Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2737

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
08/996012-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 67-jarige fiscaal adviseur uit De Lutte voor belastingfraude tot 2 maanden voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uur. De man deed van 2010 tot en met 2014 voor 5 klanten valse aangiften inkomstenbelasting. Zo kregen zijn klanten, zonder dat zij hiervan wisten, onterecht teveel geld van de Belastingdienst terug. Naar schatting kostte dit de Belastingdienst 25.000 euro. Daarnaast heeft hij tijdens het onderzoek een getuige proberen te beïnvloeden. De rechtbank oordeelt dat de man 69.300 euro aan illegaal verdiend geld moet betalen aan de Staat. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2018:2736

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-07-2018
FutD 2018-2122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/996012-16 (P)

Datum vonnis: 30 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en diens raadsvrouw mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, op naam van een aantal anderen, valselijk heeft opgemaakt;

feit 1 subsidiair: opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, op naam van een aantal anderen, heeft gedaan.

feit 2: ter beïnvloeding van bij de rechter-commissaris te horen getuigen, documenten heeft gestuurd naar die getuigen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011

tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam

van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en

met 2014, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig

feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten (telkens) valselijk op

de aangifte(n) inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van -in ieder

geval- :

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014,

(telkens) te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of

studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ALTHANS, voor zove rhet vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011

tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n) op naam van na te noemen belastingplichtigen, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van -in ieder geval- :

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014 en/of

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(s)

inkomensheffing/inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te

laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting

opgegeven en/of te hoge en/of onjuiste en/of fictieve aftrekposten

(zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften) opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2017

tot en met 21 december 2017, in ieder geval in het vierde kwartaal van 2017,

in de gemeente Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bij geschrift

en/of afbeelding en/of op enigerlei (andere) wijze zich jegens:

- [naam 4] , en/of

- [naam 6] , en/of

- [naam 5]

heeft geuit,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid en/of geweten ten overstaan van

een rechter en/of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist en/of ernstige reden had te vermoeden dat die

verklaring zou worden afgelegd,

door toen daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, aan die [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 5] diens/hun

verklaring afgelegd bij de Fiod en/of een -door hem, verdachte, opgesteld-

document (met de titel) "Verweerschrift" en/of een begeleidend schrijven en/of

enig (ander) document ter beschikking te stellen en/of (daarbij) een

toelichting en/of uitleg te geven,

ter beïnvloeding van en/of ten behoeve van (de voorbereiding van) een getuigeverhoor bij de Rechter-commissaris te Almelo.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft bepleit dat de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair partieel nietig wordt verklaard voor wat betreft de telkens tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden ‘in ieder geval’. Deze woorden houden volgens de raadsvrouw een suggestieve, onbepaalde uitbreiding in van een of meer personen van wie de aangiften inkomstenbelasting onjuist zouden zijn gedaan. Daardoor is niet duidelijk welke aangiften nog meer ter beoordeling voorliggen en weet de verdediging niet waartegen zij zich moet verweren.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen partiele nietigverklaring van de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair, voor zover het telkens de woorden ‘in ieder geval’ betreft.

De rechtbank stelt vast dat onder 1 aan verdachte ten laste is gelegd dat hij ‘aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en met 2014’ (primair) valselijk heeft opgemaakt, dan wel (subsidiair) opzettelijk onjuist heeft gedaan. Dit verwijt is zowel primair als subsidiair nader feitelijk uitgewerkt door het weergeven van de namen van een vijftal belastingplichtigen. Die weergave wordt voorafgegaan door de woorden ‘in ieder geval’.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘in ieder geval’ een uitbreiding van de ‘hierna te noemen belastingplichtigen’ inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren en waarover de rechtbank een oordeel moet vellen.

De tenlastelegging is dan ook partieel nietig voor wat betreft de telkens tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden ‘in ieder geval’.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding overigens geldig is.

3.2

Bevoegdheid van de rechtbank, ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing

van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

4.1.1

Inleiding

Verdachte [verdachte] is in 1992/1993 voor zichzelf begonnen met een financieel- en belastingadviesbureau, in de vorm van een eenmanszaak. Vanaf 1999 heeft verdachte deze onderneming samen met zijn echtgenote als een vennootschap onder firma gedreven, onder de naam ‘[bedrijf 1] VOF’ (hierna de VOF).

