Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2879

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
08/770123-18 (P) en 08/231138-16 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 35-jarige man tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast moet de man een bedrag aan schadevergoeding betalen aan zijn slachtoffer van ruim 200 euro en moet hij een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken uitzitten. De man heeft met opzet geprobeerd zijn minderjarige slachtoffer ontuchtige handelingen bij hem te laten verrichten door hem daarvoor een bedrag van 600 euro te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/770123-18 (P) en 08/231138-16 (tul)

Datum vonnis: 9 augustus 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

nu verblijvende in Vught PPC te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. I. Mercanoglu, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de (subsidiaire) tenlastelegging van 26 juli 2018, kort en zakelijk weergegeven op neer, dat verdachte, primair, geprobeerd heeft een minderjarige te bewegen tot het dulden van ontucht, dan wel, subsidiair, een minderjarige een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk om ontuchtige handelingen met hem te plegen (grooming).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2018 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en/of beloften van geld, te weten: de toezegging dat hij, verdachte, een bedrag van zeshonderd euro zou betalen, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen een of meer ontuchtige handelingen, te weten het in de mond nemen van diens penis en/of (vervolgens) die [slachtoffer] oraal te bevredigen, te dulden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 03 mei 2018 te Enschede, in de

gemeente Enschede, (telkens) door middel van een geautomatiseerd werk en/of

met gebruikmaking van een communicatiedienst, [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 2003, van wie verdachte wist of derdelijkerwijs moest vermoeden dat deze persoon de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, één of meermalen een ontmoeting met hem, verdachte, heeft voorgesteld, met het oogmerk om ontuchtige handelingen, te weten het oraal bevredigen van die [slachtoffer] , met die [slachtoffer] te plegen, immers heeft hij, verdachte één of meermalen telefonisch contact opgenomen en/of onderhouden en/of (daarbij) met die [slachtoffer] afgesproken hem te ontmoeten in de avonduren (tijd) en/of

(daarbij) plaats (Enschede) en/of locatie (woning van [slachtoffer] , gelegen aan de

[adres 2] ) kenbaar gemaakt, teneinde (voornoemde) ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, gelet op de aangifte, de verklaring van slachtoffer [slachtoffer] , het proces-verbaal van bevindingen met daarin uitgewerkt het telefonisch contact tussen verdachte en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), de verklaring van getuige [getuige] , de verklaring van verdachte in raadkamer en de eigen aangifte van verdachte. De verklaring van verdachte ter zitting acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Met betrekking tot het primair tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie tot vrijspraak geconcludeerd, waartoe zij heeft aangevoerd dat op basis van de zich in het procesdossier bevindende bewijsmiddelen wellicht tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde kan worden gekomen maar dat, alles overziend, verdachtes gedragingen beter passen bij grooming dan bij een poging het slachtoffer te bewegen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat alle voor verdachte belastende verklaringen en bevindingen die zijn vergaard vanaf het telefonisch contact tussen verdachte en het slachtoffer op 3 mei 2018, van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu dat telefonisch contact door de familie van [slachtoffer] is geïnitieerd en er derhalve sprake is van (ongeoorloofde) uitlokking. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat verdachtes gedragingen, voor zover bewezen, niet zijn te kwalificeren als een verleiding van een minderjarige tot seks, nu verdachte herhaaldelijk heeft aangegeven niet de bedoeling te hebben gehad seks met de minderjarige te willen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bewijsuitsluiting

Het door de raadsman gevoerde betoog dat alle voor verdachte belastende verklaringen en bevindingen die zijn vergaard vanaf het telefonisch contact tussen verdachte en het slachtoffer op 3 mei 2018, van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu dat telefonisch contact door de familie van [slachtoffer] is geïnitieerd en derhalve (ongeoorloofd) is uitgelokt, wordt door de rechtbank verworpen, nu dit betoog geen steun vindt in de wet. Voor zover er al sprake zou zijn van uitlokking, zou die uitlokking tot straffeloosheid van verdachte kunnen leiden, indien de uitlokkingsmiddelen op ongeoorloofde wijze zijn ingezet door een opsporende instantie. Dat is hier niet het geval.

De rechtbank stelt, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting, het volgende vast.

Verdachte heeft ter terechtzitting wisselend verklaard over het hem tenlastegelegde. Op de eerste daartoe aan hem door de voorzitter gestelde vraag omtrent zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde, antwoordt verdachte dat hij, na [slachtoffer] en [getuige] te hebben ontmoet, op
3 mei 2018 naar de woning van [slachtoffer] heeft gebeld en dat tijdens dat gesprek werd gesproken over pijpen en € 600,--. Aanvankelijk verklaart hij niet te hebben geweten dat hij [slachtoffer] aan de lijn had maar dat hij dat pas vernam toen [slachtoffer] zijn naam noemde. Hij heeft [slachtoffer] daarbij herhaaldelijk gevraagd of [slachtoffer] wel alleen thuis was omdat hij geen trammelant wilde.

