit elkaars verklaringen en gedragen hebben afgeleid dat het paard voor de dressuursport zou worden gebruikt, zodat [A] onvoldoende bewijs heeft aangedragen om aan te nemen dat impliciet is overeengekomen dat het paard in het bijzonder als dressuurpaard werd gekocht.

2.7.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [A] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Het beroep van [A] op non-conformiteit kan hierom niet slagen. Aan verdere bewijsvoering als overwogen in rechtsoverweging 4.28 van het tussenvonnis wordt dan ook niet meer toegekomen.

2.8.

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank reeds geoordeeld geen sprake is van ontbinding van de koopovereenkomst vanwege het intreden van een ontbindende voorwaarde en evenmin van buitengerechtelijke vernietiging op grond van bedrog of van dwaling. Bij akte van 27 juni 2018 heeft [A] gesteld dat de rechtbank nog niet is ingegaan op haar beroep op wederzijdse dwaling. De rechtbank overweegt dat, voor zover [A] een beroep heeft gedaan op wederzijdse dwaling, dat beroep reeds afstuit op de omstandigheid dat [A] niet heeft gesteld waar deze wederzijdse dwaling uit bestaat. [A] heeft gesteld dat zij een onjuiste voorstelling van zaken had, omdat het paard vrij zou zijn van verdovende middelen en van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. Dat ook [B] in deze veronderstelling verkeerde, heeft [A] echter niet gesteld. Integendeel, [A] heeft aangevoerd dat sprake was van een opzettelijke kunstgreep aan de zijde van [B] door verdovende middelen toe te dienen, hetgeen op een geheel andere grondslag duidt. Daarnaast volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat niet is bewezen dat het paard is gekocht om als dressuurpaard te worden gebruikt, zodat een eventuele onjuiste veronderstelling met betrekking tot de dressuursport geen gevolgen heeft voor het al dan niet sluiten van de koopovereenkomst. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op het oordeel bij tussenvonnis dat geen sprake is van dwaling.

2.9.

Gelet op het voorgaande en hetgeen de rechtbank bij tussenvonnis heeft overwogen, is de koopovereenkomst niet ontbonden of vernietigd. De rechtbank zal de vorderingen van [A] tot terugbetaling van de koopsom, het ophalen van het paard en de verklaringen voor recht dat de koopovereenkomst is vernietigd of ontbonden daarom afwijzen.

2.10.

De door [A] gevorderde schadevergoeding gaat ervan uit dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld, doordat [B] ten onrechte de informatie heeft achtergehouden dat verdovende middelen zijn toegediend. Nu de rechtbank bij tussenvonnis reeds heeft geoordeeld dat [B] niet ten onrechte informatie heeft achtergehouden, is van onrechtmatig handelen evenmin sprake. Voor zover de schadevergoeding gegrond is op het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking, zal deze worden afgewezen nu geen sprake is van vernietiging van de koopovereenkomst. De rechtbank zal daarom ook de gevorderde schadevergoeding afwijzen.

2.11.

In reconventie vordert [B] opheffing van het conservatoir derdenbeslag en veroordeling van [A] in de proceskosten. Op grond van artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Nu de rechtbank in conventie heeft geoordeeld dat de vorderingen van [A] afgewezen zullen worden, is hieraan voldaan. De rechtbank zal het conservatoir derdenbeslag dat [A] op de bankrekening van [B] heeft laten leggen, daarom opheffen.

2.12.

[A] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten bestaan aan de zijde van [B] uit advocaatkosten en griffierecht. De advocaatkosten worden in conventie begroot op € 4.296,00 (zijnde: 4 punten (conclusie van antwoord, comparitie, enquête, contra-enquête, antwoordakte na enquête) x € 1.074,00 (tarief IV)). De kosten wegens griffierecht worden begroot op € 883,00. In reconventie worden de proceskosten vanwege de samenhang met de vordering in conventie begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van [A] af.

in reconventie

5.2.

heft het op 3 mei 2017 gelegde conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van [B] op.

zowel in conventie als in reconventie

5.3.

veroordeelt [A] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [B] begroot op € 4.296,00 voor salaris advocaat en € 883,00 wegens griffierecht.

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.