Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3304

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
AK_18_150 AK_18_151 AK_18_343
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgeven geautomatiseerd besluit op bezwaar waarbij niet beoogd is te komen tot een volwaardige en volledige heroverweging van eiseres bezwaren in strijd met het verbod van detournement de pouvoir; beroep gegrond en vernietiging van dit besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-09-2018
V-N Vandaag 2018/1956
FutD 2018-2487 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/150, 18/151 en 18/343

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de geschillen tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. K.M. van der Boor,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: Y.C. van Dalen.

Procesverloop

Bij primaire beslissingen van 6 oktober 2017 heeft verweerder eisers zorg- en huurtoeslag over 2016 definitief berekend. Op 2 januari 2018 heeft verweerder eisers bezwaren daartegen ongegrond verklaard en de primaire beslissingen gehandhaafd.

Op 9 januari 2018 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren (procedure 18/150 en 18/151).

Op 12 februari 2018 heeft eiser beroep ingesteld tegen verweerders beslissing op zijn bezwaren van 2 januari 2018 (procedure 18/343). Bij besluit van 9 mei 2018 heeft verweerder zijn beslissing van 2 januari 2018 herzien en vervangen.

Verweerder heeft in alle beroepen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde is met bericht van verhindering eveneens niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Besluitvorming.

Toeslagbeschikking

Bij beschikkingen van 6 oktober 2017 heeft verweerder eisers zorg- en huurtoeslag over het kalenderjaar 2016 definitief berekend op € 1.385 respectievelijk € 2.628. Daarbij heeft verweerder aan zorg- en huurtoeslag € 525 respectievelijk € 896 van eiser teruggevorderd.

Eisers gemachtigde heeft op 12 oktober 2017 tegen de beide beschikkingen afzonderlijk bezwaar gemaakt. Bij zijn bezwaren heeft eiser om een afbetalingsregeling dan wel kwijtschelding verzocht ten aanzien van de terugvorderingen, onder meer omdat een deel van zijn inkomen, te weten een afkoop van pensioenrechten, ten onrechte zou zijn meegeteld.

Inkomensbeschikking

Bij brief van 27 november 2017 heeft verweerder het kantoor van eisers gemachtigde aangeschreven en hen een brief aan eiser doen toekomen waarin is verzocht om het bezwaar van 12 oktober 2017 vóór 12 december 2017 aan te vullen met een verzoek “bijzonder inkomen 2016”. Eiser heeft aan dit verzoek voldaan via zijn gemachtigde. Het verzoek om een deel van het inkomen over 2016, als “bijzonder inkomen” buiten beschouwing te laten, is bij beschikking van 2 januari 2018 toegewezen.

Beslissing op bezwaar

Op 2 januari 2018 heeft verweerder op de bezwaren tegen de toeslagbeschikkingen beslist. De toeslagbeschikkingen zijn daarbij onverkort gehandhaafd, omdat eiser niet zou hebben gereageerd op het inkomensverzoek.

Fictieve beslissing

Op 8 januari 2018 heeft verweerder zijn beslissing op de bezwaren van eiser – als ingediend op 12 oktober 2017 en gericht tegen de toeslagbeschikkingen – met zes weken uitgesteld. Bij brief van 11 januari 2018 heeft gemachtigde van eiser verweerder in gebreke gesteld voor het nemen van fictieve (lees: het niet tijdig nemen van) beslissingen op eisers bezwaren en – indien niet binnen twee weken alsnog wordt beslist – dwangsommen gevorderd.

Op 23 januari 2018 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn verzoek om dwangsommen wordt afgewezen, omdat op 2 januari 2018 reeds op het bezwaar is beslist.

Nadere beslissing

Bij nadere beslissing van 9 mei 2018, ingekomen op 24 mei 2018, heeft verweerder zijn beslissing van 2 januari 2018 herzien en vervangen. Eisers bezwaar inzake:

- de huurtoeslag is gegrond verklaard (in navolging van de beschikking “bijzonder inkomen 2016”). De huurtoeslag over 2016 is gewijzigd vastgesteld op

€ 3.515.

