Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2755

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
6665383 AZ VERZ 18-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt dat een basisschool in Zwolle niet onrechtmatig handelde wat betreft het toezicht op het schoolplein na een ongeluk met een dichtgevallen putdeksel waardoor een leerling zijn pink verloor. Ook qua nazorg handelde de school zoals verwacht mocht worden. Over de veiligheidsmaatregelen en het gevaar van putdeksels lopen de standpunten van partijen uiteen, maar nadere bewijslevering kan niet in het kader van deze deelgeschilprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2018/185
PS-Updates.nl 2018-0592
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 6665383 AZ VERZ 18-25

Beschikking van de kantonrechter van 10 juli 2018

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

2. [verzoeker 2] ,

beiden eveneens in de hoedanigheid van ouders en in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon [zoon verzoekers],

wonende te Zwolle,

verzoekende partijen, verder te noemen [verzoekers] ,

gemachtigde: mr. A.M.L.E. Ides Peeters, advocaat te Etten-Leur,

tegen

1 de stichting VIVENTE, STICHTING VOOR CHRISTELIJK PRIMAIR ONDERWIJS,

gevestigd te Zwolle,

2. de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Amstelveen en in deze kantoorhoudende te Rotterdam,

verwerende partijen, verder te noemen Vivente en Reaal,

gemachtigde: mr. B.M. Paijmans, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie binnengekomen op 19 februari 2018, met producties;

- het verweerschrift, ingekomen op 14 mei 2018, met producties.

1.2.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [verzoekers] een aanvullende productie 17 overgelegd.

1.3.

Op 29 mei 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen [verzoekers] , bijgestaan door mr. Ides Peeters voornoemd. Namens Vivente zijn verschenen de heer [naam 1] , voorzitter van het college van bestuur van Vivente, de heer [naam 2] , algemeen beleidsmedewerker van Vivente, en de heer [naam 3] , voormalig directeur van de [basisschool] (hierna: [basisschool] ), bijgestaan door mr. Paijmans voornoemd. Van de zijde van [verzoekers] is een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn voorts door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.4.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1.

[zoon verzoekers] , geboren op [geboortedatum] 2010, is in het schooljaar 2014/2015 leerling van groep 1 (groep rood) van de [basisschool] te Zwolle.

2.2.

[basisschool] is een school voor basisonderwijs, die valt onder het bevoegd gezag van Vivente.

2.3.

[zoon verzoekers] had in het schooljaar 2014-2015 aanvankelijk [leerkracht 1] als groepsleerkracht. Wegens disfunctioneren was zij in de loop van dat schooljaar echter niet meer feitelijk werkzaam op [basisschool] . Haar arbeidsovereenkomst is uiteindelijk door middel van een vaststellingsovereenkomst ontbonden.

2.4.

Voor het resterende deel van het schooljaar 2014-2015 is onder meer [leerkracht 2] groepsleerkracht van groep 1 geworden. De groepsleerkracht van de tweede kleutergroep (groep paars) was [leerkracht 3] .

2.5.

Tot 1 januari 2015 was de gemeente Zwolle verantwoordelijk voor het (buiten)onderhoud van de schoolgebouwen en de schoolpleinen. Door een wetswijziging per 1 januari 2015 zijn de scholen zelf verantwoordelijk geworden voor dit (buiten)onderhoud. In het onderhavige geval verzorgt de gemeente Zwolle nog steeds het onderhoud aan het schoolgebouw en schoolplein van [basisschool] maar dan in opdracht van en betaald door Vivente.

2.6.

Op 29 mei 2015 waren de twee kleutergroepen (in totaal ongeveer 50 leerlingen in de leeftijd van 4-6 jaar oud) tijdens de ochtendpauze buiten aan het spelen op het schoolplein. [zoon verzoekers] was met twee klasgenootjes, [klasgenootje 1] en [klasgenootje 2] , aan het spelen bij een putdeksel. Op ongeveer twee meter afstand van de putdeksel, met ertussen een bankje, bevond zich een knikkertegel. [klasgenootje 1] en [klasgenootje 2] hielden de putdeksel vast. [zoon verzoekers] keek of er knikkers onder lagen. Toen [klasgenootje 1] zag dat er geen knikkers lagen, gooide hij de deksel dicht. Daarbij is de putdeksel op de rechterpink van [zoon verzoekers] terecht gekomen.