De activiteiten van de VOF bestonden onder meer uit het doen van aangiften inkomsten-belasting voor particuliere klanten. Verdachte beschikte daarvoor over een beconnummer (belastingconsulenten nummer). Het invoer- en typewerk werd uitbesteed aan het bedrijf van een zoon van verdachte, genaamd ‘ [bedrijf 2] ’.

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.

4.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte [verdachte] heeft geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van valsheid in geschrift dan wel het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting. De door verdachte opgevoerde zorgkosten, studiekosten en giften zijn onderbouwd met bewijsstukken, dan wel aangegeven op basis van door de belastingplichtigen zelf verstrekte informatie.

Daarnaast dienen de bij de FIOD afgelegde verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] van het bewijs te worden uitgesloten. Deze verklaringen zijn onbetrouwbaar omdat de betreffende belastingplichtigen, die allen op leeftijd zijn, door de FIOD onder druk zijn gezet en voorzien zijn van onjuiste informatie. Ook is een aantal belastingplichtigen gehoord in het bijzijn van de partner, waardoor mogelijk sprake is van beïnvloeding en/of niet duidelijk is wat door de belastingplichtige en wat door de partner is verklaard.

4.1.4

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 van de belastingplichtigen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] valselijk heeft opgemaakt.

Niet ter discussie staat dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomsten-belasting heeft opgemaakt. Wel ter discussie staat het antwoord op de volgende vragen:

- zijn de aangiften onjuist opgemaakt;

- zo ja, heeft verdachte tenminste voorwaardelijk opzet op die onjuistheid gehad;

- en mogen bij de beantwoording van de voorgaande vragen de FIOD-verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen gebruikt worden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze vragen het volgende.

Met betrekking tot de FIOD-verklaringen

De rechtbank is niet gebleken dat de door de FIOD gehoorde belastingplichtigen tijdens hun verhoor als getuige op een ontoelaatbare wijze (onder meer door het verschaffen van onjuiste informatie) onder druk zijn gezet. Ook de overige door de verdediging aangevoerde omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat die verklaringen als onbetrouwbaar buiten beschouwing dienen te blijven. Het verweer wordt verworpen.

Met betrekking tot de (on)juistheid van de aangiften inkomstenbelasting

De rechtbank is op basis van de getuigenverklaringen van de belastingplichtigen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de terzake opgemaakte processen-verbaal van ambtshandeling van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting onjuist zijn opgemaakt. In deze aangiften zijn zorgkosten opgevoerd die in het geheel niet gemaakt zijn, studiekosten opgevoerd die niet gemaakt zijn en/of niet gemaakt zijn in verband met een (toekomstig) beroep, en giften in aftrek gebracht die niet (tot de in de aangifte vermelde hoogte) gedaan zijn.

Met betrekking tot de opzet van verdachte

Volgens de verdediging heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de onjuistheid van de aangiften inkomstenbelasting gehad.

De rechtbank leidt echter uit de getuigenverklaringen van de in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen af dat verdachte zorgkosten in de aangiften inkomstenbelasting heeft opgenomen zonder dat die belastingplichtigen melding gemaakt hebben van deze kosten, laat staan dat zij bewijsstukken van die kosten aan verdachte hebben laten zien.

Daarnaast heeft verdachte voor belastingplichtigen die reeds lang met pensioen waren studiekosten opgevoerd (met name computerkosten en schrijfgerei), terwijl die kosten niet tot de aangegeven hoogte gemaakt zijn en er geen sprake was van kosten in verband met een huidig of toekomstig beroep. Verdachte heeft bij de FIOD verklaard ervan op de hoogte te zijn dat studiekosten alleen dan aftrekbaar zijn als ze gemaakt zijn voor een beroep of een toekomstig beroep.

Ook heeft verdachte giften in aftrek gebracht waarvan de betreffende belastingplichtige heeft verklaard dat hij/zij aan het genoemde doel niets betaald heeft, laat staan dat hij/zij bewijsstukken van die giften aan verdachte heeft laten zien.

