Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2741

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
08/996180-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 65-jarige vrouw uit Apeldoorn is veroordeeld voor het witwassen van zo'n 640.000 euro en illegaal wapenbezit tot een voorwaardelijke celstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Met het geld richtte ze twee bedrijven op om een autohandel te starten. Het ene bedrijf moet een boete betalen van 20.000 euro. Het andere bedrijf, de autohandel zelf, krijgt de 69 auto's en 1 motor die in beslag zijn genomen niet terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/996180-16 (P)

Datum vonnis: 30 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en haar raadsman mr. M.R. Paardekooper, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 16 juli 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen;

feit 2: in haar woning een verboden wapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 02 september

2010 tot en met 16 november 2016, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] Limited en/of [bedrijf 2]

C.V. en/of één of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke

perso(o)n(en),

(van) één of meer voorwerp(en), te weten:

1. EUR 550.000,00 en/of

2. EUR 50.000,00 en/of

3. EUR 40.000,00,

althans van een groot geldbedrag (telkens),

A. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld, dan wel heeft/hebben verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp was of het voorhanden had,

en/of

B. heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben voorhanden gehad

en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij (telkens) wist(en) dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers hebbende verdachte en/of haar mededader(s):

1. op of omstreeks 23 september 2010 EUR 200.000,00 en/of op of omstreeks 1 januari 2011 EUR 50.000,00 en/of op of omstreeks 1 mei 2011 EUR 100.000,00 en/of op of omstreeks 1 augustus 2011 EUR 100.000,00 en/of op of omstreeks 1 oktober 2011 EUR 100.000,00 (telkens) contant in kas van [bedrijf 2] C.V. gestort en/of laten storten en/of ontvangen op een bankrekening van [bedrijf 2] C.V. en/of de contant in kas gestorte geldbedragen in voornoemde periode (telkens) (deels) omgezet in bedrijfsvoorraad; en/of

2. op of omstreeks 4 december 2015 EUR 50.000,00 contant in kas van [bedrijf 2] C.V. gestort en/of laten storten en/of ontvangen op een bankrekening en/of in voornoemde periode (deels) omgezet in bedrijfsvoorraad; en/of

3. op 16 november 2016 EUR 40.000,00 (800 biljetten van EUR 50,00) in een kluis in haar woning voorhanden gehad;

2.

zij op of omstreeks 16 november 2016 in de gemeente Apeldoorn,

één of meer wapens en/of munitie van categorie III,

- te weten een pistool van het merk FN Baby, kleur zwart, 6.35 mm inclusief magazijn met zes patronen van 6.35 mm kaliber en/of

- een magazijn/houder, van het merk Glock, kleur zwart, en/of

- munitie, te weten zeventien patronen 9 mm luger,

voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, nu deze niet ter discussie staan.

Verdachte was de beherend vennoot van de op 16 september 2010 opgerichte commanditaire vennootschap [bedrijf 2] . Deze vennootschap hield zich bezig met de handel in auto’s en is tevens medeverdachte in deze strafzaak. De stille vennoot van [bedrijf 2] was het op

2 september 2010 opgerichte bedrijf [bedrijf 1] Ltd (hierna: [bedrijf 1] ), tevens medeverdachte. Sinds 16 september 2010 is verdachte aandeelhouder en directeur van [bedrijf 1] .

[bedrijf 2] is gefinancierd met leningen van [bedrijf 1] . Het geleende geld, totaal ten bedrage van € 550.000,--, is in 2010 en 2011 in vijf termijnen contant gestort.2 De leningen zijn niet op schrift gesteld en op de leningen wordt niet afgelost. In de balance sheets van [bedrijf 1] wordt geen melding gemaakt van de door [bedrijf 1] verstrekte leningen aan [bedrijf 2] . [bedrijf 1] heeft nihilaangiftes vennootschapsbelasting in Nederland gedaan, waarin ook geen leningen aan derden zijn vermeld.

Het door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] geleende geld was niet van [bedrijf 1] , maar van verdachte afkomstig.

