Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2736

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
08/996014-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 66-jarige fiscaal adviseur uit Almelo is voor belastingfraude veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van 2 jaar. De man deed van 2010 tot en met 2014 voor 5 klanten valse aangiften inkomstenbelasting. Zo kregen zijn klanten, zonder dat zij hiervan wisten, onterecht teveel geld van de Belastingdienst terug. Naar schatting kostte dit de Belastingdienst 25.000 euro. De rechtbank oordeelt dat de man hiermee iets meer dan 15.000 euro heeft verdiend, maar dat hij dat niet hoeft te betalen. Hij is sinds 2015 failliet, zit sinds 2017 in de schuldsanering en is door ernstige ziekte niet meer in staat te werken. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2018:2737

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2018-2122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/996014-16 (P)

Datum vonnis: 30 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. D.R. Changoer, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, op naam van een aantal anderen, valselijk heeft opgemaakt;

feit 1 subsidiair: opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, op naam van een aantal anderen, heeft gedaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 februari 2011

tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam

van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en

met 2014, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig

feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten (telkens) valselijk op

de aangifte(n) inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van -in ieder

geval- :

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014

(telkens) te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of

studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ALTHANS voor zover het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011

tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n) op naam van na te noemen belastingplichtigen, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van -in ieder geval- :

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(s)

inkomensheffing/inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te

laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting

opgegeven en/of te hoge en/of onjuiste en/of fictieve aftrekposten

(zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften) opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting is de vraag aan de orde geweest of de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair partieel nietig is voor wat betreft de telkens tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden ‘in ieder geval’.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen partiële nietigverklaring van de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair, voor zover het telkens de woorden ‘in ieder geval’ betreft.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de woorden ‘in ieder geval’ vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank stelt vast dat onder 1 aan verdachte ten laste is gelegd dat hij ‘aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en met 2014’ (primair) valselijk heeft opgemaakt, dan wel (subsidiair) opzettelijk onjuist heeft gedaan. Dit verwijt is zowel primair als subsidiair nader feitelijk uitgewerkt door het weergeven van de namen van een vijftal belastingplichtigen. Die weergave wordt voorafgegaan door de woorden ‘in ieder geval’.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘in ieder geval’ een uitbreiding van de ‘hierna te noemen belastingplichtigen’ inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren en waarover de rechtbank een oordeel moet vellen.

De tenlastelegging is dan ook partieel nietig voor wat betreft de telkens tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden ‘in ieder geval’.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding overigens geldig is.

3.2

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft gesteld dat de officier van justitie voor wat betreft het primair ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaard moet worden. In het onderhavige geval vallen de primair en subsidiair ten laste gelegde gedragingen geheel samen en dan sluit artikel 69 lid 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervolging op grond van artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) uit, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR hier niet van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging onder 1 primair is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr, te weten het valselijk opmaken van aangiften inkomstenbelasting op naam van een vijftal met name genoemde belastingplichtigen.

Het is een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 2 Sr. Het is niet aan de rechter om het bereik van die vervolgingsuitsluitings-grond uit te breiden. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie ook overigens ontvankelijk is.

3.3

Bevoegdheid van de rechtbank en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Verdachte [verdachte] heeft bij de Belastingdienst gewerkt, eerst in Apeldoorn, vervolgens in Raalte en van 1990 tot 2004 in Almelo. Bij de Belastingdienst heeft hij de commiezen-opleiding gevolgd en verrichtte hij met name controlewerkzaamheden.

In 2004 is verdachte voor zichzelf is begonnen met een bedrijf genaamd ‘ [bedrijf] ’. In eerste instantie werkte hij voor medeverdachte [medeverdachte] voor wie hij gegevens voor aangiften inkomstenbelasting, die [medeverdachte] naar aanleiding van een interview met een klant op een formulier had ingevuld, inbracht in een computer. Later kreeg hij ook eigen klanten voor wie hij de aangifte inkomstenbelasting invulde. Deze aangiften werden verzonden via het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] .

[bedrijf] is op 14 oktober 2015 in staat van faillissement verklaard.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 van de belastingplichtigen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] valselijk heeft opgemaakt.

Niet ter discussie staat dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting heeft opgemaakt.

De rechtbank is op basis van de getuigenverklaringen van de belastingplichtigen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de terzake opgemaakte processen-verbaal van ambtshandeling van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomsten-belasting valselijk zijn opgemaakt.