Tot slot acht de rechtbank in dit verband van belang dat verdachte zich presenteert als een deskundige op het gebied van de inkomstenbelasting en als zodanig geacht wordt op de hoogte te zijn van de voorwaarden voor aftrek van zorg- en studiekosten en giften. Deze voorwaarden zijn in de ten laste gelegde periode elk jaar weer gepubliceerd op de site van de Belastingdienst en in de belastingalmanak van onder meer Elsevier.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden bewezen dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de onjuistheid van de aangiften inkomstenbelasting.

De conclusie met betrekking tot het feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat hij de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting valselijk heeft opgemaakt.

4.2.

De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2

4.2.1

Inleiding

Op verzoek van de verdediging zijn de belastingplichtigen [naam 4] , [naam 6] en [naam 5]

als getuige gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken (hierna: RC).

4.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot de getuigen [naam 4] en [naam 6] bewezen verklaard kan worden. Met betrekking tot [naam 5] dient vrijspraak te volgen.

4.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde geheel wordt vrijgesproken. Het ten laste gelegde artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet volgens de raadsvrouw niet op het beïnvloeden van de waarheid, maar op het belemmeren van een getuige om in vrijheid een verklaring af te leggen. Daarvan is hier geen sprake. Verdachte heeft op geen enkele wijze de bedoeling gehad om te horen getuigen in hun verklaringsvrijheid te belemmeren.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de heer [naam 6] als getuige te horen, nu verdachte ontkent dat hij [naam 6] diens FIOD-verklaring ter beschikking heeft gesteld.

4.2.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt.

[naam 5] is op 21 december 2017 in het kader van onderhavige strafzaak als getuige gehoord door de RC.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aan [naam 5] diens FIOD-verklaring en/of een document getiteld ‘Verweerschrift’ ter beschikking heeft gesteld.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit verwijt niet bewezen kan worden verklaard.

[naam 6] is op 20 december 2017 in het kader van onderhavige strafzaak als getuige gehoord door de RC.

[naam 6] had tijdens dat verhoor de beschikking over de verklaring die hij bij de FIOD heeft afgelegd. Verdachte ontkent dat hij die verklaring aan [naam 6] gegeven heeft. Voorafgaand aan het verhoor door de RC heeft [naam 6] telefonisch contact gehad met verdachte, die hem gezegd heeft dat aan hem een aantal vragen gesteld zou worden en dat hij die vragen gewoon moest beantwoorden.

Wat er zij van het antwoord op de vraag of verdachte aan [naam 6] diens FIOD-verklaring ter beschikking heeft gesteld, de rechtbank acht niet bewezen dat het enkele aan [naam 6] ter beschikking stellen van diens FIOD-verklaring er kennelijk op gericht was om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen, te beïnvloeden. Daarvoor is nader bewijs noodzakelijk, waarvan echter niet gebleken is. Het rechtsgoed dat door artikel 285a Sr wordt beschermd is niet zozeer de waarheid van de verklaring als wel de vrijheid – het onbelemmerd kunnen verklaren – van de betrokken persoon.1 Van ‘beïnvloeden’ in de zin van art. 285a lid 1 Sr is sprake indien de in deze bepaling omschreven uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten.2 Van een dergelijke beïnvloeding is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de getuige [naam 6] niet gebleken.

Dat verdachte aan [naam 6] naast diens FIOD-verklaring ook een op zijn zaak betrekking hebbend verweerschrift ter beschikking gesteld zou hebben, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting afgeleid worden.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde ook met betrekking tot [naam 6] niet bewezen.

[naam 4] is op 21 december 2017 in het kader van onderhavige strafzaak als getuige gehoord door de RC.

Verdachte heeft op eigen initiatief op 12 december 2017 de FIOD-verklaring van [naam 4] aan hem gemaild, wetende dat [naam 4] door de RC gehoord zou gaan worden. Bij de begeleidende e-mail was naast de FIOD-verklaring nog een document gevoegd, getiteld ‘Verweerschrift op de verklaring van [naam 4] ’.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de genoemde stukken door verdachte, in onderlinge samenhang bezien, een uiting betreft die binnen het bereik van artikel 285a lid 1 Sr valt. Deze uiting was er kennelijk op gericht om de vrijheid van [naam 4] om naar waarheid of zijn geweten te verklaren, te beïnvloeden. Met name de begeleidende e-mail en het verweerschrift bevatten een door verdachte geformuleerd verweer op onderdelen van de FIOD-verklaring van [naam 4] . Verdachte heeft dit verweer aan [naam 4] gemaild met het kennelijke doel dat [naam 4] bij zijn verhoor door de RC met dat verweer rekening kon houden. Daardoor heeft verdachte de vrijheid van [naam 4] om onbelemmerd een verklaring af te leggen bij de RC beïnvloed dan wel getracht te beïnvloeden.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde met betrekking toto [naam 4] bewezen.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 december 2015 in Nederland,

aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over de jaren 2010 tot en met 2014, – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk op de aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van:

