Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2784

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
08-760172-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige man is veroordeeld voor brandstichting in de voortuin van zijn ouders in Zwolle en daarmee de bedreiging van hen. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van 472 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Zo moet de man zich laten behandelen en heeft hij een locatie- en contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-760172-17 (P)

Datum vonnis: 2 augustus 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats 1] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: op 3 september 2017 brand heeft gesticht in de voortuin van zijn ouders waardoor gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen is ontstaan;

feit 2: in de nacht van 3 september 2017 zijn ouders heeft bedreigd door brand te stichten in hun voortuin.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 03 september 2017 te Zwolle, althans in Nederland,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, opzettelijk brand heeft gesticht in de (voor)tuin van de woning, gelegen aan de [adres] door open vuur in aanraking te brengen met een (bloem)pot, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan voornoemde (bloem)pot geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor:

- voornoemde woning en/of

- in de tuin begevende planten en/of bomen en/of bloemen en/of

- overige onroerende danwel roerende goederen die zich in de directe nabijheid

van die (bloem)pot stonden/bevonden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor de zich in voornoemde woning bevindende personen [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of andere zich in omliggende woningen bevindende

personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woning

bevindende personen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of andere zich in

omliggende woningen bevindende personen, in elk geval voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen

te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 03 september 2017 te Zwolle, althans in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- zich met een hoeveelheid benzine, althans een brandversnellend middel en/of vluchtige (vloei)stof naar voornoemde woning te begeven en/of

- een hoeveelheid benzine, althans een brandversnellend middel en/of vluchtige (vloei)stof over de (voor)tuin van voornoemde woning te gieten en/of sprenkelen en/of

- een hoeveelheid benzine, althans een brandversnellend middel en/of vluchtige (vloei)stof over en/of tegen de (voor)deur van voornoemde woning te gieten en/of sprenkelen en/of

- een hoeveelheid benzine, althans een brandversnellend middel en/of vluchtige (vloei)stof over een (bloem)pot te gieten en/of sprenkelen en/of

- de (bloem)pot en/of (vloei)stof aan te steken, althans met (open) vuur in aanraking te brengen en/of

- de (brandende) bloempot richting de (voordeur) van de woning te schoppen en/of gooien en/of duwen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

In de nacht van 3 september 2017 heeft verdachte brand gesticht in een bloempot in de voortuin van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijn ouders.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit en subsidiair - ten aanzien van feit 1 - vrijspraak van het bestanddeel ‘gemeen gevaar voor personen (zwaar lichamelijk letsel) en onroerende zaken’.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard2 dat hij op 3 september 2017 door zijn buurman, die bij hem was gekomen, werd aangesproken met de vraag wat er aan de hand was. Aangever heeft daarop gezien dat in zijn voortuin een bloempot verbrand was en dat die bloempot omgevallen was in de richting van de woning.

Op de door aangever bekeken camerabeelden heeft hij gezien dat omstreeks 03.20 uur een man is komen aanlopen. Hij heeft de man herkend als zijn zoon [verdachte] , zijnde verdachte. Hij heeft gezien dat de man een grote jerrycan bij zich droeg en dat de man al gietend met de jerrycan voor de woning langsliep. Vervolgens is de man al schenkend met de jerrycan de voortuin ingelopen. Toen de man de camera zag en in beeld was, ging de camera kort daarna op ‘zwart’.

Verdachte heeft ter zitting verklaard3 dat hij op 3 september 2017 met een jerrycan met een inhoud van één liter benzine en een jerrycan zonder inhoud naar de woning van zijn ouders in Zwolle is gegaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij die dag woedend was op zijn vader als gevolg van een gesprek dat hij twee dagen daarvoor met zijn broer had gehad over hun vader en dat maakte verdachte boos. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de lege jerrycan heeft gevuld met water uit de in de nabijheid van de woning van zijn ouders gelegen sloot. Met het water in die jerrycan heeft hij de voortuin besprenkeld om te voorkomen dat de brand zich zou uitbreiden. De jerrycan met benzine heeft hij leeggegoten in de bloempot, waarna hij de benzine heeft aangestoken. Daardoor is een steekvlam ontstaan. De bloempot heeft verdachte vervolgens uit woede omgeschopt.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij het water langs de grensafscheiding van de voortuin heeft gegoten omdat hij niet wilde dat “de hele boel” in brand zou vliegen.