Verdachte heeft in deze aangiften zorgkosten opgevoerd die in het geheel niet gemaakt zijn, studiekosten opgevoerd die niet gemaakt zijn en/of niet gemaakt zijn in verband met een (toekomstig) beroep, en giften in aftrek gebracht die niet (tot de in de aangifte vermelde hoogte) gedaan zijn.

Verdachte wordt als voormalig medewerker van de Belastingdienst geacht op de hoogte te zijn van de voorwaarden voor aftrek voor de inkomstenbelasting van zorg- en studiekosten en giften. Deze voorwaarden zijn in de ten laste gelegde periode elk jaar weer gepubliceerd op de site van de Belastingdienst en in de belastingalmanak van onder meer Elsevier.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat hij de in de tenlastelegging genoemde aangiften inkomstenbelasting valselijk heeft opgemaakt.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 december 2015 in Nederland,

aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over de jaren 2010 tot en met 2014, – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk op de aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van:

- [naam 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 3] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 4] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014, en

- [naam 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014,

telkens te hoge en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd geen belastingaangiften voor derden verzorgt.

De officier van justitie heeft gesteld dat bij de bepaling van de strafmaat niet alleen rekening gehouden moet worden met de onjuiste aangiften inkomstenbelasting van de vijf in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen, maar ook met de onjuiste aangiften die verdachte voor zijn overige particuliere klanten heeft ingediend. Dat komt volgens de officier van justitie neer op ongeveer 300 aangiften.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de feitelijke navorderingen die door de Belastingdienst aan de klanten van verdachte zijn opgelegd het uitgangspunt voor het benadelingsbedrag zouden moeten zijn. Verder heeft de raadsman gewezen op het advies van de reclassering (geen taakstraf of geldboete opleggen, maar een geheel voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden) en op het feit dat er geen sprake is van recidive van fiscale fraude. Wel is de redelijke termijn overschreden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft in het kader van zijn onderneming [bedrijf] voor een vijftal belastingplichtigen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 valselijk opgemaakt. Dit betreft in totaal 25 aangiften. In deze aangiften heeft verdachte – zonder medeweten van de betreffende belastingplichtigen – ten onrechte zorgkosten, studiekosten en giften in aftrek gebracht.

De rechtbank berekent het belastingnadeel dat met de valselijk opgemaakte aangiften is gemoeid op ongeveer € 25.000,--.

Verdachte heeft voor het opmaken van de aangiften gemiddeld € 75,-- per aangifte aan de vijf belastingplichtigen in rekening gebracht.

De Belastingdienst moet erop kunnen vertrouwen dat ingediende belastingaangiften – met name bij ter zake deskundig geachte belastingconsulenten – correct zijn ingevuld. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd. Daarnaast moeten de belastingplichtigen voor wie verdachte onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan als gevolg van zijn handelwijze onterechte teruggaven – met heffingsrente – terugbetalen aan de Belastingdienst, met alle betalings-problemen van dien. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat géén rekening met de door verdachte voor zijn overige particuliere klanten opgemaakte aangiften inkomstenbelasting. Niet ten laste gelegd en bewezen verklaard is immers dat verdachte ook deze aangiften valselijk heeft opgemaakt. Nu geen sprake is van door verdachte erkende ad informandum feiten, noch van feiten die kunnen worden aangemerkt als omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, houdt de rechtbank uitsluitend rekening met de 25 bewezenverklaarde, valselijk opgemaakte aangiften inkomstenbelasting.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting verder rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor fiscale delicten.

Ook houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport, gedateerd 5 juli 2018. Uit dat rapport leidt de rechtbank af dat verdachte in 2015 failliet is verklaard en dat dit faillissement in oktober 2017 is omgezet in een wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarnaast kampt verdachte met psychische en fysieke klachten waardoor hij niet meer in staat is om te werken. In 2013 heeft hij een TIA gekregen en in 2014 een hartinfarct. Vervolgens is in 2015 een tumor aan de speekselklier van verdachte en huidkanker ontdekt, waarvoor hij thans in behandeling is. Verdachte ervaart veel lichamelijke klachten, is snel benauwd en vermoeid, en hij heeft veel hoofdpijn en concentratieproblemen. De combinatie van de fysieke problemen en stress hebben geleid tot het beeld van een burn-out.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het

LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), die bij een benadelingsbedrag van

€ 25.000,-- een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden, dan wel een taakstraf, aangeven.

Met betrekking tot de door de raadsman gestelde overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank het volgende.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In deze zaak is de termijn aangevangen op de dag van de inverzekeringstelling, zijnde 10 mei 2016. De inhoudelijke behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 16 juli 2018 en de rechtbank doet uitspraak op 30 juli 2018. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in beperkte mate, en wel met minder dan vier maanden, is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden een passende straf is.

