Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2885

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
C/08/197954 / HA ZA 17-75
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op vernietiging erfrechtverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/197954 / HA ZA 17-75

vonnis van 1 augustus 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. D.P. Kant te Goor,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] , Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. G.H. Hoekman te Almelo.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 22 maart 2017;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- een nadere conclusie van de man tevens houdende overlegging producties;

- een antwoord conclusie van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1

Voor de vaststelling van de feiten wordt tevens verwezen naar voormeld vonnis in het incident. Ondertussen is ook tussen partijen het volgende komen vast te staan.

2.2

Als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd een getekende erfenisverklaring. Hierin staat:

“(…) [plaats 1] , 12 juli 2008

Erfenisverklaring / zekerheidsstelling [minderjarige 1] & [minderjarige 2]

Zoals vandaag in detail met elkaar besproken en duidelijk is, verklaren wij beide, [gedaagde] en [eiseres] dat de gelden afkomstig uit de levensverzekering welke ik, [gedaagde] door stortingen van mijn [vader] als voorschot op een toekomstige erfenis heb ontvangen uit de ABNAMRO verzekeringspolis, buiten de huwelijkse gemeenschap is en wordt gehouden en nimmer in onze huwelijkse gemeenschap kan vallen. Het één en ander reeds bevestigd in de brief van 24 juni 1991 aan de ABN AMRO te [plaats 2] .

Mij, [eiseres] is dit bekend en ik stem in dat ik in geen enige vorm aanspraken kan maken en/of maak op deze gelden of welk financieel voortvloeisel hiervan.

Mocht mij, [gedaagde] onverhoopt wat gebeuren, waardoor ik niet meer bij machte ben om zelfstandig beslissingen te maken dan wel kom te overlijden, gaan alle financiële rechten over op mijn 2 kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In dit geval wordt mijn [vader] de rechthebbende op het beheer van dit vermogen en/of financiële transacties die uit dit vermogen zijn gedaan, totdat mijn kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de leeftijd van 18 jaar bereiken.

[vader] is in dit geval verantwoordelijk om zorg te dragen dat bij het bereiken van de 18 jarige leeftijd van [minderjarige 1] en hierna [minderjarige 2] , voor beide kinderen een bedrag van minimaal de helft van mijn vermogen toekomt.

Aldus verklaard en getekend, (…)”

2.3

De erfenisverklaring is ook als productie bij de conclusie van antwoord van

7 september 2011 in de verdelingsprocedure in het geding gebracht. De vrouw heeft in de verdelingsprocedure in haar conclusie van repliek van 9 mei 2012 ten aanzien van de erfenisverklaring gesteld:

“(…) 22. Daar komt nog bij dat de vrouw zich in het geheel niet het feit kan herinneren dat ze het betreffende document van 12 juli 2008 zou hebben getekend. Nota bene de man geeft in zijn conclusie van antwoord aan – pagina 5- dat de vrouw ten tijde van het huwelijk gebukt ging onder een medicijnverslaving en dat zij daardoor niet deugdelijk in staat zou zijn om voor haar kinderen te zorgen. Blijkbaar achtte de man haar wel in staat om een dergelijke verklaring te tekenen welke ook nimmer bekend is gemaakt aan de raadsman van de vrouw. Voor zover van vereist beroept de vrouw zich dan ook op vernietiging van deze verklaring van 12 juli 2008.(…)”

2.4

De rechtbank heeft op 16 januari 2013 in de verdelingszaak uitspraak gedaan. Deze uitspraak is niet overgelegd. De vrouw is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Uit het arrest van het gerechtshof van 21 juli 2015 volgt dat de rechtbank bij het bestreden vonnis van 16 januari 2013 in conventie de vorderingen van de vrouw heeft afgewezen en haar heeft veroordeeld in de kosten van de procedure en in reconventie heeft verstaan dat aan de voorwaarden waaronder de vordering is ingesteld niet is voldaan, zodat niet aan de vordering wordt toegekomen.

2.5

Het hof heeft overwogen onder 4.9, voor zover hier van belang:

“(…) Tot slot vermeldt het hof dat de vrouw in de toelichting bij grief 1 weliswaar de zogenaamde erfenisverklaring van 12 juli 2008 ter discussie stelt in die zin dat zij zich ten aanzien van de totstandkoming daarvan beroept op een wilsgebrek (ex artikel 3:44 BW) en vernietiging vordert, doch zij herhaalt deze vordering niet in het petitum. Het hof kan daarover dan ook geen oordeel geven (artikel 23 Rv), nog los van het antwoord op de vraag wat de relevantie hiervan zou zijn voor de beoordeling van de (primaire) vordering tot betaling van € 50.000,- plus rente op de grondslag van opzettelijke verzwijging (van de aflossing van die schuld) ex artikel 3:194 lid 2 BW. (…)”

2.6

Het bovengenoemd arrest is onherroepelijk.

2.7

De vrouw vordert thans dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de erfenisverklaring van 12 juli 2008 op deugdelijke gronden en tijdig door de vrouw is vernietigd, althans dat deze erfenis verklaring dient te worden vernietigd, althans nietig is.

