Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3081

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
ak_zwo_18 _ 1198 en ak_zwo_18_1404
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit tot weigering omgevingsvergunning voor "broodje bij de brug "in Aadorp zal in bezwaar geen stand houden; last onder dwangsom hangt hiermee samen; voorzieningenrechter schorst last onder dwangsom dan ook met terugwerkende kracht totdat uitsprak is gedaan op het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7994
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/1198 + AWB 18/1404

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] verzoekster,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder

gemachtigde: mr. J.K. de Vries.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2017 heeft verweerder de op 9 augustus 2017 door verzoekster aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het bereiden en leveren van maaltijden aan groepen vanaf 2 personen, waarbij de maaltijden worden bereid in een professionele keuken. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 juni 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning met een gewijzigde motivering geweigerd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft verweerder aan verzoekster, als uitbaatster van “Broodje

bij de Brug” op het perceel [adres] te Aadorp, een last onder dwangsom opgelegd, waarbij zij is gelast om uiterlijk 2 weken na dagtekening van dat besluit het handelen in strijd met de bestemmingsplan te (laten) staken en gestaakt te houden. Zij kan dit doen door de bedrijfsactiviteiten van Broodje bij de Brug te beëindigen en beëindigd te houden. Een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 500,-- per week of gedeelte van een week dat de overtreding na afloop van de begunstigingstermijn voortduurt, met een maximum van

€ 1.000,--. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft zowel in het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning

als hangende het bezwaar tegen de last onder dwangsom, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat zij gedurende de beroepsprocedure en de bezwaarprocedure haar bedrijf kan blijven runnen en er geen dwangsommen worden verbeurd c.q. geïncasseerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Verzoekster is verschenen bij haar gemachtigde en [naam] . Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de last

onder dwangsom van 6 juli 2018 met terugwerkende kracht vanaf 6 juli 2018 wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning en een beslissing is genomen op het bezwaar tegen de last onder dwangsom;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 340,-- (2 x € 170,--) aan verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3 Weigering omgevingsvergunning

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal de beslissing op bezwaar

met betrekking tot de weigering van de omgevingsvergunning geen stand houden.

Daartoe wordt overwogen dat het besluit op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd.

Zo stelt de voorzieningenrechter ten eerste vast dat verweerder in de vooraankondiging

van de last onder dwangsom van 11 augustus 2017 in vervolg op de handhavings-waarschuwing van 30 mei 2017 uitdrukkelijk aan verzoekster heeft aangegeven,

dat bedrijfsactiviteiten op het perceel [adres] te Aadorp in afwijking van het bestemmingsplan toelaatbaar zijn, mits die bedrijfsactiviteiten beperkt zijn tot catering,

de nodige milieuvoorzieningen worden getroffen en een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Uit het dossier blijkt dat dit weloverwogen door verweerder is gedaan na overleg tussen verweerders vakafdelingen. Vastgesteld kan worden, dat verzoekster aan

de in de vooraankondiging gestelde voorwaarden heeft voldaan en daartoe de nodige kosten heeft gemaakt.

Bij het primaire besluit van 6 december 2017 heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het beoogde gebruik de catering te buiten zou gaan en een aanvullend akoestisch onderzoek nodig was. Ook in de procedure bij de bezwaaradviescommissie is door verweerder niet uitgesproken dat catering als zodanig onaanvaardbaar is op deze locatie. Verzoekster heeft in vervolg op het besluit van 6 december 2017 haar webpresentaties beperkt tot catering en een aanvullend akoestisch onderzoek door het

bureau Geluid Plus laten doen en zij heeft ook hiervoor weer kosten gemaakt.

Pas voor het eerst in het besluit op bezwaar van 20 juni 2018 geeft verweerder aan catering ter plaatse niet toelaatbaar te achten. Verweerder beargumenteert dit met een volledige heroverweging in ruimtelijke zin.

