Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:3061

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
Awb 18/319
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zodra de invordering is overgedragen aan de deurwaarder zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing en niet langer de bestuursrechtelijke wettelijke bepalingen zoals het door eiser bedoelde artikel 57 van de WAO; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: J.E. Eshuis,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: A.A. Verbeek.

Procesverloop

Bij brief van 22 november 2017 heeft verweerder aan eiser, in reactie op een brief van eiser van 16 november 2017, meegedeeld het dossier van eiser te hebben overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Eiser wordt dan ook verzocht contact op te nemen met de gerechtsdeurwaarder.

Bij besluit van 31 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 28 augustus 2013 is een vordering van verweerder op eiser ontstaan als gevolg van een terugvordering WAO-uitkering. Omdat eiser niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed, heeft verweerder de invordering uitbesteed aan een incassobureau. Bij beslissing van 14 november 2016 heeft verweerder zelf weer de invordering op zich genomen en, op basis van nieuwe (inkomens)gegevens, de aflossingscapaciteit van de vordering (van in totaal € 23.606,49) opnieuw vastgesteld. Omdat eiser zich niet aan de betalingsregeling hield, is verweerder een verhaalsonderzoek gestart. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat verweerder de invordering wederom heeft uitbesteed aan een incassobureau, dat eiser bij brief van 5 juli 2017 heeft laten weten dat de vordering op dat moment € 23.954,18 bedraagt. Eiser moet het bedrag uiterlijk 13 juli 2017 terug betalen.

Eiser heeft diverse malen een klacht ingediend tegen de handelswijze van verweerder omtrent de invordering in verband met zijn onvermogen om de vordering terug te betalen.

Bij brief van 29 september 2017 heeft de gemachtigde van eiser wederom laten weten dat eiser het niet kan betalen, terwijl er is aangekondigd dat er beslag gelegd zal worden op zijn inboedel. Eiser heeft verzocht om een nieuwe inkomenstoets.

Bij brief van 3 oktober 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder aan verweerder meegedeeld beslag te hebben gelegd op het voertuig van eiser, waartegen door eiser verweer is gevoerd.

Bij brief van 16 november 2017 heeft eiser nogmaals verzocht om het formulier inzake het inkomens- en vermogensonderzoek. Hierop heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hierboven onder ‘Procesverloop’ vermeld.

2. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat de brief van

22 november 2017 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb).

3. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de brief van 22 november 2017 moet worden gezien als een fictieve weigering een besluit te nemen op zijn verzoek van

16 november 2017 om te komen tot een herbeoordeling inzake de inkomenstoets. Ondanks dat het dossier is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder, is het volgens eiser nog steeds aan verweerder om de aflossingscapaciteit vast te stellen/te wijzigen. Het handelen van verweerder is volgens eiser in strijd met artikel 77 van de Wet WIA (de rechtbank begrijpt: artikel 57 van de WAO).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, vanaf het moment dat de invordering is overgedragen aan de deurwaarder, deze bevoegd is om de aflossingscapaciteit vast te stellen. Vanaf dat moment is het volgens verweerder geen bestuursrechtelijke zaak meer, maar gelden de civielrechtelijke bepalingen. Dit leidt verweerder onder meer af uit het bepaalde in artikel 8:4 van de Awb.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugvordering van de WAO-uitkering vaststaat en dat de invordering via een dwangbevel is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Evenmin is in geschil dat de brief van eiser van 16 november 2017 moet worden aangemerkt als een verzoek om herbeoordeling van de aflossingscapaciteit.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de brief van verweerder van 22 november 2017 al dan niet moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, in welk kader beoordeeld dient te worden wiens verplichting het is de aflossingscapaciteit vast te stellen vanaf het moment dat de invordering is overgedragen aan de deurwaarder. In dat kader acht de rechtbank het volgende van belang.

4.2

Artikel 4:123 van de Awb luidt als volgt:

1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&g=2018-08-15&z=2018-08-15). De artikelen 3:41 tot en met 3:45 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2018-08-01) zijn niet van toepassing.

2. Het exploot vermeldt in ieder geval de rechtbank waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=438&g=2018-08-15&z=2018-08-15) en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=438a&g=2018-08-15&z=2018-08-15) kan worden opgekomen.

De rechtbank leidt hieruit af dat, zodra de invordering is overgedragen aan de

deurwaarder, de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van

toepassing zijn en niet langer de bestuursrechtelijke wettelijke bepalingen (zoals het door

eiser bedoelde artikel 57 van de WAO). Verweerder wordt in zoverre dan ook in zijn

standpunt gevolgd.

Artikel 475g Rv bepaalt dat een schuldenaar verplicht is aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. Een deurwaarder die beslag heeft gelegd, is verplicht hem op te geven hoeveel zijn beslagvrije voet bedraagt, berekend volgens artikel 475d (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001827/2017-09-01) Rv.

Oftewel, de deurwaarder – en dus niet verweerder – is in het geval van eiser degene op wie de verplichting rust de aflossingscapaciteit vast te stellen.

Overigens valt uit het dossier af te leiden dat, bij de eerdere overdracht door verweerder aan de deurwaarder, ook daadwerkelijk conform deze verplichting is gehandeld: achter het dwangbevel van 14 september 2015 is een “verklaring inkomensgegevens ex art. 475g lid 1 Rv” gevoegd.

Gelet op het voorgaande is de brief van verweerder van 22 november 2017, inhoudende dat eisers dossier is overgedragen aan de deurwaarder en dat eiser met deze contact dient op te nemen, geen weigering een besluit te nemen, maar moet deze worden aangemerkt als een feitelijke handeling van verweerder die niet vatbaar is voor bezwaar. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat in de brief van 22 november 2017 niet een oordeel is gegeven over de bevoegdheid van verweerder. Daarom was ook niet gevraagd in de brief van eiser van 16 november 2017.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.D. Moeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.