In het vervolg van zijn verklaring zegt verdachte dat hetgeen hem ten laste wordt gelegd best kan kloppen, maar dat hij zich niet meer kan herinneren wat hij op 3 mei 2018 tegen [slachtoffer] heeft gezegd en of toen het pijpen en de 600 euro aan de orde zijn geweest. Vervolgens verklaart hij desgevraagd dat de verklaring die hij op 16 mei 2018 bij de raadkamer heeft afgelegd klopt aangezien hij op dat moment zich nog wel wist te herinneren wat er op 3 mei 2018 was gebeurd. Datzelfde geldt volgens verdachte ook voor hetgeen hij op 22 mei 2018 in zijn aangifte van mishandeling tegenover de verbalisant heeft verklaard.2

Op 16 mei 2018 heeft verdachte in raadkamer verklaard dat het klopt dat hij tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij hem wilde pijpen en dat hij hem daarvoor 600 euro heeft aangeboden.3

Op 22 mei 2018 heeft verdachte verklaard dat hij op 3 mei 2018 heeft gebeld met [slachtoffer] en aan [slachtoffer] heeft gevraagd of hij hem voor 600 euro wilde pijpen.4

De getuige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2003, heeft, op daartoe door verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] gestelde vragen , zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

Zeven dagen geleden heb ik een man ontmoet op het station in Enschede. Ik heb mijn telefoonnummer in zijn telefoon gezet. Hij heeft mij vervolgens iedere dag gebeld. Op een gegeven moment zijn mijn vriend [getuige] en ik naar zijn woning gegaan. Daar heb ik hem vragen gesteld. Hij was 27 jaar. Ik heb hem gezegd dat ik 16 jaar oud was. Omdat ik hem niet vertrouwde heb ik hem niet verteld dat ik jonger was. Nadat wij hem weer bij het nachtvissen hadden gezien, kwam [getuige] de man tegen. [getuige] belde mij daarna op om te zeggen dat ik met hem op moest passen omdat de man tegen hem had gezegd: “mag ik je pijpen, dan krijg je 600 euro”. Ik was op dat moment thuis. Een half uur daarna heeft de man mij thuis gebeld. Hij vroeg of ik kon chillen. Ik wilde weten wat de man tegen mij zou zeggen. Ik wilde zeker weten of dat wat [getuige] zei, klopte. Ik heb gezegd dat hij naar het winkelcentrum moest komen, maar ik ben niet gegaan omdat ik hem niet vertrouwde. Toen kwam mijn moeder thuis. Ik zei dat de man mij en [getuige] wilde pijpen voor 600 euro. Ongeveer vijf minuten later heb ik de man teruggebeld. Ik vroeg toen of hij nog wilde afspreken. Hij belde terug op mij moeders telefoon. Hij zei toen: “ik wil jou wel pijpen”.5

De getuige [getuige] heeft, op daartoe door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] gestelde vragen, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

[slachtoffer] is een jeugdvriend van mij die ik een paar weken terug weer tegen kwam. Ik weet dat het onderzoek gaat over en man die [verdachte] heet of zoiets. Het begon er mee dat hij een keer met ons kwam meelopen en wij in het Volkspark gingen zitten. Hij bleef daarna bellen. Vooral [slachtoffer] belde hij veel. Op donderdag 3 mei 2018 belde hij mij. Ik wilde met hem afspreken want ik dacht, [slachtoffer] is 15 jaar oud en ik wilde weten wat de man in zijn schild voerde. Ik dacht, als ik alleen met hem afspreek, misschien vertelt hij het dan tegen mij. We spraken met elkaar af in de stad. Op weg naar het Volkspark begon hij rare dingen te zeggen. Het kwam er op neer dat hij mij erg lekker vond en dat hij mij 600 euro aanbood als hij mij mocht pijpen. Ik heb hem gezegd dat ik dat niet wou. Onderweg naar huis belde [slachtoffer] mij. Ik heb [slachtoffer] gewaarschuwd dat de man wat in zijn schild voerde en dat hij voor de man moest oppassen. Ik heb [slachtoffer] gezegd dat de man mij wilde pijpen voor 600 euro. Tijdens het stuk dat de man en ik vanaf zijn huis naar het Volkspark liepen zei hij tegen mij dat hij [slachtoffer] ook wel wilde zuigen of pijpen. Ik heb [slachtoffer] gezegd dat hij heel voorzichtig moest zijn over het aanbod van geld voor pijpen en dat [verdachte] tegen mij had gezegd dat hij dat ook wel bij [slachtoffer] wilde doen. [verdachte] wist dat ik net 18 jaar oud was geworden en dat [slachtoffer] bijna 16 jaar werd. Dat hadden wij hem verteld toen hij ons zei hoe oud hij was.6