Verdachte heeft verklaard geen opzet te hebben gehad om zijn ouders iets aan te doen.

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd4 dat op de door hem bekeken camerabeelden is te zien dat op tijdstip 03:21:04 een persoon weer in beeld verschijnt. Die persoon loopt gebukt en houdt met beide handen de jerrycan ondersteboven. Hierbij giet de persoon een vloeistof over de grond en al lopend giet de persoon de vloeistof voornamelijk langs de grenzen van de voortuin.

Verbalisant [verbalisant] heeft een monster genomen van de plek in de voortuin dichtbij de rand van het trottoir waar de man veel vloeistof gesprenkeld had. Tevens is de bovenzijde van de verbrande bloempot bemonsterd.5 Het Nederlands Forensisch Instituut6 heeft na onderzoek van die monsters geconcludeerd dat in beide monsters vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in een bloempot in de voortuin van aangever ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor de woning van aangever en de beplanting in zijn tuin is ontstaan. Hoewel het gevaar voor de woning beperkt is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat op het moment dat de steekvlam in de bloempot ontvlamde, er een moment van gevaar voor de (verf op de) gevel van de woning is geweest.

De rechtbank acht niet bewezen dat als gevolg van de brand levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – ouders van verdachte – of andere in de omliggende woningen bevindende personen is ontstaan. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Naar aanleiding van de brand is sporenonderzoek gedaan in de voortuin van aangever. Daarbij zijn onder meer sporen van een beperkt gebleven brand in de bloempot, zo blijkt ook uit foto’s in het dossier, en een patroon van vloeistof dat is verdampt op de voordeur van de woning geconstateerd. De bovenzijde van de bloempot is bemonsterd. Tevens is naar aanleiding van de camerabeelden een monster genomen van de plek in de voortuin dichtbij de rand met het trottoir waar verdachte veel vloeistof gesprenkeld had. Uit onderzoek is gebleken dat de monsters vluchtige stoffen van motorbenzine bevatten.

Op basis van deze onderzoeken en hetgeen zich verder in het dossier bevindt, acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig om te oordelen dat door de brand levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan. Naar het patroon op de voordeur is geen onderzoek gedaan en verdachte heeft ontkend dat hij op of bij de voordeur vloeistof heeft gesprenkeld. Daarbij is ook niet vast komen te staan dat als de plaats in de tuin – dichtbij het trottoir waar veel vloeistof gesprenkeld is – vlam zou hebben gevat of zou zijn aangestoken, er levensgevaar voor personen of zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte zijn ouders heeft bedreigd met zware mishandeling (feit 2). Door het in de brand steken van een bloempot in de voortuin en deze vervolgens om te schoppen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank moeten weten, dat deze handeling een redelijke vrees bij zijn ouders

teweeg zou kunnen brengen, wat blijkens de slachtofferverklaringen ter zitting ook daadwerkelijk het geval is geweest.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 3 september 2017 te Zwolle, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, opzettelijk brand heeft gesticht in de voortuin van de woning, gelegen aan de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bloempot gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en zich in de tuin bevindende planten en/of bomen en/of bloemen en overige roerende goederen die zich in de directe nabijheid van die bloempot bevonden te duchten was;

2.

op 3 september 2017 te Zwolle, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een hoeveelheid benzine over een bloempot te gieten en aan te steken, en de brandende bloempot richting de woning te schoppen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen met aftrek alsmede 2 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in haar rapport van 6 juli 2018 geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft in haar eis rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De officier van justitie heeft tevens gevorderd om, gezien het recidivegevaar, de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, er rekening mee moet worden dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verder heeft de verdediging het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden bepleit.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting en - door die brandstichting - bedreiging met de dood en/of zware mishandeling. Verdachte heeft in de nacht in de voortuin van zijn ouders een bloempot met benzine overgoten, aangestoken en vervolgens de bloempot omgeschopt in de richting van de gevel van het huis. Als gevolg daarvan is niet alleen schade aan en rond de woning ontstaan, ook voelen zijn ouders zich door de brandstichting bedreigd en angstig. Brandstichting is in zijn aard een ernstig en gevaarlijk delict. Daarnaast veroorzaakt brandstichting de nodige schrik en ongemak bij de direct betrokkenen en is het delict in zijn algemeenheid zeer verontrustend voor de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte dan ook aan dat hij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot zijn daad is gekomen.