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014,

telkens te hoge en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

op een tijdstip in de periode van 01 december 2017 tot en met 21 december 2017,

in Nederland, opzettelijk bij geschrift zich jegens:

- [naam 4]

heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid en/of geweten ten overstaan van

een rechter en/of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist en/of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,

door toen daar aan die [naam 4] diens verklaring afgelegd bij de Fiod en een – door hem, verdachte, opgesteld – document (met de titel) "Verweerschrift" en een begeleidend schrijven ter beschikking te stellen,

ter beïnvloeding van en/of ten behoeve van (de voorbereiding van) een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris te Almelo.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225 en 285a Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid/naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd geen belastingaangiften voor derden verzorgt. Voor feit 2 dient aan verdachte een gevangenisstraf van drie maanden te worden opgelegd.

De officier van justitie heeft gesteld dat bij de bepaling van de strafmaat voor feit 1 niet alleen rekening gehouden moet worden met de onjuiste aangiften inkomstenbelasting van de vijf in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen, maar ook met de onjuiste aangiften die verdachte voor zijn overige particuliere klanten heeft ingediend. Dat komt volgens de officier van justitie neer op ongeveer 1.250 aangiften.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gevraagd bij de beoordeling van de strafzaak rekening te houden met de meewerkende proceshouding van verdachte en met het feit dat hij zijn praktijk en werkzaamheden vanwege zijn leeftijd en lichamelijke klachten inmiddels heeft neergelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft in het kader van zijn onderneming [bedrijf 1] VOF voor een vijftal belastingplichtigen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 valselijk opgemaakt. Dit betreft in totaal 25 aangiften. In deze aangiften heeft verdachte – zonder medeweten van de betreffende belastingplichtigen – ten onrechte zorgkosten, studiekosten en giften in aftrek gebracht.

De rechtbank berekent het belastingnadeel dat met de valselijk opgemaakte aangiften is gemoeid op ongeveer € 25.000,--.

Verdachte heeft voor het opmaken van de aangiften bedragen variërend van € 50,-- tot € 75,-- per aangifte aan de vijf belastingplichtigen in rekening gebracht.

De Belastingdienst moet erop kunnen vertrouwen dat ingediende belastingaangiften – met name bij ter zake deskundig geachte belastingconsulenten – correct zijn ingevuld. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd. Daarnaast moeten de belastingplichtigen voor wie verdachte onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan als gevolg van zijn handelwijze onterechte teruggaven – met heffingsrente – terugbetalen aan de Belastingdienst, met alle betalings-problemen van dien. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat géén rekening met de door verdachte voor zijn overige particuliere klanten opgemaakte aangiften inkomstenbelasting. Niet ten laste gelegd en bewezen verklaard is immers dat verdachte ook deze aangiften valselijk heeft opgemaakt. Nu geen sprake is van door verdachte erkende ad informandum feiten, noch van feiten die kunnen worden aangemerkt als omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, houdt de rechtbank uitsluitend rekening met de 25 bewezenverklaarde, valselijk opgemaakte aangiften inkomstenbelasting.

Naast de valsheid in geschrift heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het beïnvloeden van een getuige die, naar verdachte wist, gehoord zou gaan worden door de RC. Daardoor is de vrijheid van die getuige om onbelemmerd te verklaren beïnvloed. Ook dit feit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting verder rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) die bij een benadelingsbedrag van € 25.000,-- een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden, dan wel een taakstraf, aangeven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 180 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, een passende straf is.