- de zorgtoeslag is kennelijk ongegrond verklaard, omdat de regelgeving niet voorziet in de mogelijkheid om een deel van het inkomen buiten beschouwing te laten.

Voorts heeft verweerder aan eiser zijn proceskosten voor het bezwaar ad € 501 vergoed.

2. De omvang van het beroep

a. In zijn beroep van 9 januari 2018 tegen de vorenbedoelde fictieve beslissingen op zijn beide bezwaarschriften van 12 oktober 2017 stelt eiser, dat verweerder uiterlijk op

30 december 2017 inhoudelijk op de bezwaren had moeten beslissen. Omdat de inhoudelijke beslissingen op de bezwaren ten tijde van het instellen van de beroepen nog niet waren ontvangen, vordert eiser in zijn beroepen:

- vernietiging van de fictieve beslissingen,

- te bepalen dat verweerder een dwangsom dient te betalen aan eiser, en

- verweerder op te dragen alsnog besluiten op de bezwaarschriften te nemen onder verbeuring van een dwangsom van € 100 per dag.

b. In zijn beroep van 12 februari 2018 tegen verweerders beslissing op bezwaar van

2 januari 2018 stelt eiser, dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inkomensbeschikking, terwijl verweerder – anders dan in dat besluit is aangegeven – daar wel van op de hoogte was.

c. Bij zijn besluit van 9 mei 2018 heeft verweerder zijn besluit van 2 januari 2018 herzien en vervangen. Ten aanzien van de huurtoeslag over 2016 heeft verweerder alsnog rekening gehouden met de eerder afgegeven inkomensbeschikking en de hoogte van de huurtoeslag gesteld op € 3.515. Eisers zorgtoeslag over 2016 is gehandhaafd op € 1.385.

Artikel 6:19, eerste lid van de Awb bepaalt, dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Verweerder is – daar waar het eisers huurtoeslag betreft – aan het bezwaar tegen de primaire toeslagbeschikking geheel tegemoet gekomen. De gewijzigde berekening van de huurtoeslag komt immers overeen met het bedrag dat eiser over dat jaar reeds aan voorschot heeft ontvangen. De rechtbank concludeert dat daarmee de grondslag voor terugbetaling van te veel ontvangen voorschot huurtoeslag over 2016 is komen te vervallen, zodat geen belang meer resteert voor beoordeling van verweerders nadere beslissing. In zoverre is het beroep tegen het besluit van 9 mei 2018 niet-ontvankelijk.

Nu verweerder – daar waar het eisers zorgtoeslag betreft – de definitieve berekening over 2016 heeft gehandhaafd en het terug te betalen bedrag aan teveel ontvangen voorschot ongewijzigd € 525 is gebleven, moet worden geoordeeld dat eiser nog steeds belang heeft bij een materieel oordeel inzake zijn aanspraken op zorgtoeslag over 2016. Eisers beroep tegen het herziene besluit van 9 mei 2018 is dan ook in zoverre ontvankelijk en wordt hierna inhoudelijk beoordeeld.

3. De zorgtoeslag 2016

Verweerder heeft de bij de toeslagbeschikking definitief berekende zorgtoeslag en de hoogte van het terug te betalen voorschot bij zijn nadere besluit van 9 mei 2018 gehandhaafd op een hoogte van € 1.385 respectievelijk € 525.

Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, dat voor de hoogte van de zorgtoeslag geen wettelijke mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de aan eiser afgegeven inkomensbeschikking. Raadpleging van de relevante wettelijke regelingen leert dat verweerder daarin het gelijk aan zijn zijde heeft. In beroep heeft eiser daartegen dan ook geen argumenten aangevoerd.

Nu ook overigens niet is gebleken, dat verweerders dienaangaande besluit in strijd is te achten met enig wettelijk voorschrift, oordeelt de rechtbank dat verweerder besluit van 9 mei 2018 in stand kan blijven. Eisers beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.