De rechtbank ziet thans onvoldoende aanleiding om als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke strafdeel verdachte te verbieden om gedurende de proeftijd belastingaangiften voor derden te verzorgen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen administratie, voor zover deze nog niet aan hem teruggegeven is.

De nog niet teruggegeven administratie is niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, en 27 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de in beslag genomen administratie aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD, kantoor Almelo met nummer 57579. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 1] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 6] genummerd als AMB-030, pagina’s 611 tot en met 696.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 2] inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 6] genummerd als AMB-033, pagina’s 909 tot en met 948.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 3] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 6] genummerd als AMB-036, pagina’s 1129 tot en met 1156.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 4] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 6] genummerd als AMB-037, pagina’s 1157 tot en met 1206.

De ambtsedige verklaring inkomstenbelasting 2010 tot en met 2014 inzake [naam 5] , inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door [naam 7] , genummerd als AMB-038, pagina’s 1256 tot en met 1280.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 8 maart 2016, genummerd als G-003-01, pagina’s 1633 tot en met 1638, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik laat mijn aangiften inkomstenbelasting doen door [verdachte] . Volgens mij vanaf 2010.

U vraagt mij naar de gemaakte ziektekosten in de jaren 2010 tot en met 2014. Wij hebben geen kosten voor ziekte gemaakt. Alleen de kosten die in het eigen risico zitten. Geen extra kosten voor medicijnen, dieet, hulpmiddelen en dergelijke. Wij hebben de opgegeven ziektekosten in de aangiften over de jaren 2010 tot en met 2014 niet gemaakt. U vraagt mij hoe het dan kan dat het in de aangifte staat. Dat zal [verdachte] zo ingevuld hebben. Hij zal dat uit zijn duim hebben gezogen.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik dat

ik deze kosten niet heb gemaakt. lk heb dus ook geen bonnen of betaalbewijzen. lk heb [verdachte]

niet verteld dat hij deze kosten op moest voeren in de aangifte.

Met betrekking tot de giften in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik dat Plan mij niets zegt. lk heb alleen de afdracht/contributie aan Gemeentebelangen gedaan.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 9 maart 2016, genummerd als G-011-01, pagina’s 1692 tot en met 1699, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik weet alleen dat [verdachte] de aangiften inkomstenbelasting voor mij doet.

Met betrekking tot de zorgkosten in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik dat die kosten niet zijn gemaakt. lk heb het nooit met hem gehad over zorgkosten die ik gemaakt zou hebben. Ik heb geen zorgkosten.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. Ik heb tussen 2010 en 2014 niet op het ROC gezeten. Mijn echtgenote heeft ook niet op het ROC gezeten. Ik heb nooit met [verdachte] over opleidingen gehad, over specifieke kosten. lk heb geen opgave van de studiekosten bij hem gedaan.

Met betrekking tot de giften in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. Ik heb wel aan de moskee gegeven. lk heb echter nimmer tegen [verdachte] gezegd dat hij giften op moest nemen in de aangiften en al helemaal niet dit specifieke bedrag.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 23 maart 2016, genummerd als G-021-01, pagina’s 1755 tot en met 1760, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[verdachte] aan de [woonplaats] heeft mijn aangiften over de jaren 2010 tot en met 2014 ingevuld.

Omtrent de zorgkosten over de jaren 2010 tot en met 2014 in mijn aangiften verklaar ik als volgt. Met betrekking tot de medicijnen kan ik zeggen dat ik wel kosten heb gemaakt die ik niet vergoed heb gekregen, maar de bedragen die er op staan komen niet overeen met de werkelijkheid. Ik kom niet aan de bedragen die in mijn aangiften vermeld zijn. [verdachte] heeft deze bedragen niet met mij overlegd. Met betrekking tot de hulpmiddelen en vervoerskosten kan ik zeggen dat ik die niet gehad heb in die periode, ook dit heeft [verdachte] niet met mij besproken. Dit geldt ook voor de kosten van medische hulp.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. De cursus peuterleidster II heb ik niet gedaan in die jaren, ik snap niet hoe [verdachte] dit heeft ingevuld. In de periode 2010 tot en met 2014 heb ik geen computer of laptop gekocht. [verdachte] heeft deze kosten van de computer niet met mij besproken.

Bij schrijfgerei en kantoorartikelen kan ik me niks bij voorstellen. Ook deze kosten heeft [verdachte] niet met mij besproken. Supplies heb ik eveneens niet gehad en ook dit is niet met mij besproken.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] van 16 maart 2016 , genummerd als G-022-01, pagina’s 1761 tot en met 1767, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft altijd onze aangiften inkomstenbelasting ingevuld sinds 2006 tot heden.

