Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3253

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
08-994564-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel spreekt een firma uit Kampen vrij van het opzettelijk in strijd handelen met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2019/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-994564-16 (P)

Datum vonnis: 10 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] .,

gevestigd aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.T.C. van der Werf en van hetgeen namens verdachte door de gemachtigden P.B. Broshuis en S. Dekker en de raadsman mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Oosterbeek, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet heeft gehandeld door haar werknemer [slachtoffer] werkzaamheden te laten verrichten aan of nabij de nek van een oplegger terwijl het val- of beknellingsgevaar van die nek niet zoveel mogelijk was beperkt, waardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer] ontstond of was te verwachten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 17 maart 2016 te Kampen, als werkgever, al dan niet

opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, waardoor naar

zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de

gezondheid van één of meer werknemers kon onstaan of te verwachten was, immers heeft zij al dan niet opzettelijk in strijd met artikel 3.17 van het

Arbeidsomstandighedenbesluit, arbeid laten verrichten aan of nabij (de

zogenoemde) nek van een oplegger (waarmee de oplegger aan een trekker wordt

gekoppeld), waarbij -onder andere-

-een niet deugdelijke en/of doelmatige borging aanwezig was (om de nek in een bepaalde positie/stand te houden indien deze niet verbonden is aan -de koppelschotel- van een trekker), aangezien:

A. de van de borging onderdeel uitmakende strips aan/nabij (slechts) 2 van de 4 koppeloren waren aangebracht,

B. de aangebrachte strips te dun waren,

en/of

C. de (aanwezige) borging was aangebracht zonder gebruik te maken van een mal als aangegeven op de bouwtekening (blz. 308)

-er geen stut of hijswerktuig werd gebruikt,

-de steunpoten van de nek niet werden gebruikt,

en/of

-1 van de 2 hydrauliekcilinders verwijderd was (waardoor gevaar aanwezig was dat de nek zou gaan "schranken"),

waardoor de nek naar beneden kon vallen of los kon raken en daarbij het gevaar

te worden getroffen door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan en/of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten en/of onderdelen

daarvan niet werd voorkomen althans, indien dat niet mogelijk was, niet zoveel

mogelijk werd beperkt,

immers is de nek van die oplegger naar beneden gevallen waarbij de werknemer [slachtoffer] (dodelijk) werd getroffen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 17 maart 2016 heeft in de werkplaats van verdachte een ongeval plaatsgevonden. Ten tijde van het ongeval werden door medewerkers van verdachte, waaronder het slachtoffer [slachtoffer] , werkzaamheden verricht aan of nabij de hydraulische nek van een 100 ton SL oplegger. Op het moment van het ongeval werden werkzaamheden in verband met een storing aan de linker hydraulische cilinder van de nek uitgevoerd. Deze cilinder was van de oplegger afgenomen omdat hij lekte. De rechter cilinder was wel aangebracht gebleven. Tijdens de werkzaamheden was de nek ondersteund door een stut. Op enig moment moest de linker cilinder weer terug aangebracht worden. De nek moest daartoe naar de laagste stand worden gebracht, dat wil zeggen in een stand waarin deze tegen een borgingsconstructie hangt en waarbij de voorkant van de nek ongeveer een meter boven de grond hangt. De nek werd met de rechter cilinder iets opgebeurd zodat de stut verwijderd kon worden. Direct nadat de stut verwijderd was en de nek nog iets omhoog stond, merkte een medewerker op dat zich nog uitlijnborden en uitlijngereedschap onder de nek bevonden. [slachtoffer] kroop onder de nek om die spullen te pakken. Op het moment dat het slachtoffer zich onder de nek begaf, viel de druk uit de rechter cilinder weg en heeft de borgingsconstructie de val van de nek vervolgens niet gebroken. De nek is daardoor met zijn volle gewicht op [slachtoffer] gevallen waardoor [slachtoffer] ter plekke is komen te overlijden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daarvoor - kort samengevat - aangevoerd dat de nek is gevallen als gevolg van een samenloop van omstandigheden, waaronder de omstandigheden dat de nek op het moment van vallen niet was afgesteund/afgestempeld en de borgingsconstructie niet werkte. Uit de getuigenverklaringen blijkt naar het oordeel van de officier van justitie dat de borgingsconstructies in de periode van 2012 tot het ongeval zonder enige vorm van tekening en berekening of minimale constructie eisen naar bevind van zaken door de afdeling ruwbouw werd aangebracht en dat de borgingsconstructie zoals die was aangebracht bij de bij het ongeval betrokken oplegger niet afdoende was. Naar het oordeel van de officier van justitie heeft verdachte nagelaten zorg te dragen voor een adequate berekening en tekening van de borgingsconstructie, alsmede van het omschrijven van het risico van vallende voorwerpen in de RI&E. Verdachte heeft daarmee nagelaten voldoende maatregelen te treffen om te voorkomen dat de nek naar beneden kon vallen, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat hierdoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers kon ontstaan of te duchten was.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit omdat er geen sprake is van overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) zodat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor schending van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). De verdediging heeft daarvoor - kort samengevat - aangevoerd dat de zogenoemde borgingsconstructie niet is bedoeld om veilig werken onder de nek mogelijk te maken, maar slechts om te voorkomen dat de nek, bij gebruik van de nek door de klant (dus na aflevering), helemaal tot de grond kan zakken en er schade aan de nek of het wegdek kan ontstaan als de oplegger is afgekoppeld. De verdediging heeft bepleit dat in de werkplaats het risico dat de nek naar beneden komt nooit kan worden uitgesloten, ondanks werkende cilinders en/of een werkende borgingsconstructie. Het kan altijd gebeuren dat plots de druk wegvalt in een cilinder. Om die reden geldt binnen het bedrijf van verdachte als strikte veiligheidsmaatregel dat bij werkzaamheden onder de nek gebruikt dient te worden gemaakt van stutten. Ten tijde van het ongeval was het noodzakelijk om de stut tijdelijk te verwijderen om de nek te kunnen laten zakken. Onder die omstandigheid geldt de zeer strikte veiligheidsinstructie dat men zich niet onder de nek mag begeven. Het feit dat tot vlak voordat de nek naar beneden kwam gebruik werd gemaakt van de stut duidt er op dat alle betrokkenen op de hoogte waren van die verplichte veiligheidsmaatregelen. Verdachte heeft voldoende maatregelen genomen om valgevaar of beknellingsgevaar te voorkomen door duidelijke en strikte veiligheidsmaatregelen en -instructies te geven, materiaal om veilig te kunnen werken beschikbaar te stellen en door actief toezicht op de naleving hiervan te houden. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft gehandeld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij opzettelijk in strijd met artikel 3.17 van het Arbobesluit arbeid heeft laten verrichten aan of nabij de nek van een oplegger, waardoor zij wist of redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was.

