Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3073

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
C/08/219882 / KG ZA 18-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/219882 / KG ZA 18-185

Vonnis in kort geding van 31 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.E. Grosscurt te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een zoon van [gedaagde]

2.2.

[eiser] heeft diverse malen – in 2010, 2014, 2015, 2016 en 2017 – medegedeeld en doen mededelen aan [gedaagde] , onder meer via een anti-stalkingsbrief die door de politie is afgegeven aan [gedaagde] en in gesprekken van de politie met [gedaagde] naar aanleiding van aangiften van stalking, dat [eiser] geen (ongevraagd) contact wil met [gedaagde]

2.3.

[gedaagde] heeft daarop herhaaldelijk aangegeven de wens van [eiser] te zullen respecteren, maar niettemin telkens weer contact gezocht met [eiser] , tot kort voordat deze procedure aanhangig is gemaakt, (onder meer) door brieven en andere post, waaronder e-mails, naar [eiser] te sturen.

2.4.

In die (uitgebreide) brieven en/of e-mails geeft [gedaagde] (onder meer) zijn ‘visie’ op onder meer de gezondheidstoestand van [eiser] Ook staat erin dat het contact wel weer hersteld kan worden en waarom dat het geval zou zijn. Een aantal van die brieven en/of e-mails is niet alleen aan [eiser] gericht en gestuurd, maar ook aan derden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten,

I. [gedaagde] te verbieden direct dan wel indirect contact op te nemen met [eiser] , waaronder de volgende gedragingen dienen te worden begrepen:

- het achterlaten bij of sturen van brieven, kaarten, poststukken en

dergelijke aan [eiser] ;

- het telefonisch contact opnemen met [eiser] ;

- het benaderen van [eiser] via zakelijke netwerken;

zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 bij iedere overtreding;

II. [gedaagde] te verbieden zich te begeven naar en/of zich te bevinden rond de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , waaronder begrepen de [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] , [straat 4] , [straat 5] , [straat 6] en [straat 7] ,

zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 bij iedere overtreding;

III. [gedaagde] te verbieden zich in woord en/of geschrift, via internet, e-mail, persoonlijke schrijvens, of anderszins, uit te laten omtrent [eiser]

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een straatverbod vormt een ernstige inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen. Dat laatste geldt eveneens voor een contactverbod.

4.2.

Niet in geschil is dat [eiser] een traumatische jeugd heeft gehad, mede door gedrag van [gedaagde] en dat [eiser] als gevolg hiervan PTSS heeft ontwikkeld. Gelet op de inhoud van de door [eiser] overgelegde brieven en andere post van [gedaagde] , is aannemelijk dat [eiser] door de post van [gedaagde] telkens weer wordt herinnerd aan zijn traumatische jeugd en dat dit tot heftige emoties leidt die het leven van [eiser] telkens weer ontregelen als gevolg van PTTS. Dat is een schending van het recht van [eiser] op een ongestoorde persoonlijke levenssfeer. In verband met de privacy zal de inhoud van de postzendingen en e-mails, die partijen genoegzaam bekend is en niet weersproken is door [gedaagde] , hier verder niet worden weergegeven.

4.3.

Aan het vorenstaande doet niet af dat, zoals [gedaagde] aanvoert, – voor zover al juist – hij met de beste bedoelingen post stuurt aan zijn zoon en dat het contact weer hersteld kan worden omdat achteraf is gebleken dat [gedaagde] tijdens de jeugd van [eiser] geen psychiatrisch ziektebeeld had, maar dat hij leed aan een slaapstoornis. Door de post wordt [eiser] immers toch telkens weer herinnerd aan zijn traumatische jeugd, met voor [eiser] heftige (emotionele) gevolgen. [eiser] hoeft dat niet te dulden.

4.4.

Evenmin hoeft [eiser] te dulden dat [gedaagde] informatie over de gezond-heidstoestand van [eiser] deelt met derden. [gedaagde] dient ook in dit opzicht het recht op privacy van [eiser] te respecteren.

4.5.

Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de persoonlijke levenssfeer van [eiser] zal eerbiedigen. De voorzieningenrechter wil in beginsel aannemen dat [gedaagde] dat ook vast van plan is, maar [gedaagde] heeft niet betwist dat hij die belofte wel vaker heeft gedaan en dat het hem toch telkens niet is gelukt om zich daaraan te houden. Uit de overgelegde stukken volgt zelfs dat [gedaagde] – hoe goed bedoeld mogelijk ook – bereid is om een nacht in de cel door te brengen of een dwangsom te betalen, als hij maar weer contact krijgt met zijn zoon.

4.6.

Dit maakt in hoge mate aannemelijk dat [eiser] zich min of meer doorlopend afvraagt wanneer [gedaagde] weer inbreuk zal maken op de privacy van [eiser] , op welke wijze dat zal zijn en welke heftige (emotionele) gevolgen dat weer voor [eiser] zal hebben. Die constante onzekerheid vormt in dit geval zelf ook een ontoelaatbare inbreuk op het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

4.7.

Aldus is sprake van een onrechtmatige daad met een voortdurend karakter. Daarin ligt tevens het spoedeisend belang bij de vorderingen besloten. De vorderingen zullen worden toegewezen, evenwel op de wijze als hierna vermeld, mede om executiegeschillen te voorkomen. Daarbij heeft voor wat betreft het gevorderde gebiedsverbod te gelden dat [gedaagde] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen het gebied als zodanig. Verder zullen in verband met de eisen van proportionaliteit de verboden vooralsnog worden opgelegd voor de de duur van één jaar. Verder zal de gevorderde dwangsom worden beperkt en gemaximeerd zoals hierna vermeld.

4.8.

Het vorenstaande betekent niet dat na ommekomst van de genoemde termijn van één jaar, of als de maximale dwangsom is verbeurd, [gedaagde] weer op dezelfde voet kan verder gaan als die welke heeft geleid tot deze procedure en de te geven veroordelingen. Dat kan dan opnieuw tot schending van de privacy van [eiser] leiden, met opnieuw een procedure en mogelijk een hernieuwd contact- en gebiedsverbod, versterkt met een dwangsom, of zelfs lijfsdwang. Als [eiser] binnen de éénjaarsperiode niet kenbaar heeft gemaakt dat hij weer contact wil met [gedaagde] en op welke wijze dat contact vorm dient te krijgen, dient [gedaagde] daaruit de conclusie te trekken dat [eiser] geen contact meer wil. Alsdan zal [gedaagde] dat evenzeer te hebben respecteren na ommekomst van de éénjaarsperiode.

4.9.

Gelet op de familierelatie van partijen zullen de kosten van deze procedure,

als te doen gebruikelijk, op grond van het bepaalde in artikel 237 Rv worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen zijn eigen proceskosten

draagt. De voorzieningenrechter merkt op dat dit mogelijk anders kan zijn in een eventueel volgende procedure, en [gedaagde] dan wel in de proceskosten zal worden veroordeeld, als in die procedure blijkt dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verboden, dan wel dat hij na ommekomst van de éénjaarsperiode opnieuw de privacy van [eiser] schendt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] gedurende één jaar na betekening van dit vonnis direct dan wel indirect contact op te nemen met [eiser] in het bijzonder door:

  • -

    het achterlaten bij of sturen aan [eiser] van brieven, kaarten, en andere poststukken;

  • -

    het sturen van e-mails aan [eiser] ;

  • -

    het telefonisch contact opnemen met [eiser] ;

  • -

    het benaderen van [eiser] via zakelijke netwerken.

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.3.

verbiedt [gedaagde] gedurende één jaar na betekening van dit vonnis zich te bevinden in de navolgende straten te [plaats 1] , te weten: [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] , [straat 4] , [straat 5] , [straat 6] en [straat 7] ;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.5.

verbiedt [gedaagde] om zich in woord en/of geschrift, via internet, e-mail, persoonlijke schrijvens, of anderszins, uit te laten over de gezondheidstoestand van [eiser] ;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.5 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.(mjd)