2.7.

De directeur van de school, [naam 3] , en [leerkracht 2] hebben [zoon verzoekers] naar de huisarts gebracht, alwaar zij de inmiddels op de hoogte gebrachte ouders van [zoon verzoekers] troffen. De huisarts heeft [zoon verzoekers] onderzocht en al snel geconcludeerd dat hij de pink niet kon hechten. [zoon verzoekers] werd doorverwezen naar de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis, waar hij om 12.18 uur door een arts is gezien. [zoon verzoekers] is vervolgens om 14.45 uur opgenomen en om 16.00 uur geopereerd.

2.8.

Op 4 juni 2015 is de rechterpink van [zoon verzoekers] alsnog geamputeerd.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekers] verzoeken bij beschikking te bepalen dat:

I. Vivente en Reaal aansprakelijk zijn voor de schade die [zoon verzoekers] heeft geleden en lijdt als gevolg van het ongeluk op 29 mei 2015 te Zwolle;

II. Vivente en Reaal gehouden zijn de volledige schade en nog te lijden materiële en immateriële schade van [zoon verzoekers] te vergoeden;

III. de kosten van deze procedure op grond van artikel 6:96 BW dienen te worden vastgesteld conform de opgave die de advocaat van [verzoekers] op de dag voor de zitting aan de rechtbank zal zenden, althans een nader in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Vivente en Reaal tot betaling aan [verzoekers] van dit bedrag vermeerderd met het vastrecht binnen 14 dagen na het wijzen van de beschikking.

3.2.

[verzoekers] hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat Vivente en Reaal op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeluk dat [zoon verzoekers] op 29 mei 2015 tijdens schooltijd is overkomen omdat [basisschool] (1) voorafgaand aan het ongeluk geen adequate voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, (2) vlak voor en tijdens het ongeluk onvoldoende toezicht heeft gehouden en (3) is tekortgeschoten in de nazorg doordat niet tijdig adequate medische hulp is ingeschakeld.

3.3.

Vivente en Reaal voeren gemotiveerd verweer.

Primair menen zij dat het verzoek van [verzoekers] zich niet leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure omdat ter beslechting van het geschil nadere bewijsvoering nodig is waarvoor in dit deelgeschil geen plaats is.

Subsidiair zijn zij van mening dat [basisschool] niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [zoon verzoekers] en Vivente dientengevolge niet aansprakelijk is jegens [verzoekers] Bezien tegen de achtergrond van de op een school rustende zorgplicht, heeft [basisschool] vlak voor en tijdens het ongeluk op zorgvuldige wijze toezicht gehouden, waren de putten met putdeksels op het schoolplein niet zodanig gevaarzettend dat [basisschool] maatregelen had moeten treffen en heeft [basisschool] voldoende nazorg betracht.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekers] hebben zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen als en voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.2.

Het onderhavige verzoek strekt ertoe dat in de deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat Vivente aansprakelijk is voor de schade die [zoon verzoekers] heeft geleden (en nog lijdt) als gevolg van het ongeluk dat hem op 29 mei 2015 tijdens de ochtendpauze op het schoolplein van [basisschool] is overkomen. Reaal is de verzekeraar van Vivente. De kantonrechter merkt op dat niet kan worden geoordeeld dat Reaal als aansprakelijkheidsverzekeraar van Vivente aansprakelijk is voor de door [zoon verzoekers] geleden schade. [verzoekers] hebben mogelijk op grond van artikel 7:954 BW wel een directe actie jegens Reaal en lid 3 van artikel 1019w Rv bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie als voornoemd bestaat in de onderhavige deelgeschilprocedure kan worden betrokken. Indien de discussie over de aansprakelijkheid in deze deelgeschilprocedure wordt beslecht, zal dat kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.