Verdachtes wetenschap omtrent de leeftijd van verdachte

Verdachtes verklaring dat hij niet wist dat [slachtoffer] op 3 mei 2018 de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt, acht de rechtbank, gelet op de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, ongeloofwaardig. Zowel [slachtoffer] als [getuige] hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat verdachte bekend was met feit dat [slachtoffer] 16 jaar oud was en dus nog geen 18 jaar oud. Met name gelet op de gedetailleerdheid met betrekking tot de plaats en het moment waarop zij een en ander aan verdachte kenbaar hebben gemaakt, heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verdachte geprobeerd heeft het slachtoffer, waarvan hij wist dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 3 mei 2018 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door beloften van geld, te weten: de toezegging dat hij, verdachte, een bedrag van zeshonderd euro zou betalen, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, van wie hij, verdachte, wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen, te weten het in de mond nemen van diens penis en vervolgens die [slachtoffer] oraal te bevredigen, te dulden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 248a jo artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

het misdrijf: poging tot door beloften van geld een persoon, waarvan de dader weet dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het primair bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de voorwaarden zoals die worden genoemd in de omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in het geval van een bewezenverklaring, naast een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf, te volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft met zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag de belangen van het nog jonge slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeften en lustgevoelens. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijk integriteit van het slachtoffer en door toedoen van verdachte is, zoals ter zitting is gebleken, het vertrouwen van het slachtoffer in anderen ernstig aangetast. Dat verdachtes gedrag uiteindelijk niet tot seksueel contact tussen verdachte en het slachtoffer heeft geleid, is niet de verdienste van verdachte geweest. De impact die verdachtes gedrag op het slachtoffer heeft gehad wordt nog eens verwoord in de door de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte in het voegingsformulier opgenomen verklaring. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die met name worden beschreven in de omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage, waarin onder meer melding wordt gemaakt dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van de verdachte van 18 juni 2018. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor onder andere bedreigingen en vermogensfeiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bij de strafoplegging het accent dient te liggen op de begeleiding en hulpverlening van verdachte. De rechtbank zal mede in verband daarmee een belangrijk deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk doen zijn teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst andermaal aan strafbare feiten, schuldig te maken.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[betrokkene] heeft zich als wettelijke vertegenwoordiger van haar zoon, [slachtoffer] , namens hem als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 205,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit materiële schade (reiskosten).

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu deze vordering niet met feiten is onderbouwd en er bovendien geen relatie bestaat tussen het gevorderde bedrag en hetgeen aan verdachte tenlastegelegde wordt gelegd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is, mede door de toelichting ter zitting, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 205,20, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 08/231138-16)

De officier van justitie heeft gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven van een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De raadsman heeft om afwijzing van de vordering verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 14d Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: het misdrijf: poging tot door beloften van geld een persoon, waarvan de dader weet dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 7 (zeven) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- verdachte meldt zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland, in Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan het laten uitvoeren van diagnostiek

door een psycholoog en/of psychiater;

- verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Stichting Trajectum of

een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt

de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt

zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de

behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij

ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op

risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een

kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, stabilisatie, observatie of

diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende

klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te

bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De

kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de

reclassering nodig vindt.

- verdachte verblijft gedurende de proeftijd in een instelling voor beschermd wonen of

maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele

proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan

de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering

voor hem heeft opgesteld.

- verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan het aflossen van zijn schulden en

het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan

schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

- verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- verdachte werkt mee aan het krijgen en behouden van passende dagbesteding.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 205,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het primair bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 205,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 4 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Overijssel van 16 februari 2017 met parketnummer 08-231138-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. U. van Houten en mr. E.J.M. Bos rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer 1] van 6 mei 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juli 2018, waaronder de bekennende verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal van de strafraadkamer van 16 mei 2018, waaronder de verklaring van verdachte.

4 Het proces-verbaal van aangifte ter zake van eenvoudige mishandeling, dossiernummer [nummer 2] van 22 mei 2018.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] van 4 mei 2018, pagina’s 29 t/m 35.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 6 mei 2018, pagina’s 39 t/m 44.