Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3228

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
ak_18 _ 696
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen ingangsdatum toegekende uitkering op grond van de Paricipatiewet; verweerder ten onrechte afgezien van horen in de bezwaarfase; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/696

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P. Gerritsen, advocaat te Enschede,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering toegekend ingevolge de Participatiewet (Pw) vanaf 31 juli 2017 tot en met 31 augustus 2017.

Bij besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als getuige/deskundige heeft eiser

W. Aalders, ambulant begeleider werkzaam bij ZorgVisieTwente, meegenomen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde W. Heesen.

Overwegingen

2.1

Eiser heeft op 10 april 2017 bij verweerder een bijstandsuitkering aangevraagd

met als ingangsdatum 25 maart 2017 omdat vanaf deze datum zijn inkomen (WIA-uitkering) beneden de voor hem geldende bijstandsnorm was komen te liggen. Deze aanvraag is bij besluit van 9 juni 2017 buiten behandeling gelaten. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

2.2

Op 31 juli 2017 heeft eiser opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze is

bij besluit van 27 september 2017 toegekend per 31 juli 2017. Per 1 september 2017 is deze uitkering weer beëindigd omdat eiser vanaf dat moment geen vaste woon- en verblijfplaats meer had.

Vanaf 3 september 2017 is eiser weer woonachtig op het adres Haaksbergerstraat 298 en is hem weer een uitkering toegekend.

Op 5 oktober 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 september 2017 omdat hij van mening is dat de ingangsdatum 25 maart 2017 moet zijn.

2.3

Verweerder heeft aangevoerd dat er in de situatie van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum kunnen rechtvaardigen.

3.1

Vast staat dat eiser niet is gehoord op zijn bezwaren. Bij het bestreden besluit is het bezwaar met overname van het door de Commissie Bezwaarschriften gegeven advies, kennelijk ongegrond verklaard.

3.2.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan alvorens hij beslist op het bezwaar, belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord.

3.3.

Blijkens de duidelijke bewoordingen van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en

de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van dat artikel vormt de hoorplicht

een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Dit brengt mee dat het een bestuursorgaan niet is toegestaan de belanghebbende de gelegenheid te onthouden om te worden gehoord.

3.4.

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:CRVB:2007:BA1463, is hiervan sprake indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

3.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, met name gelet op hetgeen eiser in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd en waarbij hij heeft gewezen op diverse bijzondere omstandigheden binnen zijn privé-situatie waardoor hij niet in staat was binnen de door verweerder gestelde termijn de aanvullende bewijsstukken aan te leveren, niet op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was te achten. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser in het betoog dat het horen ertoe zou hebben bijgedragen

dat eiser zijn beroep op bijzondere omstandigheden nader had kunnen onderbouwen en toelichten, ondersteund door zijn begeleider Aalders die de ernst van de problematiek van eiser goed kent, zoals onder meer blijkt uit zijn verklaring die de gemachtigde van eiser op 28 juni 2018 aan de rechtbank heeft toegezonden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval niet zonder meer voorbij had mogen gaan aan het door behandelaar E. Lichtendahl aan Aalders gegeven advies voor wat betreft de startdatum van de bijstandsuitkering. Ook om die reden had verweerder in dit geval niet van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Gelet hierop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

4. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder met achtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen, waarbij eiser alsnog de gelegenheid wordt geboden zijn beroep op bijzondere omstandigheden met terugwerkende kracht nader toe te lichten. Daarbij kan verweerder nader onderzoek doen naar de beweerde stelling van Aalders, dat behandelaar [naam] hem zou hebben geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen met als startdatum dezelfde datum als bij de eerste aanvraag en waarbij niet zou

zijn gewezen op de mogelijkheid (tevens) een bezwaar in te dienen tegen het besluit van

9 juni 2017.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1011,42- (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting en € 9,42 vanwege gemaakte reiskosten van eiser) met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 - aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.011,42, te betalen aan de rechtsbijstandsverlener van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.