Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2943

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
AWB 18/455, 18/538 en 18/570
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Overijssel verklaart beroep ongegrond. Geen sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Geen sprake van overtreden van milieuwetgeving. Verweerder heeft zich terecht niet bevoegd geacht om handhavend op te treden en handhavingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/455, 18/538 en 18/570

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [eiser 1], te Lemelerveld, eiser,

2. [eiser 2], te Lemelerveld, eiser,

gemachtigde: mr. G.J.M. Immens,

3. [eiser 3], te Lemelerveld, eiser,

gemachtigde: mr. G.J.M. Immens,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Kruisselbrink.

Derde-belanghebbende: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , te Lemelerveld.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van, onder meer, [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ), [eiser 2] (hierna: [eiser 2] ) en [eiser 3] (hierna: [eiser 3] ), om handhavend op te treden tegen het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [adres] te Lemelerveld (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van, onder meer, [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ongegrond verklaard.

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben afzonderlijk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van [eiser 1] is geregistreerd onder zaaknummer 18/455, het beroep

van [eiser 2] is geregistreerd onder zaaknummer 18/538 en het beroep van [eiser 3] is geregistreerd onder zaaknummer 18/570.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend dat ziet op alle drie beroepen.

[eiser 1] heeft nadere gronden en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. [eiser 1] is verschenen. [eiser 2] en [eiser 3] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] . [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn verschenen samen met [naam 2] . [naam 3] en mevrouw [naam 4] hebben verklaringen afgelegd.

Overwegingen

Feiten

1. Het perceel betreft een woonwagenlocatie. Op het perceel bevinden zich vier woonwagens/standplaatsen. Vanwege aanhoudende klachten uit de omgeving van de woonwagenlocatie over met name de aldaar ontplooide activiteiten en de inrichting van het perceel en de nabije omgeving, zijn eind 2016 hierover afspraken gemaakt met de bewoners van het perceel. Deze afspraken zijn neergelegd in een ontwikkelingsovereenkomst (in de stukken convenant genoemd), gesloten tussen de bewoners van de woonwagenlocatie, de gemeente Dalfsen en de Woningstichting Vechthorst. Deze partijen hebben eind september 2017 de ontwikkelingsovereenkomst ondertekend.

Het handhavingsverzoek en besluitvorming hierover

2. Bij brief van 17 februari 2017 heeft [eiser 1] , mede namens [eiser 2] , [eiser 3] en tien met name genoemde omwonenden, verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen “het oprichten en in werking hebben van een inrichting zonder dat daar de benodigde vergunningen voor zijn aangevraagd en verleend”, betreffende het perceel. Ter onderbouwing is hierbij aangegeven dat op het perceel structureel 15 tot 20 autowrakken worden gedemonteerd en dat voor het demonteren en opslaan van autowrakken zowel een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) als een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vereist. Verzoekers stellen geluids- en geuroverlast te ondervinden vanwege de demontage en metaalbewerking (slijpen).

3. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat tijdens meerdere controles in de periode april tot en met juli/augustus 2017 is geconstateerd dat op het perceel maximaal 3 à 4 auto’s/autowrakken aanwezig zijn. Tijdens één controle is vastgesteld dat er aan een aanwezige auto werd gesleuteld. Demontagewerkzaamheden zijn niet geconstateerd. Er is geen geluids- dan wel geuroverlast geconstateerd. Er is geen sprake van een (autodemontage)inrichting. Het verzoek is daarom afgewezen.

In het bestreden besluit heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het verwijzen naar handelen in strijd met het bestemmingsplan eerst in het bezwaarschrift is aangevoerd, zodat er sprake is van een niet-toegestane uitbreiding van het handhavingsverzoek tijdens de bezwaarfase. Bezwaarmakers is in overweging gegeven desgewenst hierover een afzonderlijk handhavingsverzoek bij hem in te dienen.