2.8

Als meest verstrekkende verweer beroept de man zich op verjaring. De man stelt hiertoe dat de vrouw vanaf 13 juli 2008, zijnde de datum van ondertekening van de erfenisverklaring, op de hoogte is geweest van de inhoud en strekking van deze verklaring. Subsidiair stelt de man dat nu het bestaan en de inhoud van de verklaring in de toenmalige procedure is ingebracht bij CvA d.d. 7 september 2011, er vanaf dat tijdstip sprake is van verjaring. De vrouw concludeert dat er geen sprake van kan zijn dat haar vordering in deze is verjaard omdat de vernietiging door de vrouw tijdig is uitgesproken.

2.9

De rechtbank oordeelt als volgt. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren in geval van misbruik van omstandigheden drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en in geval van dwaling of bedrog drie jaren nadat dit is ontdekt. De vrouw was in ieder geval op 7 september 2011 op de hoogte van de inhoud van de verklaring. Zij heeft voor het eerst bij dagvaarding van 29 december 2016 een vordering dienaangaande ingesteld. De vordering tot vernietiging van de erfenisverklaring althans het nietig verklaren hiervan is dan ook verjaard.

2.10

De vrouw vordert tevens te verklaren voor recht dat zij de erfenisverklaring op deugdelijke gronden en tijdig heeft vernietigd. De vrouw stelt hiertoe dat zij de erfenis verklaring tijdig door een buitengerechtelijke verklaring heeft vernietigd op 9 mei 2012 dan wel op 2 juli 2013. Genoemde data zijn door de man niet betwist. Van verjaring van die vordering is dan geen sprake. Aan de orde is of de vrouw de overeenkomst op deugdelijke gronden heeft vernietigd.

2.11

Ten aanzien van de vernietiging van de erfenisverklaring op 9 mei 2012 heeft de rechtbank in de verdelingsprocedure kennelijk reeds geoordeeld dat daarvoor geen gronden zijn aangevoerd. Aan de orde is dan of de vrouw de erfenisverklaring op 2 juli 2013 op deugdelijke gronden heeft vernietigd. De vrouw verwijst hiervoor in het bijzonder naar de punten 5.9 tot en met 5.18 van haar memorie van grieven van 2 juli 2013 (productie 5 CvA). Zij beroept zich er hierin op dat zij is misleid en bedrogen ex artikel 3:44 BW en dat er sprake is van misbruik van omstandigheden.

2.12

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

2.13

Ter onderbouwing van haar beroep op bovengenoemde wilsgebreken stelt de vrouw dat uit de brief van de man van 31 januari 2011 (productie 7) volgt dat de man op 23 juli 2008 (moment van tekenen van de vaststellingsovereenkomst van productie 1) niet wist dat zijn vader ten aanzien van de gelden uit de levensverzekering had bepaald dat deze niet in enige huwelijksgoederengemeenschap met de vrouw vielen en dat partijen dus niet op 12 juli 2008 een erfenisverklaring hierover hebben kunnen afsluiten (dagvaarding 3.2.4). Tevens stelt de vrouw ter onderbouwing dat zij niet op 12 juli 2008 de erfenisverklaring kan hebben getekend en dat deze dus door de man valselijk moet zijn opgemaakt alsmede dat zij in die periode verslaafd is geweest aan medicijnen, zodat zij geen weloverwogen beslissing heeft kunnen nemen. De vrouw heeft tevens gesteld dat de man kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn macht om de vrouw positief te stemmen, door de vrouw op 11 juni 2008 weer omgang met haar kinderen te beloven in ruil waarvoor hij de vrouw een handtekening heeft ontlokt. De vrouw verwijst hiervoor naar email correspondentie tussen partijen van

12 juni 2008 (productie 14 bij productie 12). Hierin staat:

Van [gedaagde] aan [eiseres]

“(…) Hai [eiseres] , ben heel blij dat we er eindelijk uit zijn samen, dank je. Gisteren heb ik je beloofd door te mailen wat we hebben afgesproken. Dit kun je doorsturen naar je advocaat. Ik zal dat ook doen. (…)”

Van [eiseres] aan [gedaagde]

“(…) nou is toch prima,

ik heb mijn advocaat gebeld waren net op tijd.

Nee hij hoeft geen kopie hebben.

Dat hoeft nooit als je er samen uitkomt.

Nou en ik heb handtekening er onder gezet, jij ook, krijgen we ruzie, staat het duidelijk op papier. Ik vond het gezellig met jou gister, samen een glaasje haha maar eindigde niet zoals het altijd eindigd hahaha

alle prima ik krijg 26 de keuken, kijken of ik er eerder in kan want scheelt met bed en kast uitelkaar halen enzo

alles in de keuken wat niet meeneem kun je uitzoeken of jij nog wat wil.

ja buro hoeven we ook niet mee te slepen, morgen brengen ze de nieuwe bankstel, die laat ik hier dan ook staan, probeer te verkopen op marktplaats, maar niet voor niets hoor!!!! ik overleg eerst met jou [gedaagde] .

