Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3232

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
ak_ 17 _ 2204
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzending van primaire besluit aannemelijk; bezwaarschrift na geldende bezwaartermijn ingediend; van verschoonbare termijnoverschrijding is niet gebleken; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Care Dienstengroep B.V., te Nijverdal, eiseres,

gemachtigde: mr. E.P.W.A. Bink,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2015 heeft verweerder aan [naam 1] (werkneemster), op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 18 juni 2015 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend.

Dit besluit heeft verweerder in afschrift aan eiseres toegezonden bij besluit van 22 april 2015 (het primaire besluit).

Bij besluit van 31 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 2] Verweerder heeft zich na voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

Ter zitting is de behandeling van het beroep aangehouden teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken in geding te brengen. Eiseres heeft bij brieven van 10 en 24 januari 2018 van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Op 5 februari 2018 heeft verweerder daarop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Bij de gedingstukken bevindt zich het primaire besluit van 22 april 2015, gericht aan eiseres, waarbij verweerder eiseres een kopie van het besluit van 22 april 2015, gericht aan werkneemster, en een kopie van het rapport van 21 april 2015 van de arbeidsdeskundige, heeft toegezonden. Eiseres stelt het primaire besluit nooit te hebben ontvangen. Het primaire besluit is niet aangetekend verzonden. De verzending is door verweerder niet aannemelijk gemaakt. Een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt.

3. Indien een geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het op grond van vaste rechtspraak aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt in beginsel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423. Contra-indicaties kunnen echter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.

4. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of er aanwijzingen zijn dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is.

5. De rechtbank acht van belang dat eiseres de ontvangst van het primaire besluit in bezwaar en in beroep steeds heeft ontkend. Verweerder stelt dat uit de e-mail van 27 mei 2015 van [naam 2] hoofd bedrijfsbureau in dienst van eiseres, gericht aan werkneemster moet worden afgeleid dat eiseres het primaire besluit heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat in de e-mail wordt gesproken over een ontvangen uitslag en niet over een ontvangen besluit. Eiseres stelt dat deze uitslag ziet op het rapport van 21 april 2015 van de arbeidsdeskundige. De rechtbank is van oordeel dat deze e-mail voldoende aanwijzing is dat eiseres het primaire besluit moet hebben ontvangen. Het rapport van de arbeidsdeskundige was gevoegd bij het primaire besluit, waarbij ook een afschrift van het besluit gericht aan werkneemster is gevoegd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat alleen het rapport van de arbeidsdeskundige is ontvangen, maar niet het primaire besluit en het besluit gericht aan werkneemster.

6. Dit betekent dat de verzending van het primaire besluit aannemelijk is, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 23 april 2015. Vastgesteld moet worden dat het bezwaarschrift na de geldende bezwaartermijn van zes weken is ingediend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.