Afbakening van het voorliggende geschil

4. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de op het perceel ontplooide (demontage)activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan. Hierbij hebben zij verwezen naar de in het bestemmingsplan vastgelegde afspraken, inhoudende dat op het perceel niet meer dan twee auto’s tegelijkertijd aanwezig mogen zijn en dat jaarlijks maximaal twaalf auto’s mogen worden gerepareerd en verhandeld. Eisers zijn van mening dat verweerder in primo het handhavingsverzoek te beperkt heeft opgevat en dit niet heeft onderkend in het bestreden besluit. In dat kader heeft [eiser 1] aangevoerd dat het evident is dat het handhavingsverzoek mede betrekking heeft op het bestemmingsplan. [eiser 2] en [eiser 3] hebben in dit kader aangevoerd dat ‘strijd met het bestemmingsplan’ gelezen kan worden in hun stelling dat het bedrijf in strijd is met ‘de wetgeving’. Verweerder mag hen niet verwijten dat zij niet specifiek alle wetgeving hebben genoemd die van toepassing kan zijn.

5. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

5.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mag van een bestuursorgaan worden verlangd dat deze een handhavingsverzoek niet te beperkt duidt en bij onduidelijkheid over de reikwijdte van het verzoek nadere informatie inwint bij degene die om handhaving heeft verzocht.

In het handhavingsverzoek is verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het oprichten en in werking hebben van een inrichting zonder dat daar de benodigde vergunningen voor zijn aangevraagd en verleend. De rechtbank constateert dat er sprake is van een duidelijk en afgebakend verzoek. Verweerder behoefde dan ook geen nadere informatie bij eisers op te vragen.

Verder constateert de rechtbank dat het handhavingsverzoek enkel ziet op het overtreden

van milieuwetgeving. Dat eisers hebben beoogd om eveneens strijd met de (gebruiks)regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan (hetgeen is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening) aan te voeren, onderschrijft de rechtbank niet. Anders dan eisers veronderstellen, ligt het op de weg van degene die om handhaving verzoekt om duidelijk te verwoorden

waar het verzoek betrekking op heeft. Deze te verstrekken duidelijkheid gaat niet zo ver

dat degene die om handhaving verzoekt de exacte wettelijke bepaling, die volgens hem/haar wordt overtreden, benoemt. Wel wordt van diegene verwacht dat deze aangeeft of de gestelde overtreding betrekking heeft op milieuwetgeving dan wel ruimtelijke wetgeving

dan wel wetgeving met betrekking tot openbare orde aspecten. Nu eisers hun verzoek hebben beperkt tot hun stelling dat er sprake is van een (autodemontage)inrichting die handelt in strijd met de voor deze inrichting geldende milieuwetgeving, waarbij eisers bovendien specifiek hebben verwezen naar de volgens hen toepasselijke artikelen in het Besluit omgevingsrecht en naar het Activiteitenbesluit milieubeheer, heeft verweerder zich in het primaire besluit terecht beperkt tot de vraag of er inderdaad sprake is van een inrichting die in strijd met de voor deze inrichting geldende milieuwetgeving handelt.

Van een schending van het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb is dan ook geen sprake.

5.2.

Eerst in bezwaar hebben eisers gesteld dat de activiteiten op het perceel in strijd

zijn met de (gebruiks)regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De rechtbank oordeelt hierover dat het niet mogelijk is om hangende de bezwaarfase het onderliggende handhavingsverzoek uit te breiden. Gelet hierop heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat er, wat betreft de gestelde strijd met het bestemmingsplan, sprake is van een uitbreiding van het handhavingsverzoek en dat hierop

in het bestreden besluit niet nader zal worden ingegaan.

6. [eiser 1] heeft in beroep aangevoerd dat er op het perceel een extra woonwagen en

een container zijn geplaatst, zonder dat hiervoor vergunningen zijn verleend. Op een parkeerplaats in openbaar gebied staat een vrachtwagen geparkeerd, wat in strijd is met de

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dalfsen (hierna: APV). De container voor huisvuil en de bedrijfscontainer staan 365 dagen per jaar aan de openbare weg, wat eveneens in strijd is met de APV, aldus [eiser 1] .