Bij de beoordeling van een deelgeschil dient de kantonrechter zich wel de vraag te stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Een deelgeschil waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat uitgebreide bewijsvoering en/of deskundigenberichten nodig zullen zijn, zal zich minder snel lenen voor een deelgeschilprocedure.

4.4.

Wat betreft de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige aansprakelijkheidsvraag stelt de kantonrechter verder voorop dat op een school ingevolge artikel 6:162 BW een zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en de veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze zorgplicht houdt in dat een school alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd om een veilig schoolklimaat te bieden. Daarbij wordt opgemerkt dat deze zorgplicht een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis is.

Veiligheidsmaatregelen

4.5.

[verzoekers] verwijten [basisschool] (en daarmee Vivente als de daarvoor aan te spreken rechtspersoon) dat zij ter zake van de op het schoolplein aanwezige putdeksels de op haar rustende zorgplicht in de zin van artikel 6:162 BW heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming of ter beperking van het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan. Ter beoordeling van dit verwijt overweegt de kantonrechter dat de zorgvuldigheidsnorm van genoemd artikel door de rechtspraak nader is ingevuld. Aldus is voor verschillende categorieën in de rechtspraak bepaald wanneer onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

4.6.

Eén van de categorieën is gevaarzetting. Van gevaarzetting is sprake wanneer iemand voor een ander een gevaar in het leven roept. De enkele mogelijkheid dat een gedraging tot schade leidt, maakt die gedraging echt nog niet onrechtmatig. Een gevaarscheppende gedraging is enkel onrechtmatig, indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. De Hoge Raad heeft in het Kelderluikarrest aangegeven welke factoren bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting in aanmerking dienen te worden genomen: (i) de waarschijnlijkheid van onoplettendheid of onvoorzichtig gedrag van potentiële slachtoffers, (ii) de kans dat daardoor ongevallen ontstaan, (iii) de ernst van de gevolgen van die ongevallen en (iv) de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

4.7.

Bij gevaarzetting gaat het veelal om actief handelen van degene die door zijn gevaarzettende optreden schade heeft veroorzaakt. Maar ook een niet-ingrijpen kan schadelijke gevolgen hebben. Gemeenschappelijk aan gevallen van nalaten is dat het niet gaat om de vraag in hoeverre men voor onvoorzichtige gedragingen of zelf gecreëerde situaties verantwoordelijk kan worden gesteld, maar om de vraag onder welke omstandigheden actief ingrijpen is vereist en nalaten als onrechtmatig wordt aangemerkt. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat zuiver nalaten slechts in uitzonderlijke gevallen onrechtmatigheid kan opleveren. Het nalaten is pas onrechtmatig op het moment dat het betreffende gevaar is doorgedrongen tot het bewustzijn van de nalatige (vgl. Hoge Raad 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974: AC5503, NJ 1975/149, Struikelende broodbezorger), zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid zoals uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de betrokken situatie zich voordoet, kunnen voortvloeien. De volgende voorwaarden voor aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten zijn te geven: (i) de concrete kennis van een gevaarlijke situatie, (ii) de dreiging van ernstige schade, (iii) de mogelijkheid en de noodzaak om daadwerkelijk iets te doen (waarschuwen of helpen) en (iv) de reële verhouding tussen moeite en kosten en het gevaar. In deze voorwaarden zijn - in meer toegespitste vorm - de Kelderluikcriteria te herkennen. Verschil is dat in gevallen van zuiver nalaten de voorwaarden stringenter lijken te zijn, met name ten aanzien van het vereiste van de bewustheid van het gevaar. Aangenomen wordt dat zuiver nalaten eerst onrechtmatig is, indien vaststaat dat van concrete kennis van de nalatige omtrent het bestaande of het op handen zijnde gevaar sprake was.

4.8.