De rechtbank ziet thans onvoldoende aanleiding om als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke strafdeel verdachte te verbieden om gedurende de proeftijd belastingaangiften voor derden te verzorgen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair:

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2:

het misdrijf: het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid/naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 (drie) maanden;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD, kantoor Almelo met nummer 57579. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 1] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 7] , genummerd als AMB-031, pagina’s 782 tot en met 815.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 2] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 9] , genummerd als AMB-032, pagina’s 816 tot en met 873.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 3] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 7] , genummerd als AMB-034, pagina’s 983 tot en met 1027.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 4] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 8] , genummerd als AMB-035, pagina’s 1053 tot en met 1100.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 5] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 7] , genummerd als AMB-039, pagina’s 1312 tot en met 1359.

6.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 8 maart 2016, genummerd als G-008-01, pagina’s 1669 tot en met 1671, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Met betrekking tot de zorgkosten in de aangiften van 2010 tot en met 2014 verklaar ik dat ik helemaal geen zorgkosten heb gehad over de jaren 2010 tot en met 2014. Vervoerkosten heb ik ook niet. Indien ik ergens naar toe moet dan brengen mijn kinderen mij daar naar toe. De kosten die u me laat zien kloppen niet. Ik heb de bedragen die u mij hebt laten zien niet doorgegeven aan [verdachte] . Hij moet zelf die bedragen hebben bedacht.

Omtrent de scholingsuitgaven over de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Ik heb in 2010 een cursus gevolgd bij de bibliotheek. Ik wilde graag iets leren op de computer. Ik wilde een mailtje kunnen versturen. In 2011, 2012 en 2013 heb ik zeer zeker geen cursus gevolgd. Wat de kosten zijn geweest voor de cursus bij de bibliotheek dat weet ik niet meer. Zeer zeker geen honderden euro's.

Ik heb hier vlak bij mij om de hoek een computer gekocht. De computer kostte volgens mij rond de € 500. Het bedrag op de aangifte van rond de € 1.100 komt mij niet bekend voor. Ik weet niet meer of [verdachte] gevraagd heeft wat de laptop heeft gekost. Als hij daar al naar gevraagd heeft dan zal ik heb hebben gezegd dat de laptop rond de € 500 heeft gekost. Ik heb de cursus gevolgd voor mijzelf en niet voor werk of iets dergelijks. U vraag mij ook naar de kantoorartikelen. Die bedragen kunnen niet kloppen. Dat kan ik niet hebben opgegeven.

Omtrent de post giften over de jaren 2012 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Ik heb niets aan de kledingbank gedoneerd. Ik heb daar vrijwilligerswerk gedaan. Ik weet niet hoe dat op het aangiftebiljet is terecht gekomen. Ziet [verdachte] het vrijwilligerswerk aan voor een gift?

7.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] en van 10 maart 2016, genummerd als G-009-01, pagina’s 1677 tot en met 1683, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mevrouw [naam 2] : We weten niet hoe de bedragen van de vervoerskosten in onze aangiften over de jaren 2010 tot en met 2014 zijn berekend. Dat hebben wij niet gedaan, wij hebben geen bedragen voor vervoerskosten aan [verdachte] doorgegeven.

De heer [naam 2] : Ik heb bij Impuls een computercursus voor 65- plussers gevolgd. Dit was niet voor mijn beroep of toekomstig beroep maar om bij te blijven. Ik kon niets met computers. De bedragen kloppen niet. Het was € 140 cursusgeld. We hebben destijds, in 2009 of 2010, een computer gekocht. Deze was voor het hobbymatig gebruik. In 2015 hebben we een nieuwe laptop gekocht.

Van de kosten voor schrijfgerei en supplies weet ik niets. Waarom in mijn aangifte 2011 staat dat ik wel scholingsuitgaven heb gehad weet ik niet. lk heb geen scholingscursus gevolgd. Ook in de jaren 2012, 2013 en 2014 heb ik geen scholingsuitgaven gehad.

Mevrouw [naam 2] : Plan Foster Parents zegt me niets, daar hebben we niets voor betaald in de jaren 2010 tot en met 2012. We hebben ook niet voor de Plechelmus basiliek betaald in 2013 en 2014. We hebben wel onze betalingen aan de kerk doorgegeven aan [verdachte] , maar dat klopt niet met de bedragen en omschrijvingen die u ons nu hebt verteld.

8.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 14 maart 2016, genummerd als G-015-01, pagina’s 1717 tot en met 1720, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Omtrent de zorgkosten over de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Wij hebben deze bedragen nooit voor medicijnen uitgegeven. Wij hebben geen extra uitgaven voor kleding en beddengoed uitgegeven. Wij hebben geen extra kosten voor genees- en heelkundige hulp gehad, buiten de al aangehaalde tandartskosten. U vraagt mij naar de gezinshulp in 2011. Wij hebben nooit gezinshulp gehad.