Artikel 3.17 van het Arbobesluit behelst de verplichting van de werkgever om het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, te voorkomen, dan wel indien niet mogelijk is, zoveel mogelijk te voorkomen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het val- of beknellingsgevaar van de nek niet zoveel mogelijk heeft beperkt, omdat de borgingsconstructie zonder adequate tekening en berekening werd aangebracht aan de oplegger en de borgingsconstructie in casu niet afdoende was. De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de stelling van de officier van justitie dat de borgingsconstructie zonder tekening en berekening werd aangebracht, onvoldoende uit het dossier is gebleken dat de borgingsconstructie (mede) diende als veiligheidsmaatregel voor de werknemers van verdachte om veilig onder de nek te kunnen werken. De verdediging heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de borgingsconstructie slechts bedoeld is om te voorkomen dat de nek na aflevering aan de klant op de grond zakt. De officier van justitie heeft die stelling niet inhoudelijk bestreden. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de mogelijke ondeugdelijkheid van de borging (omstandigheden vermeld onder A, B en C op de tenlastegelegde) geen doorslaggevende rol kan spelen bij de vraag of al dan niet in strijd met veiligheidsvoorschriften is gehandeld. De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat niet is bewezen dat verdachte het val- of beknellingsgevaar voor haar eigen werknemers niet zoveel mogelijk heeft beperkt. De rechtbank heeft bij dat oordeel betrokken dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen de afdeling afmontage waarbij wordt gewerkt met en onder zware lasten, aan een product dat nog niet af is en dat nog niet door de eindcontrole is geweest. Gelet op deze gevaren hanteert verdachte, zo stelt de verdediging, als strikte veiligheidsinstructie dat er alleen onder de nek mag worden gewerkt als de nek is gestut. Ook deze stelling is door de officier van justitie niet inhoudelijk bestreden en het dossier bevat vele aanknopingspunten dat deze strikte stelregel daadwerkelijk binnen het bedrijf gelding heeft. Anderzijds bevat het dossier geen bewijs waaruit blijkt dat medewerkers hiervan onvoldoende op de hoogte werden gebracht en gehouden. De arbeidsinspectie heeft ook geconcludeerd dat het voorkomen van val- en beknellingsgevaar in de praktijk werd ingevuld door het gebruik van vele stutten en andere onderstempelingsconstructies. Het dossier bevat ook een e-mail uit 2014 waarin de medewerkers onder verwijzing naar een ongeval dat binnen een ander bedrijf heeft plaatsgevonden nogmaals uitdrukkelijk en concreet worden gewezen op ‘het gebruik van bokken om plotseling zakken te voorkomen’ teneinde beknelling als gevolg van een zakkende trailer te voorkomen. De stut werd bovendien ook daadwerkelijk gebruikt tot zeer kort voordat de nek naar beneden viel. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte al dan niet opzettelijk in strijd met artikel 3.17 van het Arbobesluit werkzaamheden aan de nek van de oplegger heeft laten verrichten, waardoor zij wist of redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was.

5 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Den Dulk, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018

Buiten staat

Mr. Den Dulk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.