Met betrekking tot de zorgkosten in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. De hulpmiddelen in 2010 van € 1440 komen ons onbekend voor. Die hebben wij niet gehad. De hulpmiddelen in 2011 van € 440 en 2012 van € 468,- hebben wij niet gehad. De opgevoerde vervoerskosten van 2010 tot en met 2012 hebben wij in die drie jaren niet gehad. De opgevoerde kosten door [verdachte] zijn nooit met ons besproken, daar is geen discussie over.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. U laat mij zien wat is ingevuld voor de studie BHV. Ik heb nooit een cursus BHV gevolgd en ik heb nooit een ROC opleiding gevolgd. Op dit moment hebben wij geen computer maar een iPad die ik van de VGZ verzekering heb gekregen omdat ik ben overgestapt in 2014 naar VGZ, dit was een aanbieding. Ik heb in Nederland geen enkele opleiding gevolgd. 15 jaar geleden heb ik van mijn werkgever een cursus Nederlands aangeboden gekregen waar ik niets voor heb betaald. Wij hebben daar geen verklaring voor waarom [verdachte] studiekosten heeft opgevoerd. Hij heeft niets met ons besproken.

Met betrekking tot de giften in de aangifte 2012 verklaar ik als volgt. U vraagt naar de giften aan PLAN 12 x 50, dit zegt ons niets. Wij kennen de term PLAN ook niet.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] van 30 maart 2016, genummerd als G-024-01, pagina’s 1775 tot en met 1780, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De aangiften 2010 tot en met 2014 zijn ingevuld door [verdachte] .

Met betrekking tot de zorgkosten in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. De hulpmiddelen die daar ingevuld zijn voor die bedragen kan ik niet verklaren. De kosten van vervoer die opgevoerd zijn in mijn belastingaangifte kan ik ook niet verklaren. Ik heb voor mijn dieet geen doktersverklaring gekregen. [verdachte] heeft aan mij ook niet gevraagd om een dieetverklaring en ook niet om betaalbewijzen voor de medicijnen en hulpmiddelen. De medische hulp kosten kan ik ook niet verklaren, ik heb geen medische hulp in mijn huis gehad. Vervoerskosten heb ik niet gehad. Ik weet niet hoe [verdachte] aan die bedragen komt. [verdachte] heeft dit niet met mij overlegd. Dat heeft hij op eigen houtje ingevuld in mijn aangiften.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven in de aangiften 2010 tot en met 2014 verklaar ik als volgt. Ik sta versteld van de bedragen die u aan mij laat zien. De opleiding administratief medewerkster die heb ik niet in Nederland gevolgd. De cursus Nederlands niveau in verband met Naturalisatie die heb ik ook niet gevolgd. De kosten die opgevoerd zijn voor schrijfgerei en kantoorartikelen zeggen mij niets. Ik heb die niet gekocht. [verdachte] heeft dat zonder mijn toestemming op mijn aangiften ingevuld. Hij heeft ook niets aan mij gevraagd.

11.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 mei 2016, genummerd als V-003-01, pagina 1565, voor zover inhoudende:

Ik heb MAVO, Havo, en twee jaar HTS gedaan. Vanaf de HTS ben ik naar Centraal Beheer

gegaan. Na een half jaar ben ik naar het Centraal Betalingskantoor van de Belastingdienst

gedaan.

Ik heb bij de Belastingdienst interne opleidingen gevolgd en ben in Raalte gekomen, in de buitendienst. Vanaf 1990 ben ik werkzaam geweest in Almelo. In 2004 heb ik afscheid genomen van de Belastingdienst.

In 2004 ben ik voor me zelf begonnen met het fiscaal adviesbureau [bedrijf] . In eerste instantie werkte ik voor [medeverdachte] en verrichtte daar werkzaamheden voor. Later kreeg ik ook wel eigen klanten.

Bij de Belastingdienst heb ik de opleiding voor commies gevolgd.

Bij de Belastingdienst heb ik met name controlewerkzaakheden gedaan.

Vraag verbalisanten: op welke wijze houdt u uw kennis bij / op peil als belastingadviseur?

Antwoord gehoorde:

Ik keek jaarlijks op de site van de Belastingdienst wat er veranderd was. Ook kreeg ik blaadjes Rendement die ook ingaat op actuele zaken.

Op de site van de Belastingdienst bekeek ik voornamelijk de site over de inkomstenbelasting.