Van de scholingsuitgaven in de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften klopt niets. Zoals ik al heb aangegeven, heb ik een BHV-cursus gevolgd, die volledig door mijn werkgever werd vergoed. Voor de rest hebben wij geen studiekosten gehad. lk vraag u wat SMEOT is. U zegt mij dat dit een opleiding in Hengelo (O) is. Hier weet ik echt niets van. Dat heeft [verdachte] zonder mijn weten of toestemming ingevuld. Hier is ook niet over gesproken.

Wat betreft de giften over de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Wij hebben geen bedragen aan goede doelen overgemaakt in de jaren 2010 tot en met 2014.

9.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] van 8 maart 2016 , genummerd als G-017-01, pagina’s 1726 tot en met 1729, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik kan de bedragen aan specifieke zorgkosten in de aangiften 2010 tot en met 2014 niet aantonen middels bonnen. lk heb helemaal geen bedragen opgegeven aan [verdachte] .

Alle scholingskosten kunnen eigenlijk wel geschrapt worden in de aangiften over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2014.

Wat betreft de giften in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Wij hebben geen betalingen gedaan aan de kerk in het jaar 2012.

10.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] van 8 maart 2016, genummerd als G-028-01, pagina’s 1802 tot en met 1806, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Voor zover ik weet heb ik geen specifieke zorgkosten gemaakt in de jaren 2010 tot en met 2014. lk heb wel medicijnen voor mijn hart maar deze worden volledig vergoed door de verzekering. Mijn vrouw heeft over de jaren 2010 tot en met 2014 geen medische kosten gehad. lk heb geen idee hoe deze kosten in de aangifte terecht zijn gekomen. We hebben van al deze kosten in ieder geval geen bewijsmiddelen. Voor zover we weten hebben we deze kosten nooit gemaakt.

Ik kan niet verklaren waarom er scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 staan. We hebben in 2010 of 2011 wel een laptop aangeschaft maar deze is gewoon voor privé gebruik aangeschaft. lk heb geen cursussen voor mijn werk hoeven te volgen. Dit geldt ook voor mevrouw. We hebben bij de heer [verdachte] nooit bewijsmiddelen voor eventuele cursussen of schrijfgerei overgelegd. We hebben geen idee hoe deze kosten in de aangifte terecht komen.

Wat betreft de giften over de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Ik ben al jaren jeugdleider bij de voetbalvereniging. lk kan daarvoor een

vrijwilligersbijdrage ontvangen. Hiervan heb ik echter nooit gebruik gemaakt. lk heb al

die jaren hiervoor nooit een vergoeding ontvangen. lk heb met de club geen nadere

afspraken gemaakt over eventuele vergoedingen of het terugschenken daarvan.

Mevrouw geeft aan dat zij in 2013 en 2014 mantelzorg heeft gegeven aan haar moeder.

Naast de mantelzorg ging ik elke dag naar haar toe om haar te helpen bij het eten.

Over eventuele vergoedingen hiervoor is echter niets vastgelegd.

11.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 mei 2016, genummerd als V-001-01, pagina 1472, voor zover inhoudende:

U vraagt mij hoe ik mijn kennis als belastingadviseur op peil houd. Ik heb een abonnement op "fiscaal regel en recht". Circa 4 jaar geleden heb ik aan Saxion de FA gevolgd. Verder koop ik ieder jaar een belastingalmanak. Het standaard formulier dat wij gebruiken bij de interviews met de cliënten wordt jaarlijks aangepast aan de nieuwste regels van dat jaar. Verder ga ik jaarlijks naar de Belastingconsulenten dag die door de belastingdienst wordt georganiseerd.

Ook wordt er binnen ons kantoor een overleg georganiseerd waar de jaarlijkse

wijzigingen worden besproken en geïnstrueerd. Dat is met mijzelf, [medeverdachte] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12] . Dat noemen wij ook het "fiscaal overleg".

Dat overleg is bij ons 1 keer in de 2 maanden.