Op 4 december 2015 heeft verdachte ook nog in privé een bedrag van € 50.000,-- verstrekt aan [bedrijf 2] door middel van een contante storting.3 Verdachte heeft in haar aangiften inkomstenbelasting 2009 tot en met 2013 opgegeven dat zij geen inkomsten of vermogen had. Na 2013 heeft verdachte geen aangifte inkomstenbelasting meer gedaan.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er indicaties zijn voor witwassen en dat de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld hoogst onwaarschijnlijk en niet voldoende concreet en verifieerbaar is, zodat met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat het geld dus afkomstig is van enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie verwezen naar het proces-verbaal van doorzoeking van de woning, waarbij het geladen wapen en de munitie is aangetroffen, alsmede het proces-verbaal van onderzoek aan het wapen en de munitie.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs van de ten laste gelegde feiten geen verweer gevoerd. De verdediging heeft aangevoerd dat het geld afkomstig is van de handel van verdachte in pannensets en servies in Balkanlanden in de jaren negentig. Van deze inkomsten heeft verdachte nimmer aangifte gedaan bij de Belastingdienst en verdachte heeft het geld al die tijd in contanten bewaard.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Feit 1

De rechtbank overweegt dat voor bewezenverklaring van witwassen moet vaststaan dat de gelden, middellijk of onmiddellijk, afkomstig zijn uit enig misdrijf. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat niet hoeft te worden bewezen door wie, wanneer en waar dit misdrijf is gepleegd.4 Het gronddelict hoeft niet te worden bewezen, maar vereist is wel dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Om te kunnen beoordelen of het geld uit enig misdrijf afkomstig is, hanteert de rechtbank het volgende in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader.5 Op basis van de feiten en omstandigheden moet een vermoeden van witwassen kunnen worden vastgesteld. Als die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp of geldbedrag. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verklaring van verdachte aan bovengenoemde eisen voldoet, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van het onderzoek van het Openbaar Ministerie zal uiteindelijk dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Witwasvermoeden

De rechtbank overweegt dat de door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] verstrekte leningen ten belope van € 550.000,-- niet terug zijn te vinden in de balance sheets van [bedrijf 1] . In de aangiften vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] zijn ook geen leningen aan derden vermeld. Verdachte heeft erkend dat de gelden niet van [bedrijf 1] , maar van haar afkomstig waren. De gelden zijn in contanten gestort in de kas van [bedrijf 2] , hetgeen hoogst ongebruikelijk is bij dit soort hoge bedragen.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte in december 2015 in privé een bedrag van

€ 50.000,-- aan [bedrijf 2] heeft geleend, maar dat er vanaf 2009 geen legale inkomstenbronnen van verdachte bekend zijn bij de Belastingdienst. Verdachtes inkomen uit onderneming bedroeg naar haar eigen zeggen € 2.500,-- per maand. De rechtbank acht het onaannemelijk dat zij van dat inkomen een bedrag van € 50.000,-- heeft gespaard. Dit geldt temeer nu ook in de kluis van verdachte nog een bedrag van € 40.000,-- in contanten is aangetroffen. Het hebben van grote bedragen contant geld is hoogst ongebruikelijk voor particulieren.