7. De rechtbank constateert dat [eiser 1] het handhavingsverzoek hiermee uitbreidt hangende beroep. Dat is juridisch niet mogelijk. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.

8. De rechtbank oordeelt dat in rechte de vraag voorligt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een (autodemontage)-inrichting, zodat van het overtreden van milieuwetgeving geen sprake kan zijn en derhalve in het handhavingsverzoek geen grondslag is gelegen voor handhavend optreden.

De rechtbank zal enkel de beroepsgronden beoordelen die hier betrekking op hebben. Dit betekent dat de rechtbank de gronden die daarop geen betrekking hebben, niet zal bespreken.

Het inhoudelijke geschil

9. [eiser 2] en [eiser 3] voeren in beroep aan dat verweerders standpunt dat er geen sprake is van een inrichting, is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek. In dat kader hebben zij aangevoerd dat alle controles zijn uitgevoerd op maandagen en woensdagen, terwijl bij verweerder bekend is dat de ondervonden overlast met name plaatsvindt op de vrijdagen, zaterdagen en zondagen. Ook zijn er tijdens de controles geen foto’s gemaakt, waardoor niet nagegaan kan worden wat tijdens de controlebezoeken is geconstateerd. [eiser 2] en [eiser 3] hebben daarentegen wel foto’s gemaakt.

[eiser 2] en [eiser 3] hebben in hun beroepschrift verder aangevoerd dat verweerder (ambtshalve) had moeten onderzoeken of handhavend optreden wegens overtreding van artikel 4:6 van de APV een mogelijkheid is, nu zij in hun handhavingsverzoek ook hebben gesteld geluidsoverlast te ondervinden.

10. [eiser 1] voert in beroep aan dat de activiteiten een bedrijfsmatige omvang hebben. Zo zijn in 2017 86 auto’s gedemonteerd/verhandeld en is een snijbrander met gasflessen op het perceel gezien. Hiervan zijn foto’s gemaakt. De demontage-activiteiten vinden gedurende zes dagen per week plaats. Verder staan er in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel twee bedrijven op het perceel geregistreerd, waaronder een groothandel in schroot annex handel en reparatie van auto’s.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.1.

Onder een inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht (artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer).

11.2.

Uit het dossier, nader toegelicht ter zitting, blijkt dat er op de navolgende tijdstippen onaangekondigde controles op het perceel zijn uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente Dalfsen: maandag 24 april 2017 (15:30-16:00 uur), maandag 1 mei 2017, woensdag 3 mei 2017 (12:00-12:30 uur), maandag 8 mei 2017 (15:30-26:00 uur), woensdag 7 juni 2017 (14:00-14:30 uur), vrijdag 9 juni 2017, maandag 12 juni 2017 (14:00-14:30 uur), vrijdag 16 juni 2017 (11:15-11:45 uur), maandag 19 juni (15:45-16:15 uur), woensdag 21 juni 2017 (15:00-15:30 uur), maandag 26 juni 2017 (15:00-15:15 uur), woensdag 28 juni 2017 (13:30-14:00 uur), maandag 3 juli 2017 (14:15-14:45 uur), woensdag 5 juli 2017 (15:15-15:45 uur), maandag 10 juli 2017 (11:30-12:00 uur), woensdag 12 juli 2017 (11:00-11:30 uur), maandag 17 juli 2017 (14:30-15:00 uur), woensdag 19 juli 2017 (14:30-15:00 uur), maandag 24 juli 2017 (14:30-15:00 uur), woensdag 26 juli 2017 (11:30-11:50 uur) en woensdag 16 augustus 2017, 14:00 uur.

De bevindingen zijn neergelegd in controlerapporten. Hetgeen is geconstateerd is hierin beschreven; er zijn geen foto’s gemaakt. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd meegedeeld dat van het maken van foto’s is afgezien vanwege de privacy van de personen die op het perceel wonen.