Voor de nalatige op wie een bijzondere verplichting tot zorg en oplettendheid rust, geldt de terughoudendheid bij het aannemen van onrechtmatigheid niet of althans in mindere mate. Hij kan dus ook buiten het geval dat hij zich daadwerkelijk van het bestaande gevaar bewust is geweest, wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm aansprakelijk worden gehouden, indien dat gevaar voor hem kenbaar was. Dit betekent dat ook als de nalatige niet op de hoogte is van de gevaarlijke situatie, zijn zorgplicht kan meebrengen dat hij binnen redelijke grenzen en kosten het nodige onderzoek naar potentiële gevaren verricht of erop had moeten toezien dat zich geen onvoorziene gevaren zouden verwezenlijken. De gevergde mate van zorg is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval. Zoals gezegd kan volgens de Hoge Raad het bestaan van de hier bedoelde zorgplichten (onder meer) voortvloeien uit een bijzondere relatie van de waarnemer met het slachtoffer of een bijzondere relatie van de waarnemer met de plaats waar het gevaar zich voordoet.

4.9.

Op grond van de huidige wetgeving en de geldende rechtspraak is het enkele feit dat de putdeksel open kon en zich een ongeluk heeft voorgedaan, anders dan [verzoekers] lijken te bepleiten, onvoldoende om aansprakelijkheid van de school aan te nemen.

4.10.

Bij de beoordeling van de vraag of de school in dit verband de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, stelt de kantonrechter verder vast dat het gevaar in dit geval niet in het leven is geroepen door [basisschool] zelf en dat van actief gevaarzettend handelen van [basisschool] in de hiervoor onder 4.6 bedoelde zin derhalve geen sprake is.

4.11.

Het verwijt van [verzoekers] komt erop neer dat [basisschool] geen adequate voorzorgsmaatregelen heeft genomen om een ongeluk zoals zich heeft voorgedaan te voorkomen. Daarmee is sprake van nalatigheid en kan er, gelet op het hiervoor onder 4.7 en 4.8 overwogene, slechts sprake zijn van een rechtsplicht om een gevaarlijke situatie op te heffen of voorzorgsmaatregelen/adequate veiligheidsmaatregelen te nemen ter voorkoming van ongelukken, wanneer [basisschool] wist dat zich op het schoolplein in de vorm van de putdeksels een potentieel gevaar voordeed of indien dat gevaar [basisschool] kenbaar was. [basisschool] heeft immers een bijzondere relatie met de gebruikers van het schoolplein (bestaande uit jeugdige leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd) en met de plaats waar zich de gevaarssituatie heeft voorgedaan (het schoolplein waarvan [basisschool] eigenaar/beheerder is). Dit betekent dat ook indien [basisschool] niet op de hoogte was van de gevaarlijke situatie, haar niettemin onrechtmatig handelen kan worden verweten als zij uit hoofde van de op haar rustende bijzondere verplichtingen en de in het verlengde hiervan op haar rustende onderzoeksplicht een concrete gevaarssituatie had behoren te onderkennen en heeft nagelaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen.

Uit de stellingen van partijen over en weer blijkt dat zij verdeeld zijn over de vraag of [basisschool] wist van de concrete gevaarssituatie of dat dat gevaar kenbaar was voor haar.

4.12.

[verzoekers] stellen in dit verband dat voorzienbaar was dat kleuters niet de vereiste voorzichtigheid ten aanzien van de putdeksel in acht zouden nemen, alsook dat van de putdeksel een zekere aantrekkingskracht uitging omdat zich vanwege de nabij gelegen knikkertegel knikkers onder de deksel zouden kunnen bevinden. Het was ook bekend dat de put(deksel) in trek was. Zo heeft [leerkracht 1] de dag na het ongeluk tegen [verzoekers] gezegd dat de put erg in trek was bij de kleuters en dat [zoon verzoekers] ook regelmatig krijtjes onder de putdeksel gooide. Voorts hebben [verzoekers] aan diverse ouders nagevraagd of hun kinderen met de putdeksel op het schoolplein speelden, die dit vrijwel alleen bevestigd hebben. Als productie hebben [verzoekers] printscreens van chatgesprekken overgelegd die rond 25 juli 2017 zijn gevoerd met kinderen van omstreeks 11 à 12 jaar oud die op [basisschool] hebben gezeten en waaruit blijkt dat de putdeksels op het schoolplein van [basisschool] los waren en dat er meerderen leerlingen zijn die de putdeksels geopend hebben. Ongelukken van kinderen die met hun vingers klem komen te zitten tussen een putdeksel komen vaker voor, ter onderbouwing waarvan [verzoekers] een aantal internetberichten hebben overgelegd. Het gaat om een nieuwsbrief van twee scholen waarin melding wordt gemaakt van een ongeluk met een putdeksel op het schoolplein, een krantenbericht over een meteropnemer die met zijn vinger bekneld is geraakt bij het openen van een putdeksel en op www.forum.viva.nl en www.bokt.nl gedeelde berichten waarin