De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat er sprake is van een witwasvermoeden. Van verdachte mag dan ook een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat zij in de jaren 1990 tot 2000 pannensets en servies in Balkanlanden heeft verkocht en dat zij daarmee (omgerekend) ongeveer € 600.000,-- heeft verdiend. Verdachte heeft de buitenlandse valuta waarmee destijds werd betaald direct ter plaatse omgewisseld in Duitse Marken en heeft de Duitse Marken vervolgens onder meer bij grenswisselkantoren in Nederland omgewisseld naar guldens en later naar euro’s. Het geld bewaarde verdachte in contanten bij haar moeder. Verdachte heeft verklaard dat ze deze inkomsten niet heeft aangegeven bij de Belastingdienst, hoewel ze wist dat ze daartoe verplicht was. Verdachte wilde vervolgens met het geld een autohandel beginnen, die haar kinderen later zouden kunnen overnemen. Verdachte heeft daarom contact gezocht met Quaedvlieg juristen en heeft daar verteld dat zij een zwartspaarder is en dat ze graag een autohandel voor haar kinderen wilde beginnen. Quaedvlieg heeft vervolgens de constructie met [bedrijf 2] en [bedrijf 1] bedacht en opgericht, zodat verdachte haar contante spaargeld kon gebruiken in het autobedrijf [bedrijf 2] , aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij zich er niet van bewust was dat ze zich hiermee schuldig maakte aan witwassen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het geld afkomstig is van handel in pannen en servies in Balkanlanden in de jaren negentig onvoldoende aannemelijk, concreet en verifieerbaar. De rechtbank acht het volstrekt onwaarschijnlijk dat verdachte in ongeveer tien jaar tijd een bedrag van € 600.000,-- aan winst heeft kunnen genereren met het verkopen van servies en pannensets in Balkanlanden, terwijl de inwoners van die landen destijds een zeer beperkt gemiddeld maandinkomen hadden en daar op dat moment een burgeroorlog heerste. Verdachte heeft bovendien geen enkele naam van een afnemer of leverancier genoemd bij wie de juistheid van haar verklaring kan worden geverifieerd. Verdachte heeft evenmin stukken zoals facturen, inkoopbonnen of kwitanties van de door haar bezochte grenswisselkantoren verstrekt. De rechtbank stelt de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld derhalve als ongeloofwaardig terzijde.

Conclusies

De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder sub 1 en 2 heeft begaan, met dien verstande dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, aangezien zij deze praktijken gedurende een langere tijd door middel van vele transacties heeft uitgevoerd. Gelet op de tussen verdachte en medeverdachten [bedrijf 2] en [bedrijf 1] bewust opgezette constructie acht de rechtbank tevens bewezen dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.

Ten aanzien van het onder sub 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank nog het volgende. In een kluis in de woning van verdachte is een contant geldbedrag van € 40.000,-- aangetroffen.6 De rechtbank is van oordeel dat met onvoldoende concretisering is aangevoerd dat dit contante geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte begaan misdrijf, terwijl evenmin uit het hiervoor overwogene rechtstreeks voortvloeit dat dit geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte begaan grondmisdrijf. Nu niet vaststaat dat dit geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte begaan misdrijf levert het enkele voorhanden hebben van dit bedrag eveneens witwassen op.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van het contante geldbedrag van € 40.000,-- sprake is van gewoontewitwassen.

De rechtbank overweegt voorts dat ten aanzien van het in een kluis in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag onvoldoende is gebleken van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijf 2] dan wel [bedrijf 1] dat er sprake is van medeplegen. De rechtbank zal verdachte van dit bestanddeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4.2

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    het proces-verbaal van ambtshandeling van 17 november 2016, genummerd als AMB-004, pagina 49;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van 29 november 2016, genummerd als

AMB-014, pagina’s 84 tot en met 87.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij in de periode van 02 september 2010 tot en met 16 november 2016, in Nederland,

tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] Limited en/of [bedrijf 2] CV, (van) voorwerpen, te weten:

1. EUR 550.000,-- en

2. EUR 50.000,--

telkens

A. de herkomst heeft verborgen en heeft verhuld

en

B. voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,

EN

alleen,

een voorwerp, te weten:

3. EUR 40.000,--,

voorhanden heeft gehad,

terwijl zij telkens wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,

en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers hebbende verdachte en haar mededaders:

1. op 23 september 2010 EUR 200.000,-- en op 1 januari 2011 EUR 50.000,-- en op 1 mei 2011 EUR 100.000,-- en op 1 augustus 2011 EUR 100.000,-- en op 1 oktober 2011 EUR 100.000,--, telkens contant in kas van [bedrijf 2] CV gestort en de contant in kas gestorte geldbedragen in voornoemde periode telkens (deels) omgezet in bedrijfsvoorraad; en