Deze motivering volstaat niet. Het waarom van de koerswijziging wordt onvoldoende toegelicht. Zeker nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter het vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid in de verhouding tussen verzoekster en verweerder een rol speelt gelet op de duidelijk uitspraak in vooraankondiging van 11 augustus 2017. Catering als zodanig kan nu niet opeens ruimtelijk ontoelaatbaar worden geacht. Dat geldt ook voor het argument in verweer dat er geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk. Immers die argumenten hebben al kunnen meewegen bij de duidelijke uitspraak van 11 augustus 2017. Dit klemt te meer nu verzoekster op die uitspraak van 11 augustus 2017 haar bedrijfsactiviteiten heeft voortgebouwd en daarvoor kosten heeft gemaakt.

Voorts acht de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom niet wordt voldaan aan het door verweerder gehanteerde beleid ter zake van afwijking van de regels van het bestemmingsplan en de daarvoor gelden criteria. Die criteria houden volgens verweerder

in dat er geen ernstige hinder mag zijn voor het woonmilieu en geen afbreuk gedaan mag worden aan de beleving van de woonomgeving. Hierover heeft verweerder gesteld dat aan

de Peppellaan in Aadorp sprake is van een rustige woonomgeving en dat de beoogde activiteit, naast de reeds toegestane activiteit in de vorm van de aanwezigheid van een

biljart- en dartvereniging op het perceel, tot een onaanvaardbare cumulatie zal leiden. Verweerder houdt het daarbij en laat na om inzicht te geven waarom de impact van die cumulatie van activiteiten zodanig is dat het planologisch ontoelaatbaar is, ook in vergelijk met een bij afwijking in bijgebouwen bestaande mogelijkheid voor een “aan huis gebonden beroep”.

Blijkens het door verzoekster ingediende en door verweerder niet weersproken geluids-rapport van Geluid Plus, wordt wat betreft geluid voldaan aan de richtnormen voor een rustige woonomgeving. Bovendien is bij controle van de zijde van verweerder niet gebleken van geuroverlast. Tenslotte heeft verzoekster met een deskundig rapport van 10 juli 2018 gemotiveerd betoogd dat er geen sprake is van een onevenredige hinder voor de omgeving.

Onduidelijk blijft welke ontoelaatbare impact de biljart- en dartverenging en de bedrijfs-activiteiten in de vorm van catering ieder afzonderlijk en in cumulatie in de ogen

van verweerder op de omgeving hebben.

Tenslotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder klachten heeft aangedragen als dragend element in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter mist evenwel een inventarisatie van die klachten en van de klagers en een weging van die klachten op basis van onderzoek. Vaststaat dat verweerder het merendeel van de klachten in deze procedure anoniem houdt. Dat is in strijd met het beginsel van een eerlijk proces, nu daardoor aan verzoekster de mogelijkheid wordt onthouden die klachten te plaatsen en gemotiveerd te weerleggen, zoals ten aanzien van één van de twee niet anonieme klagers is gebeurd.

Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat het gaat om terechte klachten. Het enige controlerapport van verweerder in het dossier met betrekking tot klachten over geuroverlast in het najaar van 2017, geeft juist aan dat die klachten ongegrond zijn.

Nu de beslissing op bezwaar met betrekking tot de weigering van de omgevingsvergunning naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen stand zal kunnen houden, bestaat er aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen en om tevens te bepalen dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 170,-- vergoedt.

4 Last onder dwangsom

Ook ten aanzien van de last onder dwangsom van 6 juli 2018 geldt dat dat besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen stand zal kunnen houden. Dit besluit hangt ten nauwste samen met het besluit op bezwaar tot weigering van de omgevings-vergunning en volgt dat besluit in zijn gebreken.

Dat geldt vooral voor het onjuiste gebruik door verweerder van voornamelijk anonieme, deels onterechte en voor het overige niet onderzochte en gewogen klachten en verzoeken tot handhaving die kennelijk aanleiding zijn geweest om op te treden.

De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding de last onder dwangsom met terugwerkende kracht tot en met 6 juli 2018 te schorsen totdat uitspraak is gedaan op het beroep met betrekking tot de omgevingsvergunning en tot zes weken nadat verweerder een beslissing

op het bezwaar ten aanzien van het dwangsombesluit heeft genomen.

Ook ten aanzien van dit verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht ad € 170,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.