sprake is buitenspelende kinderen die met een putdeksel speelden respectievelijk van een ongeluk met een putdeksel op het schoolplein. Uit de als productie 11 overgelegde Leidraad Duurzame inrichting openbare ruimte van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Leidraad) blijkt bovendien dat kolken op speelplaatsen geplaatst moeten worden met een veiligheidssluiting om de veiligheid van spelende kinderen te waarborgen (maar bij voorkeur helemaal geen kolken en/of putten op speelplaatsen plaatsen). Deze Leidraad geldt weliswaar voor de gemeente in kwestie maar de gemeente heeft geen specifieke zorgplicht voor de kinderen en [basisschool] wel. Al met al stellen [verzoekers] zich op het standpunt dat [basisschool] wist of behoorde te weten dat de putdeksel op het schoolplein los kon en dat kinderen daarmee speelden. Gelet hierop en mede gezien het risico op (ernstige) schade had [basisschool] maatregelen behoren te nemen door de putdeksel met een slot/vergrendeling te beveiligen.

4.13.

[basisschool] heeft als verweer gevoerd dat de putten met putdeksel op het schoolplein niet zodanig gevaarzettend waren dat zij maatregelen had moeten treffen. Putten met deze gietijzeren putdeksels zijn een veel voorkomend, normaal verschijnsel in het straatbeeld, in andere openbare ruimtes en ook op andere schoolpleinen. Deze putdeksels zijn normaliter niet voorzien van vergrendeling. Toen [basisschool] na het ongeval naar de gemeente belde met het verzoek om de putdeksel vast te maken, kreeg zij als reactie dat dat niet nodig was. Alleen omdat [basisschool] erop stond, heeft de gemeente wel voldaan aan het verzoek. Op schoolpleinen elders in Nederland is het evenmin beleid om putdeksels te beveiligen. Het is geen onderwerp van gesprek in het onderwijs en het komt niet voor in risico-inventarisaties. Het kan van scholen ook niet worden verwacht dat zij putdeksels controleren. Op het schoolplein van [basisschool] (of van andere scholen van Vivente) is er geen enkel ander ongeval geweest rondom een put of een putdeksel, noch was [basisschool] ermee bekend dat leerlingen met putdeksel speelden of deze openden. Uit navraag bij (kleuter)leerkrachten is dat ook niet gebleken. De put was bovendien zodanig ver weg van de knikkertegel - twee meter, met ertussen een bankje - dat het ook om die reden niet waarschijnlijk was dat kleuters vanwege knikkers het putdeksel zouden willen optillen.

De mededeling van [leerkracht 1] is, onder verwijzing naar de verstoorde arbeidsrelatie (en verstandhouding) met deze leerkracht, door [basisschool] gemotiveerd betwist. Ook de overgelegde whatsapp-berichten kunnen niet dienen als bewijs van de stelling van [verzoekers] terzake omdat de berichten te vaag en oncontroleerbaar zijn. Op basis van de internetberichten kan niet als feit worden aangenomen dat ongevallen met een putdeksel op scholen zodanig veel voorkomen dat maatregelen genomen moeten worden. De overgelegde Leidraad is niet afkomstig van de gemeente Zwolle, laat staan dat deze werking heeft voor een privaatrechtelijke stichting. De strekking en toepassing van de Leidraad is niet duidelijk en hieruit vloeien niet zonder meer eisen uit voort die aan het schoolplein van [basisschool] in Zwolle kunnen worden gesteld. [basisschool] betwist hiermee dat zij wist of behoorde te weten dat de putdeksel op het schoolplein los zat en dat kinderen daarmee speelden.