12.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 mei 2016, genummerd als V-001-02, pagina 1474, voor zover inhoudende:

Ik ken mevrouw [naam 1] . Ik heb in het verleden aangiften inkomstenheffing voor haar gedaan.

13.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 mei 2016, genummerd als V-001-03, pagina 1484, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik vind dat ik op dit moment nog steeds voldoende kennis van particuliere aangiften heb. Ik haal mijn kennis uit de Elsevier Belastingalmanak. En die raadpleeg ik ook heel veel.

lk weet dat studiekosten aftrekbaar zijn als ze aantoonbaar zijn en worden gemaakt voor een beroep of een toekomstig beroep.

14.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 11 mei 2016, genummerd als V-001-04, pagina 1487, voor zover inhoudende:

Vraag verbalisanten:

Kent u de heer en mevrouw [naam 2] te Oldenzaal en doet u aangiften voor hen.

Antwoord gehoorde:

Ja, die ken ik, dat zijn klanten van mij. Ik doe voor hen de aangiften in huis.

15.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 12 mei 2016, genummerd als V-001-05, pagina 1501, voor zover inhoudende:

Vraag verbalisanten:

In ons onderzoek zijn naast de getuigen [naam 1] en [naam 2] die we met u hebben besproken nog meer getuigen gehoord. Dat zijn onder meer:

[naam 3]

[naam 5]

[naam 4] .

Antwoord getuige:

Ik herken deze personen als mijn cliënten.

16.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] door de rechter-commissaris op 21 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de verklaring die ik heb afgelegd bij de FIOD gekregen van de heer [verdachte] . Daar zat

een begeleidende mail bij en een verweerschrift van de heer [verdachte] .

17.

Een geschrift, zijnde een e-mailbericht van verdachte aan [naam 4] van 12 december 2017 13:46, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben van mening dat het onderzoek slechts 1 missie heeft beoogd hetgeen is om te komen tot belastende verklaringen jegens mijn persoon. De FIOD/Belastingdienst heeft geenszins oog gehad voor feiten en omstandigheden welke aftrek op aannemelijkheid doen rechtvaardigen.

Mijn dienstverlening ten aanzien van jouw aangifte heeft zich mede gericht op de aftrek van studiekosten. Deze studiekosten heb ik beschouwd vanwege gemaakte kosten voor herhalingscursussen met verwerving van erkende competenties, welke competenties een positieve invloed zullen hebben op toekomstige inkomensverwerving.

Aftrekbare giften voortvloeiend uit vrijwilligerswerk voor de voetbalvereniging heb ik beschouwd wegens afzien van vrijwilligersvergoeding voor een Sociaal Belang Beogende Instelling.

Ter informatie en ondersteuning ontvang je hierbij de verklaring zoals eerder door jou is afgelegd.

Bijlagen: Verweerschrift [verdachte]

Kopie proces-verbaal FIOD/ [naam 4]

18.

Een geschrift, genaamd Verweerschrift op verklaring [naam 4] , van 20 november 2017, opgesteld door [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De vraag m.b.t. studie voor toekomstig beroep zijn wederom suggestief en worden dan ook met nee beantwoord.

Wel heeft de heer [naam 4] aangegeven veel cursussen te hebben gedaan in het belang van de werkgever en uit hobby.

De aanduiding EVC is hem bekend en heeft hij naar eigen zeggen gevolgd in 2010.

M.b.t. de studiekosten geeft [naam 4] als antwoord dat hij veel kosten maakt in de vorm van supplies etc.

Uit informatie van de Belastingdienst blijkt dat de heer [naam 4] studiekosten voor de zoon heeft betaald waar achteraf blijkt dat de zoon hiervoor studiefinanciering heeft ontvangen. Kosten op verzoek van [naam 4] in aftrek genomen.

De kosten voor giften zijn volledig onderbouwd en zijn afgetrokken i.v.m. het vrijwilligerswerk voor een SBBI instelling sociaal cultureel waarvoor hij een vereiste vrijwilligersverklaring kon krijgen van de voetbalclub waar hij actief is als begeleider jeugd, alsmede als scheidsrechter.

Uit de verklaring blijkt dat de heer [naam 4] kopschuw is gemaakt en derhalve een onjuiste verklaring op indicatie van de FIOD heeft afgelegd.

1 Kamerstukken II, 1991/92, 22 483 nr. 3, p. 39.

2 Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2908.