4. De beslissing op bezwaar van 2 januari 2018

Ter zitting is gebleken, dat verweerders besluit van 2 januari 2018 geautomatiseerd is aangemaakt en dat deze niet berust op een volwaardige en inhoudelijke beoordeling van hetgeen eiser tegen de toeslagbeschikkingen heeft ingebracht en dat daarbij voorts geen rekening is gehouden met het feit dat eiser destijds reeds had voldaan aan de opgave van de inkomensgegevens die nodig waren voor de inkomensbeschikking, welke bovendien op dezelfde dag is afgegeven.

Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard was het team dat zich bezig houd met de bijzondere verzoeken nog met eisers inkomensverzoek bezig, terwijl het team dat de bezwaarschriften behandelt gehouden was om binnen de wettelijke termijn op eisers bezwaren te beslissen, en dat het laatste zijn beslag heeft gekregen in de geautomatiseerde beslissing.

Een dergelijke werkwijze kan naar het oordeel van de rechtbank de toets der kritiek niet doorstaan, omdat het strijd oplevert met het verbod van detournement de pouvoir, zoals neergelegd in artikel 3:3 van de Awb. Met het afgeven van de beslissing van 2 januari 2018 werd immers niet beoogd om te komen tot een volwaardige en volledige heroverweging van eisers bezwaren, zoals bij de beslissing van 9 mei 2018 is gedaan, maar werd enkel beoogd termijnen veilig te stellen en de verschuldigdheid van dwangsommen te voorkomen.

Ingevolge het zesde lid van artikel 6:19 van de Awb staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Verweerders besluit van 2 januari 2018 wordt daarom, ondanks het herziene besluit van 9 mei 2018, vernietigd. Eisers beroep tegen dat besluit is dan ook gegrond.

5. Ten aanzien van eiser beroepen tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren oordeelt de rechtbank nog het volgende.

Artikel 4:17 van de Awb bepaalt voor zover van belang:

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

(…)

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

(…).

Artikel 12 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt voorzover te dezen van belang:

(…)

2. Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen, met dien verstande dat:

a. een door de Belastingdienst/Toeslagen verbeurde dwangsom € 10 bedraagt voor elke week dat hij in gebreke is, doch ten hoogste € 100, tenzij de toekenning van de tegemoetkoming leidt tot een na te betalen of terug te vorderen bedrag kleiner dan

€ 100 in welk geval de verbeurde dwangsom ten hoogste € 30 bedraagt;

Met inachtneming van de hiervoor gegeven voorschriften is verweerder een dwangsom voor het niet tijdig beslissen verschuldigd vanaf de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Nu verweerders besluit van 2 januari 2018 wordt vernietigd moet tevens worden geoordeeld dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op eisers bezwaren heeft beslist. Daarop is immers eerst bij rechtens te handhaven besluit van 9 mei 2018 beslist. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser verweerder op 8 januari 2018 in gebreke heeft gesteld en dat in de tussentijd meer dan twee weken zijn verstreken.

De rechtbank concludeert dat verweerder dwangsommen is verschuldigd vanaf 24 januari 2018 tot en met 8 mei 2018, gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a van de Awir gemaximeerd tot € 100.

Eisers beroepen tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren zijn derhalve eveneens gegrond. De rechtbank zal ook die fictieve besluiten vernietigen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in zijn totaliteit vast op € 1.002:

- de beroepen 18/150 en 18/151 € 501 (2x1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5; de rechtbank is van oordeel dat deze zaken van licht gewicht zijn, omdat deze alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is);

- het beroep 18/343 € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

7. Verweerder dient ook het door eiser betaalde griffierecht (2 x € 46) te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen verweerders fictieve besluiten (procedure 18/150 en 18/151) gegrond en vernietigt deze besluiten;

- verklaart het beroep tegen verweerders besluit van 2 januari 2018 (procedure 18/343) gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 mei 2018 (procedure 18/343) niet ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op huurtoeslag 2016 en ongegrond voor zover het betrekking heeft op zorgtoeslag 2016;

- stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 100 en bepaalt dat verweerder dat bedrag aan eiser moet betalen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van twee maal € 46 aan eiser te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 1.002.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Melaard, rechter, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.