4.14.

Als partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten en omstandigheden dragen [verzoekers] - in het licht van het gemotiveerde verweer van [basisschool] - de bewijslast van die feiten. De kantonrechter acht geen bijzondere omstandigheden gegeven om van dat uitgangspunt af te wijken.

De kantonrechter is van oordeel dat van [basisschool] in beginsel niet kan worden gevergd dat zij het schoolplein zo intensief inspecteert dat zij ook niet direct waarneembare gevaren te weten komt en dat zij met ieder denkbaar gevaar voor de leerlingen rekening houdt. Waar het derhalve op aankomt is de vraag of [basisschool] , zoals [verzoekers] stelt en [basisschool] betwist, wist van de gevaarssituatie of dat haar signalen hebben bereikt waaruit [basisschool] die gevaarssituatie had kunnen afleiden. Is dat het geval, dan neemt de kantonrechter aan dat aan de overige vereisten (ii) tot en met (iv) voor onrechtmatig nalaten in de zin van artikel 6:162 BW is voldaan en kan [basisschool] worden aangerekend dat zij heeft nagelaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen. [basisschool] heeft zelf ook aangegeven dat als zij had geweten dat de putdeksel los zat en/of dat de kinderen met de putdeksel speelden, zij wellicht maatregelen zou hebben genomen.

In het licht van het gevoerde partijdebat kan de kantonrechter thans niet als vaststaand aannemen dat [basisschool] wist van het potentiële gevaar van de putdeksels op het schoolplein of dat dat gevaar voor haar kenbaar was. Wil de kantonrechter de verzochte verklaring voor recht kunnen uitspreken, dan is nadere bewijslevering op dit punt onvermijdelijk.

Toezicht

4.15.

[verzoekers] verwijten [basisschool] verder dat zij tijdens het buitenspelen onvoldoende adequaat toezicht heeft gehouden. De kantonrechter overweegt dienaangaande dat de onder 4.4 bedoelde zorgplicht, die neerkomt op een inspanningsverbintenis en niet op een resultaatsverbintenis, niet zover reikt dat op een schoolplein waar zich een groep van ongeveer vijftig normaal begaafde kinderen in de leeftijd van 4-6 jaar oud bevindt

steeds op iedere leerling – ook bij onderzoekende kinderen als [zoon verzoekers] en zijn vriendjes – direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen. Het stellen van een dergelijke eis gaat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te boven. De in casu gebezigde wijze van surveilleren (twee groepsleerkrachten op 50 leerlingen) op een overzichtelijk schoolplein tijdens de pauze acht de kantonrechter niet ongebruikelijk en onverantwoord. Dat één van de twee leerkrachten (om wat voor reden dan ook) kort het schoolplein heeft verlaten en de andere leerkracht weliswaar op het schoolplein aanwezig was maar het ongeval niet heeft waargenomen, maakt dat niet anders. Juist omdat het op een schoolplein vaak voorkomt dat een leerkracht even een leerling moet aanspreken of ergens moet ingrijpen (zoals in dit geval [leerkracht 2] ), lopen er (tenminste) twee leerkrachten op het schoolplein zodat de andere leerkracht (in dit geval [leerkracht 3] ) alsdan toezicht kan blijven houden, en ook dan kan het gebeuren dat een ongeval, dat doorgaans in zeer korte tijd plaatsvindt, niet wordt waargenomen. Zoals hiervoor is overwogen mag aan een verantwoorde wijze van toezicht niet de eis worden gesteld dat steeds elke gedraging van een kind aanstonds wordt opgemerkt en zo nodig tijdig kan worden gecorrigeerd. Alsdan zou de zorgplicht van een school immers geen inspanningsverplichting meer zijn maar de facto een resultaatsverbintenis zijn geworden.