2. op 4 december 2015 EUR 50.000,-- contant in kas van [bedrijf 2] CV gestort en/of in voornoemde periode (deels) omgezet in bedrijfsvoorraad;

en hebbende verdachte:

3. op 16 november 2016 EUR 40.000,-- (800 biljetten van EUR 50,--) in een kluis in haar woning voorhanden gehad;

2.

zij op 16 november 2016 in de gemeente Apeldoorn,

een wapen en munitie van categorie III,

- te weten een pistool van het merk FN Baby, kleur zwart, 6.35 mm inclusief magazijn met patronen van 6.35 mm kaliber en

- een magazijn/houder, van het merk Glock, kleur zwart, en

- munitie, te weten zeventien patronen 9 mm luger,

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in haar verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 420bis en 420ter juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; en

het misdrijf: gewoontewitwassen;

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte geen stereotype fraudeur is, maar naïef is geweest, alsmede dat zij inmiddels 65 jaar oud is en het recidiverisico door de reclassering als laag is ingeschat. De verdediging acht passend een geboden een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal een jaar.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met twee van haar bedrijven schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen, totaal ten belope van € 640.000,--. Daarbij werd gebruik gemaakt van een schijnconstructie om een legale herkomst van het geld voor te wenden en de illegale herkomst van het geld te verhullen. Het geld werd vervolgens gebruikt om auto’s ten behoeve van de autohandel te kopen. Gewoontewitwassen is een ernstig feit. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Verdachte heeft daarnaast in haar woning een doorgeladen wapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het behoeft geen uitleg dat van wapens een gevaarzettend karakter uitgaat. Verdachte heeft zich hier geen rekenschap van gegeven.

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten. Dit betreffen echter lang geleden gepleegde feiten zodat de rechtbank daarmee niet in strafverzwarende zin rekening heeft gehouden.

Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 9 april 2018 blijkt dat verdachte als gevolg van de strafzaak en de inbeslagnemingen die in het kader hiervan hebben plaatsgevonden, fors in de schulden is geraakt. Verdachte heeft tevens last van vermoeidheid en depressieve en moedeloze gevoelens als gevolg van de impact van de strafzaak. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij in verband hiermee een psychiater heeft bezocht, maar dat zij deze niet langer kan betalen, alsmede dat zij last heeft van fysieke gezondheidsproblemen.

De reclassering heeft geadviseerd om in het geval van een bewezenverklaring een werkstraf op te leggen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij, ondanks haar fysieke en psychische ongemakken, in staat zal zijn om een werkstraf te verrichten.

De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van het feit, alsmede gelet op de hoogte van de bedragen die gedurende een langere periode op structurele wijze zijn witgewassen, een forse vrijheidsstraf op zijn plaats zou zijn. De rechtbank ziet echter in de persoon van verdachte aanleiding om daarvan af te zien. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat het reeds voor de nodige leedtoevoeging zal zorgen dat de in beslaggenomen handelsvoorraad auto’s verbeurd is verklaard in de strafzaak van [bedrijf 2] , als gevolg waarvan verdachtes financiële problemen vermoedelijk zullen aanhouden.

De rechtbank acht alles overwegende passend en geboden een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair vier maanden hechtenis. Ter voorkoming van recidive zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een jaar opleggen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 40.000,-- gevorderd en de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen wapen, de patroonhouder en de patronen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 40.000,-- moet worden verbeurdverklaard, omdat feit 1 hiermee is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen wapen, de patroonhouder en de patronen moeten worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen feit 2 is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen administratie, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 91 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; en

het misdrijf: gewoontewitwassen;

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) jaar;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) maanden;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 40.000,--;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen wapen, de patroonhouder en de patronen;

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen administratie aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. H. Stam en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD kantoor Groningen met dossiernummer 60472. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-028, pagina’s 262 tot en met 279.

3 DOC-019, pagina’s 192 tot en met 194.

4 ECLI:NL:HR:2004:AP2124.

5 ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481.

6 AMB-011, pagina 72.