Vergeten wanneer de kinderen komen, nou morgen moet ik nog achter gordijnen aan enzo das lastig zondag morgen?? Zonder toezicht? laat me genieten van hun. moet pa extra weer hierheen en duurd niet lang meer dan komen ze sowieso wel zonder toezicht bij mij slapen. [gedaagde] , jij zegt het maar oke? Vind alle bei oke, maar de laatste het beste. mail je dat nog even.

nou vriend sms je over tv, oke?

Kan zondag mee bij pa in de auto naar [plaats 3] en zal alvast die andere dingen zoeken en kijken wat meekan.

Groetjes [eiseres] ”

2.14

Van het bewegen door de man van de vrouw tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling, door een opzettelijk gedane onjuiste mededeling, verzwijgen van een feit of een kunstgreep, volgt hieruit niet. Van bedrog is derhalve geen sprake.

2.15

Dat de man de vrouw in bijzondere omstandigheden heeft bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling volgt hieruit evenmin. Hiervoor heeft de vrouw bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld over de situatie ten tijde van het tekenen van de verklaring. Ook uit bovenvermelde mailcorrespondentie van 12 juni 2008 en de door de man overgelegde sms-berichten (productie 3 CvA) tussen de man en de vrouw van 13 juli 2008 volgt niet dat sprake is geweest van ‘in bijzondere omstandigheden bewegen tot’. Bovendien volgt uit de mail van 12 juni 2008 dat partijen wel vaker samen afspraken over de verdeling maakten zonder dat de advocaat erbij was. Uit de mail volgt zelfs dat de advocaat geen kopie van de gemaakte afspraken hoefde te ontvangen, dat dit nooit hoeft als ze er samen uitkwamen. Dat de vrouw niet in staat was om weloverwogen beslissingen te nemen volgt hieruit evenmin noch dat de man hiervan op de hoogte had dienen te zijn. Eerder het tegendeel volgt hieruit.

2.16

Dat de vrouw niet in staat was een rechtshandeling te verrichten, zoals zij stelt, en dat dit voor de man duidelijk had behoren te zijn volgt ook uit andere stukken niet. De man heeft deze stelling van de vrouw bovendien gemotiveerd weersproken door te adstrueren dat de vrouw andere (bank)stukken in die periode ook heeft getekend. Tevens verwijst de man naar de verklaring van de huisarts van 24 juni 2008 (productie 2 CvA), waarin staat: “(…) Na inschakeling van de kinderbescherming is ze in contact gekomen met het cad en ze gebruikt geen overbodige medicatie meer. Ze heeft andere manieren gevonden om met haar spanningen om te gaan. Ik vind haar beter functioneren dan ooit (…) ik denk dat ze nu goed in staat is om wat langer voor ze te zorgen (…)”.

Dat de vrouw de erfenisverklaring in 2013 op deugdelijke gronden heeft vernietigd volgt uit het bovenstaande derhalve niet.

2.17

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar vordering tevens dat zij de erfenisverklaring niet heeft ondertekend, dat de handtekening op de erfenisverklaring niet haar handtekening kan zijn en deze door de man valselijk moet zijn opgemaakt (dagvaarding 2.10 en CvR 5.2). Een onderzoek door een handschriftdeskundige naar de echtheid van haar handtekening, als door de man voorgesteld, wil de vrouw niet, zij acht dit niet relevant.

In de conclusie van repliek onder 6 stelt de vrouw hiertoe dat: “als de man de vrouw destijds op slinkse wijze een document onder ogen heeft geschoven met het verzoek daarop haar handtekening te zetten, waarna de vrouw heeft getekend, het ongetwijfeld zo zal zijn dat de handtekening van de vrouw echt is, maar dit nog niet met zich meebrengt dat de vrouw de erfenisverklaring heeft ondertekend” (de rechtbank begrijpt: de overeenkomst is aangegaan).

Dat de man bovenstaande daadwerkelijk heeft uitgevoerd, stelt de vrouw echter niet. Feiten en omstandigheden ter onderbouwing hiervan stelt de vrouw evenmin.

2.18

De rechtbank is van oordeel dat de stelling dat het niet haar handtekening is op de erfenisverklaring, bovendien strijdig is met bovenstaande stelling dat er sprake is van een wilsgebrek ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Ook gelet hierop dient de vordering te worden afgewezen. Of de handtekening van de vrouw onder de erfenis verklaring wel of niet haar handtekening is, is in deze procedure overigens niet relevant omdat de stelling dat zij niet heeft getekend en dus niet de overeenkomst is aangegaan niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.

2.19

De vrouw heeft voor het overige geen feiten en of omstandigheden gesteld die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank niet toe. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.

2.20

De rechtbank zal de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure als gevorderd.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man begroot op € 287,- wegens griffierecht en € 1.086,- aan salaris van de advocaat.

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en op 1 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.