Nazorg

4.16.

[verzoekers] stellen tenslotte nog dat [basisschool] tekortgeschoten is in de verplichting tot nazorg omdat na het ongeluk onvoldoende voortvarend en adequaat is gehandeld. Daartoe voeren zij aan dat het (te) lang heeft geduurd om [zoon verzoekers] naar de huisarts te brengen. Verder had het gelet op de ernst van het letsel van [zoon verzoekers] voor de hand gelegen om niet naar de huisarts maar direct naar het ziekenhuis te gaan of een ambulance te bellen. De kantonrechter overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeluk omstreeks 11.30 uur is gebeurd, dat [verzoekers] eerder bij de huisarts zijn gearriveerd dan [zoon verzoekers] en dat [zoon verzoekers] om 12.18 uur in het ziekenhuis door een arts is gezien. [verzoekers] hebben ter zitting niet kunnen aangeven hoe laat [zoon verzoekers] bij de huisarts is gearriveerd. Van de zijde van [basisschool] is ter zitting aangegeven dat, uitgaande van de rijafstand van school naar de huisarts en de omstandigheid dat [leerkracht 2] en [naam 3] om 12.00 uur weer terug op school waren die op dat moment net uitging, dat rond 11.45 uur moet zijn geweest. Bezien tegen de gedetailleerde beschrijving van [basisschool] over de gang van zaken na het ongeluk en de door de betrokken leerkrachten en de gewaarschuwde BHV-er aan [zoon verzoekers] geboden eerste hulp op school, acht de kantonrechter het tijdsverloop tussen het ongeluk en de aankomst bij de huisarts niet dusdanig dat [basisschool] daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De enkele omstandigheid dat [verzoekers] eerder bij de huisarts zijn gearriveerd dan de betrokken leerkrachten van [basisschool] is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

4.18.

[basisschool] heeft verder aangevoerd dat, door de betrokken leerkrachten waaronder een gewaarschuwde BHV-er, is gehandeld volgens de geldende voorschriften en instructies, kort gezegd neerkomende op het stelpen van het bloeden, niet zelf aan de wond komen en medische hulp zoeken. [verzoekers] hebben hier op zichzelf niets tegenin gebracht. Wel wijzen zij op de ernst van het letsel van [zoon verzoekers] , zoals dat naar voren komt uit de verklaringen van [leerkracht 2] en [leerkracht 3] , en de omstandigheid dat [zoon verzoekers] door de huisarts vrijwel direct naar het ziekenhuis is doorverwezen.

De kantonrechter kan zich voorstellen dat dit achteraf bij [verzoekers] de vraag heeft opgeroepen of [zoon verzoekers] niet meteen naar het ziekenhuis had gemoeten. Waar het echter om gaat, is de vraag of [basisschool] er destijds in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om naar de huisarts te gaan. Daar geen sprake was van een levensbedreigende situatie en van de betrokken leerkrachten, die niet medisch opgeleid zijn, niet kon worden verwacht dat zij op dat moment konden inschatten dat [zoon verzoekers] complexe medische zorg nodig had die niet door de huisarts kon worden gegeven, beantwoordt de kantonrechter die vraag bevestigend. Daarbij neemt de kantonrechter mede in overweging dat [basisschool] bij de beslissing om met [zoon verzoekers] naar de huisarts te gaan heeft betrokken dat de huisarts dichterbij was dan het ziekenhuis, en [zoon verzoekers] zodoende sneller medische hulp zou kunnen worden geboden, en dat bekend is dat de ambulance voor een dergelijk ongeluk niet zal komen.

[verzoekers] hebben overigens ook niet het standpunt betrokken dat het letsel van [zoon verzoekers] anders was geweest als hij eerder medische behandeling in het ziekenhuis had gehad.

Indien hij door het bezoek aan de huisarts misschien langer pijn heeft ondervonden - dit staat naar het oordeel van de kantonrechter geenszins vast omdat geen duidelijkheid bestaat over de wachttijd in het ziekenhuis - valt dat te betreuren, maar dit leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat [basisschool] onrechtmatig heeft gehandeld terzake van de aan [zoon verzoekers] geboden nazorg.