11.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft verricht naar de aard en omvang van de activiteiten op het perceel. In een periode van enkele maanden zijn twintig onaangekondigde controles op het perceel uitgevoerd en is hetgeen al dan niet is aangetroffen/geconstateerd beschreven in de controlerapporten. De controles zijn uitgevoerd door ter zake deskundige personen die hiervoor zijn aangesteld door de gemeente Dalfsen en hun bevindingen zijn in de controlerapporten genoegzaam beschreven. Dat er geen foto’s zijn gemaakt tijdens de controles is uit oogpunt van privacy te begrijpen en betekent niet dat de bevindingen niet op waarheid zouden berusten

Ten aanzien van de stelling van [eiser 2] en [eiser 3] dat er op de verkeerde dagen is gecontroleerd, overweegt de rechtbank allereerst dat niet duidelijk is gemaakt op welke dagen de activiteiten nu precies zouden plaatsvinden. [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld dat de activiteiten voornamelijk in het weekend plaatsvinden, maar volgens [eiser 1] vinden de activiteiten zes dagen per week plaats. Daarbij komt dat er niet alleen op maandagen en woensdagen, maar ook op (twee) vrijdagen is gecontroleerd. Verder onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder, zoals neergelegd in zijn verweerschrift, dat het voornamelijk uitvoeren van activiteiten gedurende de weekenden ook een aanwijzing oplevert dat er geen sprake is van een op winst gerichte onderneming maar van een hobby.

Ten aanzien van de stelling van [eiser 1] dat de bevindingen van de toezichthouders niet overeenstemmen met de door hem ingebrachte foto’s, overweegt de rechtbank dat ter zitting onbestreden is gesteld dat deze foto’s zien op parkeerplaatsen buiten het perceel en dat aan de parkeeroverlast ter plaatse ondertussen een einde is gemaakt door het instellen van een parkeerverbod. Dat het voor eisers onmogelijk is om zelf foto’s op het perceel te maken, zoals ter zitting is gesteld, laat onverlet hetgeen de toezichthouders hebben geconstateerd en hebben neergelegd in de controlerapporten.

11.4.

De rechtbank voegt aan vorenstaande toe dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] ter zitting hebben ontkent dat er op het perceel sprake is van een inrichting. In dat kader heeft [belanghebbende 2] ter zitting meegedeeld dat hij een transportbedrijf heeft en dat hij in die hoedanigheid auto’s op een vrachtwagen vervoert. Deze vrachtwagen met daarop auto’s wordt soms tijdelijk op de parkeerplaatsen buiten het woonwagenkamp neer gezet. [belanghebbende 1] heeft ter zitting betoogd dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel geen andere betekenis heeft dan dat deze inschrijving is vereist voor het mogen beoefenen van hun hobby, te weten Benga racing. De auto(wrakken) worden na een race tijdelijk bij het perceel gestald en daarna afgevoerd.

De rechtbank acht het niet op voorhand onjuist of onaannemelijk dat de door eisers geconstateerde aan- en afvoer van auto’s verband houdt met deze activiteiten, in plaats van met een vermeende (autodemontage-)inrichting.

11.5.

Nu het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende is geweest, is van schending van het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb geen sprake.

12. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende onderzoek heeft uitgevoerd naar de aard en de omvang van de op het perceel ontplooide activiteiten. Op basis van deze bevindingen heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er op het perceel geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten dan wel van activiteiten in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Nu er geen sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, kan reeds hierom van het overtreden van milieuwetgeving geen sprake zijn. Verweerder heeft zich dan ook terecht niet bevoegd geacht om handhavend op te treden en het handhavingsverzoek afgewezen.

De verwijzing door [eiser 2] en [eiser 3] naar artikel 4.6, eerste lid, van de APV dat - kort samengevat - verbiedt buiten een inrichting geluidhinder te veroorzaken, gaat niet op, nu hun stelling dat sprake is van geluidsoverlast niet objectief is onderbouwd en geen steun vindt in de controlerapporten. Deze verwijzing leidt daarom niet tot een ander oordeel.

13. Het beroep is daarom ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.