De rechtbank acht ook het volgende van belang. Uit de rapporten van drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, en dr. T.W.D.P. van Os, psychiater, van respectievelijk 18 november 2017 en 23 november 2017, betreffende verdachte is naar voren gekomen dat verdachte een traumatische jeugd heeft gekend die gekenmerkt wordt door geweld door zijn vader en een gebrek aan steun en bescherming door zijn moeder. Zijn psychische problemen zijn, na nog jarenlang redelijk te hebben kunnen functioneren, meer zichtbaar geworden op het moment dat hij zelf vader werd en wat zich heeft geuit in onder meer (huiselijk) geweld en psychotische klachten. De deskundigen zijn tot de gezamenlijke conclusie gekomen dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS) met agressieve impulsiviteit, nachtmerries, herbelevingen en vermijdingsdrang. De PTSS en de psychotische kwetsbaarheid zijn volgens de psychiater grotendeels verklarend door de symptomen. Beide deskundigen hebben geadviseerd verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies en de adviezen die gedegen zijn onderbouwd, en de rechtbank zal deze adviezen dan ook overnemen.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 6 juli 2018, opgemaakt door T. Fick, waaruit blijkt dat de reclassering een meldplicht, begeleiding, een (klinische) behandeling van verdachte, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een middelenverbod en een contact- en locatieverbod jegens zijn ouders noodzakelijk acht.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 juni 2018 waaruit blijkt dat verdachte met betrekking tot brandstichting geen eerdere feiten op zijn naam heeft staan.

Gelet op het voorgaande en gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De duur van de voorwaardelijk op te leggen straf zal de rechtbank bepalen op één jaar. De duur van het onvoorwaardelijk op te leggen deel zal de rechtbank gelijk laten zijn aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte hoeft daarmee niet terug naar de gevangenis, maar kan het reeds in gang gezette traject in FPA Assen, waarvan ter zitting is gebleken en ook door verdachte is bevestigd dat het verblijf en de behandeling hem goed doen, voortzetten. Het opleggen van een langere gevangenisstraf zou dat ingezette traject doorkruisen.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gelasten, aangezien met de bewezenverklaarde feiten niet is voldaan aan het vereiste genoemd in artikel 14e, eerste lid Sr.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 472 (vierhonderdtweeënzeventig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij VNN Reclassering, Overcingellaan 19 te Assen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zijn reeds gestarte behandeling binnen FPA Zuidlaren, of een soortgelijke intramurale instelling zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, zal voortzetten waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Zulks voor de duur van maximaal twaalf maanden;

- zich aansluitend op de klinische behandeling laat behandelen en begeleiden door GGZ (FACT) of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, als de reclassering dit binnen een ambulant behandeltraject ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek noodzakelijk acht. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens van de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd aansluitend op de klinische behandeling zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Verdachte dient zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol, soft- en harddrugs, zulks zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dat verdachte zal meewerken aan controles hierop;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de heer [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] 1945 te [geboorteplaats 2] en mevrouw [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum 3] 1946 te [geboorteplaats 3] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [adres] Zwolle, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en

mr. drs. T. van Haaren - Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, districtsrecherche IJsselland, met nummer 2018023281 (onderzoek ON1R017084 Panda). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 4 september 2017, pag. 16.

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juli 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 6 september 2017, pag. 37-38.

5 Het proces-verbaal van sporenonderzoek van [verbalisant] van 18 december 2017, pag. 57.

6 Het NFI-rapport van dr. M.M.P. Grutters, als deskundige chemisch brandonderzoek werkzaam bij het NFI, van 22 november 2017, pag. 65.