Slotsom

4.19.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat [basisschool] wat betreft het toezicht vlak voor en tijdens het ongeluk en de na het ongeluk aan [zoon verzoekers] geboden nazorg geen onrechtmatig handelen kan worden verweten. Over de noodzaak tot het treffen van veiligheidsmaatregelen lopen de standpunten van partijen uiteen. Meer in het bijzonder komt het in dat verband aan op hetgeen [basisschool] wist of kenbaar was over de gevaarssituatie van de putdeksels op het schoolplein. Op grond van de door partijen betrokken stellingen en overgelegde stukken kan de kantonrechter op dit moment onvoldoende de feiten, die van belang zijn voor het beantwoorden van deze vraag, vaststellen en is nadere bewijslevering geboden.

4.20.

Uit de parlementaire geschiedenis van de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure volgt dat deze rechtsgang slechts beperkte ruimte biedt om feiten te onderzoeken; de rechter in een deelgeschil moet afwegen of de investering (hier: in het faciliteren van bewijslevering door partijen) wordt gerechtvaardigd door de verwachting dat een minnelijke regeling tot stand komt. De nadere bewijslevering zal, gelet op de punten die tussen partijen in discussie zijn, naar het zich laat aanzien niet beperkt blijven tot het horen van een enkele getuige. De kantonrechter is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzochte onder I en II zal daarom op grond van het bepaalde bij artikel 1019z Rv worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.21.

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.22.

[verzoekers] maken aanspraak op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht. Ter onderbouwing zijn als productie 15 en 17 urenspecificaties in het geding gebracht van de door hun advocaat aan deze zaak bestede uren.

4.23.

Vivente en Reaal stellen zich op het gemotiveerde standpunt dat zowel het aantal bestede uren als het gehanteerde uurtarief te hoog is.

4.24.

De kantonrechter stelt vast dat niet kan worden gezegd dat [verzoekers] de deelgeschilprocedure onnodig of onterecht hebben ingesteld. Wat betreft het opgevoerde uurtarief merkt de kantonrechter op dat uitsluitend de uren die betrekking hebben op werkzaamheden ten behoeve van de deelgeschilprocedure, en dus niet de werkzaamheden in het buitengerechtelijk traject dat aan deze procedure vooraf is gegaan, op de voet van artikel 1019aa Rv voor vergoeding in aanmerking komen.

In het licht hiervan en gezien het overige verweer van Vivente en Reaal, hebben [verzoekers] niet duidelijk gemaakt dat alle opgevoerde uren noodzakelijk waren voor het voeren van dit deelgeschil. De kantonrechter zal deze uren dan ook matigen tot 15, rekening houdend met de relatief beperkte omvang en complexiteit van dit geschil alsmede de relatief geringe omvang van de schade (die [verzoekers] onder de kantongrens van € 25.000,00 begroten). Het uurtarief zal worden vastgesteld op € 200,00. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat dit uurtarief weliswaar pas per 1 maart 2018 door de advocaat van [verzoekers] wordt gehanteerd, maar dat een uurtarief van € 200,00 als gebruikelijk en niet buitensporig hoog is aan te merken. De gevorderde kantoorkosten van 6% zullen worden afgewezen omdat deze in het uurtarief besloten mogen worden geacht.

Gezien het voorgaande zullen de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoekers] worden begroot op een bedrag van € 3.709,00 (15 uren x € 200,00, vermeerderd met 21% btw en € 79,00 griffierecht).

4.25.

Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

4.26.

Voor zover in de stellingen van [verzoekers] een verzoek besloten ligt tot vaststelling van een tussentijdse vergoeding van buitengerechtelijke kosten bestaat daarvoor geen grond.

5 De beslissing

5.1.

begroot de kosten van deze procedure tot aan deze beschikking aan de zijde van [verzoekers] op € 3.709,00 (inclusief btw),

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Willemse, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.